RECHTBANK DEN HAAG
[naam 1] , eiser/verzoeker,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.21807 en NL26.21808
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 13 oktober 2026 in de zaak tussen
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. F. Kilic-Arslan),
en
(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).
Procesverloop
1. Op 4 augustus 2016 is aan eiser een inreisverbod opgelegd.
Op 11 december 2022 heeft eiser de minister verzocht het inreisverbod op te heffen en een verblijfsvergunning op grond van het Terugtrekkingsakkoord te verlenen. Met het besluit van 20 april 2023 heeft de minister de aanvraag tot opheffing afgewezen en de aanvraag tot verblijfsvergunning niet in behandeling genomen. Met de uitspraak van 8 mei 2024 is het beroep van eiser ongegrond verklaard.
Op 1 augustus 2025 heeft eiser de minister verzocht om opheffing van dit inreisverbod.
Op 2 februari 2026 heeft de minister eiser verzocht om zijn aanvraag compleet te maken en de ontbrekende stukken op te sturen. Eiser heeft op 13 februari 2026 verzocht om uitstel. Aan eiser is uitstel verleend tot 3 maart 2026. Eiser heeft vervolgens niet gereageerd.
Met het bestreden besluit van 19 maart 2026 heeft de minister de aanvraag tot
opheffing van dit inreisverbod afgewezen, omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij sinds zijn vertrek uit Nederland en de EU ten minste één ononderbroken jaar buiten Nederland en de EU heeft verbleven. Eiser heeft niet alle gegevens die nodig zijn overgelegd. Verder zijn er geen bijzondere feiten en omstandigheden op basis waarvan het inreisverbod dient te worden opgeheven. Het huwelijk van eiser is eerder aangemerkt als een schijnhuwelijk en er zijn geen omstandigheden aangevoerd of bewijsstukken overgelegd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 13 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (via een beeldverbinding), zijn partner [naam 2] , de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Na afloop van de behandeling van de zaken heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Overwegingen
2. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
3. Op aanvraag kan de minister een uitgevaardigd inreisverbod opheffen. Op grond
van artikel 6.5b, tweede lid, van het Vb kan dit als de vreemdeling aantoont dat hij sinds zijn vertrek uit de EU na het inreisverbod een ononderbroken periode van ten minste de helft van de duur van het inreisverbod buiten de EU heeft verbleven. Op grond van artikel 6.5, derde en vierde lid, van het Vb moet bij een aanvraag tot opheffing van een inreisverbod zoals dat van eiser in ieder geval het volgende worden overgelegd:
Uit het beleid van de minister in paragraaf A4/2.5.2. van de Vc volgt dat de
Minister onder andere geen gebruik maakt van zijn bevoegdheid tot opheffen op grond van artikel 6.5b, tweede lid, van het Vb als de gegevens, bedoeld in artikel 6.5.b, derde lid, van het Vb, niet zijn verstrekt.
Daarnaast kan een inreisverbod worden opgeheven als dringende individuele
omstandigheden daartoe aanleiding geven. Dit volgt eveneens uit paragraaf A4/2.5.2 van de Vc, onder verwijzing naar de paragrafen A4/3.6 en A4/3.7 van de Vc. Daarbij zal sprake moeten zijn van bijzondere feiten en omstandigheden. Dat is bijvoorbeeld het geval als uitzetting in strijd is met het recht op familie- of gezinsleven of privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.
4. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet heeft aangetoond dat hij voldoet aan de voorwaarden voor het opheffen van het inreisverbod. Eiser heeft in dit kader met de door hem overgelegde stukken niet aangetoond dat hij ten minste één jaar ononderbroken Nederland heeft verlaten. Op zitting is daarnaast naar voren gekomen dat eiser ook niet meer stukken heeft die hij kan overleggen, zodat niet valt in te zien dat de minister in het kader van de zorgvuldigheid gehouden was om stukken uit eerdere procedures te betrekken bij de beoordeling. Daarbij ligt het in de eerste plaats op de weg van eiser om relevante stukken in het kader van zijn aanvraag aan te leveren.
5. De minister heeft verder ten aanzien van de bijzondere omstandigheden dan wel de evenredigheid geen aanleiding hoeven zien om het inreisverbod alsnog op te heffen. De rechtbank stelt voorop dat in de uitspraak van 8 mei 2024 is geoordeeld dat de minister mocht uitgaan van een schijnhuwelijk. Eiser heeft geen omstandigheden of bewijsstukken overgelegd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, zodat de minister in het familie- en gezinsleven geen aanleiding tot opheffing van het inreisverbod heeft hoeven zien.
6. De rechtbank is tot slot van oordeel dat de minister niet gehouden was om eiser te horen, voordat zijn verzoek werd afgewezen. Uit artikel 7:1, eerste lid onder g, van de Awb en Bijlage 1 bij de Awb volgt dat er tegen de afwijzing van het verzoek om de opheffing van een inreisverbod geen bezwaar kan worden gemaakt en enkel rechtstreeks beroep open staat. De minister was op grond van de bepalingen in de Awb dan ook niet verplicht om eiser te horen. De rechtbank ziet, gelet op hetgeen onder 4 en 5 is overwogen, evenmin aanleiding voor het oordeel dat eiser in het kader van de zorgvuldigheid had moeten worden gehoord.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
8. Omdat er op het beroep is beslist bestaat geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
9. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde uitspraak op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.