ECLI:NL:RBDHA:2026:30383

ECLI:NL:RBDHA:2026:30383

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 15-10-2026
Datum publicatie 15-10-2026
Zaaknummer NL26.38444 en AWB 26 11450
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

plaatsingsbesluit en vrijheidsbeperkende maatregel, HTL en art. 56 Vw, de minister heeft ten onrechte niet nader advies ingewonnen bij GZA, gegrond.

Uitspraak

[naam] , eiser,

v-nummer: [v-nummer] ,

(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),

en

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,

alsmede

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. L. Ploeger).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep is gericht tegen het besluit van het COa van 8 juli 2026. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser per 8 juli 2026 in de HTL in Hoogeveen te plaatsen (hierna: het plaatsingsbesluit). Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van dezelfde datum om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw op te leggen (hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel). De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding.

Eiser heeft op 22 juli 2026 beroepsgronden ingediend, waarop het COa op 14 september 2026 een verweerschrift heeft ingediend.

De rechtbank heeft de beroepen op 18 september 2026 op zitting behandeld. Eiser, de gemachtigde van eiser en een tolk zijn verschenen op de rechtbank in Groningen. De minister en het COa hebben zich gezamenlijk laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Het onderzoek is niet op de zitting gesloten om partijen de gelegenheid te geven om op een dossierstuk te reageren. Dit heeft de minister gedaan op 23 september 2026. Eiser heeft hier vervolgens weer op 24 september 2026 op gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek op 29 september 2026 gesloten.

De vrijheidsbeperkende maatregel is met ingang van 23 september 2026 opgeheven wegens voltooiing van de maatregel.

Beoordeling door de rechtbank

2. De beroepen zijn gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, dat hij schadevergoeding krijgt en een vergoeding van zijn proceskosten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit

Het incident

3. Het COa heeft in het plaatsingsbesluit uitgebreid verslag gedaan van het incident dat ten grondslag ligt aan het besluit. De rechtbank heeft op de zitting verduidelijking gevraagd omdat het verslag onduidelijkheden bevatte over wie er filmde tijdens het incident. Tijdens de zitting werd bevestigd dat eiser degene was die filmde. Kort samengevat komt het incident op het volgende neer.

Op 16 april 2026 probeerde eiser samen met een medebewoner met toegangspassen de locatie te betreden. Bij controle bleken beide passen van de medebewoner te zijn. De toegangspassen zijn strikt persoonlijk en mogen niet overgedragen worden. Hierop noteerde de beveiligingsmedewerker op een kladblok de naam van de medebewoner en zijn v-nummer om de gedraging te rapporteren. De medebewoner probeerde tot drie keer toe het kladblok uit het raam te pakken en de pagina te verscheuren. Er kwamen vervolgens meerdere beveiligingsmedewerkers ter plaatse ter ondersteuning. Eiser begon te filmen en de beveiligingsmedewerkers uit te schelden. Ondanks het verzoek om niet te filmen, bleef eiser filmen. De beveiligingsmedewerker heeft vervolgens eisers telefoon afgepakt en op tafel gelegd. Hierna pakte eiser een IPad van de beveiligingsmedewerkers uit het raam, die binnen lag op het bureau, en maakte hiermee een gooiende beweging. De beveiligingsmedewerker pakte vervolgens de IPad af, hierbij liet de pen die bij de IPad hoorde los. Eiser greep deze pen en maakte stekende bewegingen richting de beveiligingsmedewerker. Hierop pakte de beveiligingsmedewerker de armen van eiser vast zodat werd voorkomen dat hij in zijn gezicht werd geraakt met de pen. Daarna pakte de beveiligingsmedewerker de pen van eiser af. Omdat eiser agressief was, werd hij vastgepakt en gefixeerd door de beveiligingsmedewerkers. Tijdens het fixeren verzette eiser zich heftig en beet een van de beveiligingsmedewerkers in zijn arm en spuugde in zijn gezicht. Daarnaast uitte eiser beledigende teksten richting de beveiligingsmedewerkers, waaronder een bedreiging met de dood. De beveiligingsmedewerkers hielden eiser in bedwang tot dat de politie arriveerde. De beveiligingsmedewerkers hebben aangifte gedaan tegen eiser. De beveiligingsmedewerker die was gebeten kreeg medische behandeling, waaronder een tetanusprik en hepatitis-B vaccinatie. Het COa heeft het incident aangemerkt als een incident met zeer grote impact.

