[naam] , eiser,
v-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),
en
het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,
alsmede
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. L. Ploeger).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep is gericht tegen het besluit van het COa van 1 juli 2026. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser per 1 juli 2026 in de HTL in Hoogeveen te plaatsen (hierna: het plaatsingsbesluit). Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van dezelfde datum om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw op te leggen (hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel). De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding.
Eiser heeft op 17 juli 2026 en op 23 juli 2026 beroepsgronden ingediend, waarop het COa op 16 september 2026 een verweerschrift heeft ingediend.
De vrijheidsbeperkende maatregel is op 11 september 2026 opgeheven.
De rechtbank heeft de beroepen op 18 september 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser is verschenen en de minister en het COa hebben zich gezamenlijk laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Eiser is niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt, dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en dat eiser ook geen vergoeding krijgt van zijn proceskosten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit
De feitelijke verslaglegging van het incident
3. Het COa heeft in het plaatsingsbesluit uitgebreid verslag gedaan van het incident dat ten grondslag ligt aan het besluit. Kort samengevat komt dit op het volgende neer.
Op 31 mei 2026 is eiser betrokken geweest bij een geweldsincident, waarbij hij het slachtoffer met een mes heeft gestoken. Hieraan vooraf ging een confrontatie met het slachtoffer. Het slachtoffer werd tijdens het incident door een andere bewoner vastgehouden terwijl eiser het slachtoffer in zijn bovenbeen stak. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij driemaal is gestoken door eiser. Na het steken is eiser weggerend met het mes in zijn hand. Het mes werd later door beveiligingsmedewerkers in de bosjes aangetroffen. Eiser werd aangehouden door de politie en het mes werd door de politie in beslag genomen. Het slachtoffer is naar het ziekenhuis gebracht en heeft aangifte gedaan. Eiser is in voorlopige hechtenis gesteld. Het COa heeft het incident aangemerkt als een incident met zeer grote impact, primair op grond van gedrag met als doel een ander ernstige fysieke schade toe te brengen en subsidiair op grond van openlijk wapenbezit en wapengebruik.
De minister en gemachtigde lichtten ter zitting toe dat eiser op 19 juni 2026 uit voorlopige hechtenis is geschorst. Vervolgens heeft eiser zich na het weekend, op 22 juni, bij het COa in Ter Apel gemeld. Vervolgens is eiser overgeplaatst naar een asielzoekerscentrum in Amsterdam. Eiser is daarna in de HTL geplaatst. De minister stelt dat hierin iets is misgegaan: eiser had na de voorlopige hechtenis meteen in de HTL moeten worden geplaatst.
Wat vindt eiser?
4. Eiser stelt dat enkel op basis van partijdige getuigen is gebaseerd dat eiser de dader is. Eiser en het slachtoffer waren kamergenoten en er waren al bestaande fricties tussen hen. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting opgemerkt dat het strafrechtelijke traject met betrekking tot het incident nog loopt en dat eiser daarin ook getuigen wenst te horen. Eiser stelt dat het slachtoffer samen met een vriend (en getuige) naar eiser is toegekomen met een of meerdere messen. Het slachtoffer is volgens eiser de ruzie begonnen door op eiser af te komen. Eiser stelt dat hij uit zelfverdediging handelde en daarom het slachtoffer heeft gestoken. Eiser stelt dat hij op dat moment geen mes bij zich had en dat het later gevonden mes van het slachtoffer is. Eiser onderbouwt zijn standpunt met het feit dat hij niet bekend is met een patroon van herhaaldelijk overlastgevend gedrag en dat hij uit voorlopige hechtenis is geschorst.
Eiser stelt daarnaast dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom een plaatsing in de HTL de meest passende maatregel is. De minister heeft volgens eiser onvoldoende gemotiveerd waarom er niet met een lichter middel had kunnen worden volstaan. Dit klemt volgens eiser des te meer omdat het slachtoffer wel is overgeplaatst naar een andere locatie wegens andere geweldsincidenten. Daarnaast meent eiser dat hij had kunnen terugkeren naar de locatie omdat het slachtoffer dus niet meer op de locatie verbleef.
Oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank is van oordeel dat het COa, in overeenstemming met het Maatregelenbeleid en voldoende deugdelijk gemotiveerd, heeft besloten tot de oplegging van het plaatsingsbesluit. Uit het Maatregelenbeleid van het COa volgt immers dat een maatregel 6 tot en met 11 of een HTL-maatregel wordt opgelegd wanneer sprake is van één incident met een zeer grote impact. Daarvan is in deze zaak sprake. Eiser heeft fysiek geweld gebruikt door het slachtoffer te steken met een mes terwijl hij werd vastgehouden door een andere bewoner. Het slachtoffer moest hierdoor naar het ziekenhuis. De stelling van eiser dat hij uit zelfverdediging handelde, volgt niet uit de verslaglegging van het COa. Meerdere getuigen hebben verklaard over het incident. De stelling van eiser, dat het alleen ging om partijdige getuigen die vrienden waren van het slachtoffer, volgt de rechtbank niet. Deze stelling is niet nader onderbouwd.
Daarbij is volgens de rechtbank door het COa voldoende toegelicht waarom een plaatsing in de HTL de meest passende maatregel is. Het incident heeft zeer grote impact gehad op de locatie en op alle betrokkenen, waaronder medebewoners, medewerkers van het COa, beveiligingsmedewerkers en op het slachtoffer. Daarnaast blijkt uit de toelichting van de minister op de zitting dat eiser eerder is uitgestroomd vanwege goed gedrag op de HTL. Het doel van de HTL, gedragsverandering, lijkt hiermee te zijn bereikt.
Dat het slachtoffer is overgeplaatst naar een andere locatie en dat eiser niet bekend is met een patroon van herhaaldelijk overlastgevend gedrag, kan niet af doen aan de ernst van het incident. Ook het feit dat eiser uit zijn voorlopige hechtenis is geschorst en dat dit incident nog strafrechtelijk moet worden beoordeeld, maakt dit oordeel niet anders. Het gaat in deze zaak immers om een bestuursrechtelijke, en niet om een strafrechtelijke toetsing. Dit geldt ook voor de opmerking van eiser dat in het strafrechtelijke traject nog getuigen moeten worden gehoord.
Vrijheidsbeperkende maatregel
6. Omdat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op het plaatsingsbesluit en dat beroep ongegrond wordt verklaard, oordeelt de rechtbank dat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook ongegrond moet worden verklaard. De rechtbank zal het verzoek tot schadevergoeding afwijzen.
Conclusie en gevolgen
7. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het COa het besluit tot plaatsing in de HTL en de minister de vrijheidsbeperkende maatregel mochten nemen.
Eisers verzoek om schadevergoeding wordt gezien het voorgaande afgewezen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Wetterauw, griffier, op 15 oktober 2026, en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.