RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.59976
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en
(gemachtigde: mr. G. Cambier).
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 7 oktober 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder. De gemachtigde van eiser heeft niet aan de zitting deelgenomen nu hij de rechtbank heeft laten weten verhinderd te zijn.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
1. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
2. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser voert aan dat hij heeft voldaan aan zijn vertrekplicht aangezien hij eerder aantoonbaar is vertrokken naar Roemenië, voordat hij is teruggekeerd naar Nederland. Uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij gedurende zes maanden heeft vastgezeten in de gevangenis in Roemenië en ook twee maanden heeft gewerkt in een restaurant.
4. De rechtbank overweegt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij heeft voldaan aan het verwijderingsbesluit van 4 november 2026 en daarmee zijn verblijf in Nederland zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Het enkele feit dat eiser eerder is uitgezet naar Roemenië is onvoldoende om te spreken van een daadwerkelijke en effectieve beëindiging van het verblijf in Nederland. Verweerder wijst er terecht op dat eiser niet heeft aangetoond dat hij in Roemenië een bestaan heeft opgebouwd. Voor zover eiser hiermee beoogt grond b van de maatregel te betwisten, slaagt deze grond niet.
5. De rechtbank stelt verder vast de gronden b, p en r die door verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, feitelijk juist zijn. De gronden zijn voldoende om de maatregel te kunnen dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat.
Lichter middel
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte niet heeft volstaan met een lichter middel. Volgens eiser kan hij binnen twee dagen met de Flixbus naar Roemenië vertrekken. Ook zou hij bij een vriend kunnen verblijven en kan worden volstaan met het opleggen van een meldplicht. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom deze mogelijkheden niet aan eiser zijn geboden.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom niet kan worden volstaan met de toepassing van een lichter middel. Daarbij heeft verweerder van belang kunnen achten dat uit de gronden van de maatregel een onderduikrisico volgt en dat eiser eerder geen gevolg gegeven aan een verplichting Nederland te verlaten.
Ambtshalve toets
8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 15 oktober 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.