Naar aanleiding van het incident op 16 april 2026 wilde het COa eiser in de HTL plaatsen. Het GZA heeft daarvoor op 17 april 2026 akkoord gegeven. Eiser heeft zich op 22 april 2026 gemeld bij de HTL. Hij heeft op 24 april 2026 besloten af te zien van opvang en heeft de HTL verlaten. Tijdens de zitting is toegelicht dat op dat moment nog geen plaatsingsbesluit en vrijheidsbeperkende maatregel waren opgelegd.

Eiser meldde zich in juli opnieuw voor opvang. Volgens het plaatsingsbesluit is hij op 7 juli 2026 verwezen naar de HTL. Op 8 juli 2026 zijn het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel genomen.

Wat vindt eiser?

4. Eiser meent dat een plaatsing in de HTL niet passend, proportioneel en noodzakelijk is gelet op het tijdsverloop. Het incident heeft plaatsgevonden op 16 april 2026 en het plaatsingsbesluit is van 8 juli 2026, bijna drie maanden later. Eiser vraagt zich daarom af of de motivering, de impact op de locatie, nog wel actueel is. Bovendien stelt eiser dat hij is uitgescholden en geslagen door de beveiligingsmedewerker en dat hij daarom heeft gebeten. Ook stelt eiser dat de getoonde toegangspassen echt waren. Daarnaast stelt eiser dat het niet ongewoon is dat er vechtpartijen zijn en agressie is op opvanglocaties. Wat betreft de eerdere incidenten merkt eiser op dat deze met name betrekking hebben op het niet naleven van de meldplicht en het overtreden van de huisregels. Deze gedragingen hebben volgens eiser doorgaans niet het gevolg dat de sfeer en het veiligheidsgevoel worden aangetast.

Eiser meent daarnaast dat een plaatsing in de HTL niet passend, proportioneel en noodzakelijk is gelet op eisers psychische achtergrond. Eiser stelt dat er overleg is geweest met het GZA en dat zij geen bezwaren hebben tegen de komst van eiser naar de HTL. Eiser meent echter dat het onduidelijk is wat er besproken is met het GZA. Bovendien stelt eiser nog maar kort te hebben verbleven op de locatie en dat daarom de vraag is in hoeverre zijn medische situatie adequaat is ingeschat door het GZA. Hierbij is volgens eiser van belang dat de crisisdienst van mening is dat eiser niet thuis hoort op de HTL locatie. Eiser verwijst daarbij naar de overgelegde journaalregels. Daarnaast heeft eiser tijdens de zitting toegelicht dat hij recent heeft vernomen dat hij het hiv-virus heeft opgelopen. Eiser stelt dat hij dit virus heeft opgelopen in de HTL. Eiser krijgt behandeling en medicatie in een ziekenhuis in Amsterdam voor deze hiv-besmetting.

Verder stelt eiser dat hij worstelt met zijn seksuele geaardheid en sinds zijn komst naar Nederland structurele discriminatie heeft ervaren van COA-medewerkers en ingehuurde beveiligers van met name Noord-Afrikaanse afkomst. Eiser stelt dat ook tijdens het incident van 16 april 2026 homofobe uitspraken zijn gedaan waardoor het conflict is geëscaleerd. Daarnaast voert eiser aan dat op de HTL agressieve, onder invloed zijnde, heteroseksuele mannen verblijven en dat hij zich bij hen niet op zijn gemak voelt. Eiser stelt slachtoffer te zijn geworden van mensen in Amsterdam die in ruil voor opvang seksuele handelingen van eiser verwachtten. Eiser stelt dat er geen enkel oog is geweest voor zijn seksuele geaardheid en eisers kwetsbaarheid en de daarmee gepaard gaande problematiek met betrekking tot de plaatsing in de HTL.

Oordeel van de rechtbank

5. De rechtbank is van oordeel dat het plaatsingsbesluit onzorgvuldig is voorbereid, omdat niet een actueel oordeel van het GZA is gevraagd. De rechtbank legt dit hierna uit.

Uit het dossier blijkt dat eiser voordat het plaatsingsbesluit is genomen al op de HTL verbleef en dat hij op 7 juli 2026 is bezocht door de crisisdienst van de GGZ. Uit de journaalregels blijkt dat een terugkoppeling is gegeven door de crisisdienst met een schets van de (medische) problematiek en situatie van eiser en waarbij is geadviseerd eiser te plaatsen op een afdeling met minder beperkingen en met zicht op hereniging met zijn vriend. In de journaalregels (8 juli 2026) staat verder: “Volgens de crisisdienst hoort deze jongen hier niet thuis op deze locatie. Het is een hele zachtaardige jongen, aandoenlijk bijna, aldus de crisisdienst”. Op 8 juli 2026 zijn vervolgens de bestreden besluiten genomen.

Gelet op deze gang van zaken en de bevindingen van de crisisdienst is de rechtbank van oordeel dat het GZA-advies van 17 april 2026 niet zonder nader onderzoek aan de besluiten van 8 juli 2026 ten grondslag kon worden gelegd. Weliswaar heeft het COa bij het adviesverzoek van 17 april 2026 een uitgebreid beeld van eisers medische situatie geschetst, maar de bevindingen van de crisisdienst van de GGZ hadden aanleiding moeten zijn om nader advies bij GZA in te winnen voordat de maatregelen werden opgelegd. Er kan in dit geval niet worden verwezen naar het maatregelenbeleid waarin staat dat de verklaring van GZA over de eerste plaatsing volstaat als iemand de HTL voortijdig verlaat en later opnieuw om opvang verzoekt, omdat in deze situatie - zoals hiervoor onder 3.2. is aangegeven - nog geen sprake was van een eerder plaatsingsbesluit.

Omdat de minister ten onrechte niet nader advies heeft ingewonnen bij GZA is de rechtbank van oordeel dat het plaatsingsbesluit van 8 juli 2026 onzorgvuldig is voorbereid. Het beroep tegen het plaatsingsbesluit is gegrond. De rechtbank zal gelet op het voorgaande het plaatsingsbesluit vernietigen en een schadevergoedingsbedrag bepalen. De rechtbank stelt echter vast dat eiser op 7 juli 2026 in de HTL is geplaatst, terwijl het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel op 8 juli 2026 zijn opgelegd. Ook is eiser van 22 april 2026 tot en met 24 april 2026 in de HTL geplaatst zonder dat er een plaatsingsbesluit of vrijheidsbeperkende maatregel waren. Eiser is dus vier dagen zonder rechtstitel in zijn vrijheid beperkt. Er wordt daarom een schadevergoeding vastgesteld voor de periode van 22 tot en met 24 april 2026 en de periode van 7 juli 2026 tot en met 23 september 2026, de datum van opheffing. Voor zover eiser een verklaring voor vrijwillig verblijf heeft ondertekend, doet dat aan het voorgaande niet af. De rechtbank wijst ten aanzien van dit punt op haar eerdere uitspraken. Op de gevolgen hiervan gaat de rechtbank hierna, onder 6.1, in.

De overige beroepsgronden laat de rechtbank gelet op het voorgaande onbesproken.

Vrijheidsbeperkende maatregel

6. Omdat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op het plaatsingsbesluit en dat beroep gegrond wordt verklaard, oordeelt de rechtbank dat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook gegrond moet worden verklaard.

Schade en proceskosten

7. De rechtbank gaat ervan uit dat een vrijheidsbeperkende maatregel evenals een vrijheidsontnemende maatregel, immateriële schade tot gevolg heeft bij degene die de maatregel dient te ondergaan. Die schade zal bij een vrijheidsbeperkende maatregel wel geringer zijn dan bij een vrijheidsontnemende maatregel. Hiervan uitgaande acht de rechtbank aannemelijk dat eiser immateriële schade heeft geleden van € 35,- per dag dat hij zonder rechtstitel vrijheidsbeperking heeft ondergaan. De rechtbank stelt vast dat eiser ten onrechte gedurende 82 dagen, namelijk van 22 tot en met 24 april 2026 en van 7 juli 2026 tot en met 23 september 2026, in zijn bewegingsvrijheid is beperkt, zodat aanleiding bestaat om de Staat der Nederlanden te veroordelen tot vergoeding aan eiser van een totaalbedrag aan schade van € 2.870,-.

De rechtbank ziet aanleiding om het COa en de minister ieder voor de helft te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van

€ 934,00 en wegingsfactor 1). De rechtbank is van oordeel dat beide beroepen als samenhangend moeten worden gezien, als bedoeld in artikel 3 van het Bpb.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van

mr. N. Wetterauw, griffier, op 15 oktober 2026, en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A. Sibma

Griffier

  • mr. N. Wetterauw

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand