RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.59663 en NL26.40354
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. M.A.M. Karsten),
en
(gemachtigde: mr. I. van Es)
1. Deze uitspraak gaat zowel over het aan eiser uitgevaardigde aanvullend terugkeerbesluit als over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser is het niet eens met deze besluiten. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van deze besluiten en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat beide beroepen gegrond zijn. Het aanvullend terugkeerbesluit is onvoldoende gemotiveerd. Daarnaast is de maatregel van bewaring van meet af aan onrechtmatig, omdat er geen zicht is op uitzetting naar Algerije. Eiser krijgt daarom een schadevergoeding en een vergoeding van zijn proceskosten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 24 juni 2026 heeft de minister een aanvullend terugkeerbesluit uitgevaardigd, waarmee het eerder aan eiser uitgereikte terugkeerbesluit van 9 juli 2021 wordt aangevuld. Eiser heeft hiertegen op 18 juli 2026 beroep ingesteld.
3. Met het bestreden besluit van 6 oktober 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft de beroepen op 13 oktober 2026 gevoegd op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen op de rechtbank in Groningen. Ook is er een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting in beide zaken gesloten.
Beoordeling van het aanvullend terugkeerbesluit
4. Eiser voert aan dat het aanvullend terugkeerbesluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Volgens hem heeft de minister niet inzichtelijk gemaakt waarom er concrete aanwijzingen zijn dat hij uit Marokko komt, omdat uit het IND-dossier vooral blijkt dat wordt aangenomen dat hij uit Algerije komt. Hij heeft in zijn zienswijze ook verklaard dat hij uit Algerije komt en niemand in Marokko heeft. Verder is hij volgens hem onvoldoende bevraagd over zijn mogelijke toelating tot Marokko en is er geen uitgebreider proces-verbaal opgesteld, waardoor hij de belangen die aan terugkeer naar Marokko in de weg staan niet goed naar voren heeft kunnen brengen. Ten slotte stelt eiser dat het handelen van de minister in strijd is met het Unierecht, omdat ter vaststelling van zijn identiteit talloze aanvullende terugkeerbesluiten voor verschillende landen van bestemming kunnen worden genomen, waardoor zijn rechten en belangen worden geschaad.
5. De rechtbank stelt voorop dat uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en uit de uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2021 volgt dat in een terugkeerbesluit meerdere landen van terugkeer kunnen worden genoemd als er voor de vreemdeling meerdere mogelijke landen in beeld zijn. Die situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als een vreemdeling banden heeft met verschillende derde landen, aliassen heeft gebruikt of als er concrete aanwijzingen zijn dat hij uit een ander land komt dan hij stelt.
De rechtbank stelt vast dat het op 9 juli 2021 aan eiser opgelegde terugkeerbesluit ziet op terugkeer naar Algerije. Het aanvullend terugkeerbesluit van 24 juni 2026 vult dat besluit aan. Daarin staat dat de terugkeerinspanningen van de Nederlandse overheid zich zullen richten op het door eiser opgegeven land ten aanzien waarvan concrete aanwijzingen bestaan dat hij daar mogelijk vandaan komt, namelijk Marokko. In het besluit is overwogen dat dit is gebaseerd op berichtgeving van de DT&V, waaruit zou blijken dat eiser mogelijk uit Marokko zou kunnen komen.
De rechtbank is van oordeel dat de minister met deze enkele vermelding onvoldoende concreet heeft gemaakt waarom er aanwijzingen zijn dat eiser uit Marokko komt. Uit het besluit blijkt niet welke informatie de DT&V heeft doorgegeven. Evenmin bevindt zich in het dossier een document van de DT&V waaruit deze aanwijzingen blijken. Ook volgt uit het dossier niet dat eiser aliassen heeft gebruikt of banden heeft met Marokko. Dit betekent dat sprake is van een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek. De beroepsgrond slaagt en het beroep is gegrond.
De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Op de zitting heeft de minister aangegeven dat het niet gaat om informatie afkomstig van DT&V, maar om informatie van het afdelingshoofd van de DJI. De minister heeft deze (interne) berichtgeving op de zitting voorgelezen. Daaruit zou volgen dat eiser elke avond een Marokkaans telefoonnummer belt, alleen Marokkaans-Arabisch spreekt en uitsluitend omgaat met Marokkaanse gedetineerden. De minister heeft deze berichtgeving niet in het dossier gebracht en niet in het besluit opgenomen. Het voorlezen van de berichtgeving op de zitting is onvoldoende om het ontbreken van een deugdelijke motivering in het besluit te herstellen. Het is voor de rechtbank en eiser namelijk niet na te gaan wat de concrete onderbouwing is voor de informatie die is opgenomen in de interne berichtgeving afkomstig van DJI. De rechtbank concludeert dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat er concrete aanwijzingen zijn dat eiser uit Marokko komt en dat hij kan terugkeren naar Marokko.
6. Dit betekent dat de rechtbank het aanvullend terugkeerbesluit van 24 juni 2026 vernietigt.
Beoordeling van de maatregel van bewaring
Toetsingskader
7. De minister kan, als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in bewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in bewaring voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. De bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring. De vreemdeling kan in bewaring worden gesteld omdat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
8. De minister heeft aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;e. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;g. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Vw dan wel toepassing is gegeven aan artikel 67a van de Wet, of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van die wet;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;t. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
De minister heeft op de zitting de gronden e en t laten vallen.
Voortraject
9. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Inspanningsverplichting
10. Eiser voert aan dat tijdens de strafrechtelijke detentie van eiser onvoldoende voortvarend is gehandeld. Zo is de lp-aanvraag van eiser al een jaar geleden afgewezen en heeft eiser aangeboden om in gesprek te gaan met de Algerijnse vertegenwoordiging om toe te lichten waar hij vandaan komt. Daar is niets mee gedaan. De rechtbank begrijpt dat eiser hiermee een beroep doet op schending van de inspanningsverplichting van de minister tijdens de detentieperiode.
10. Uit het dossier blijkt dat eiser direct voorafgaand aan het opleggen van de bestreden maatregel in strafrechtelijke detentie zat. Eiser zat van 25 juni 2023 tot en met 6 oktober 2026 in detentie.
Uit recente rechtspraak van de Afdeling volgt dat de datum van het strafrechtelijke vonnis geldt als startmoment waarop de minister via de ketenpartners in de migratieketen bekend is, of bekend geacht wordt te zijn, met de einddatum van een strafrechtelijke detentie. Met betrekking tot een strafrechtelijke detentie van meer dan 30 dagen heeft de Afdeling overwogen dat het overdrachtsdossier uiterlijk dertig dagen vóór de einddatum van de strafrechtelijke detentie bij DT&V moet zijn. Uiterlijk op de zevende werkdag na de dag waarop DT&V het overdrachtsdossier heeft ontvangen, moet de minister een eerste voorbereidingshandeling verrichten. Daarbij moet de minister steeds rekening houden met de relevante feiten en omstandigheden van het geval.
De rechtbank overweegt dat de minister in het geval van eiser eerder dan dertig dagen voor het einde van zijn strafrechtelijke detentie (op 6 oktober 2026) is begonnen met het voorbereiden van de uitzetting. Op 11 maart 2026 en op 1 juli 2026 zijn namelijk al vertrekgesprekken gevoerd met eiser. In mei 2026 heeft AVIM gemaild over een terugkeerbesluit voor Marokko. Op 24 juni 2026 is daarna een terugkeerbesluit voor Marokko opgelegd. Daarna is op 7 juli 2026 de laissez passer-aanvraag ingediend bij de Marokkaanse autoriteiten. Vervolgens is hierop maandelijks gerappelleerd, voor het laatst op 30 september 2026. Ook is op 11 september 2026 nog een vertrekgesprek met eiser gevoerd. De minister is dus op tijd begonnen met het treffen van voorbereidingshandelingen voor de uitzetting en heeft ook daarna voldoende voorbereidingshandelingen verricht. Er is daarom geen sprake van een schending van de inspanningsverplichting om te voorkomen dat eiser na zijn strafrechtelijke detentie in bewaring zou worden gesteld.
Grondslag
12. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, omdat aan eiser op 9 juli 2021 een terugkeerbesluit en een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar is opgelegd. Die beslissingen staan in rechte vast. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
13. De rechtbank is van oordeel dat de gronden a, b, g, h, r en s terecht aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Voor de gronden a, b, g en h is voldoende dat zij feitelijk juist zijn. Het is feitelijk juist dat eiser Nederland niet op voorgeschreven wijze is binnengekomen (a). Eiser beschikt niet over een paspoort, geldig visum of verblijfsvergunning en heeft bovendien verklaard dat hij hier nooit over heeft beschikt. De minister heeft hieraan terecht de conclusie verbonden dat eiser niet op voorgeschreven wijze is binnengekomen. Ook is feitelijk juist dat aan eiser op 9 juli 2021 een terugkeerbesluit is opgelegd en dat hij niet heeft voldaan aan zijn vertrekplicht binnen de gestelde vertrektermijn (b). Daarnaast is feitelijk juist dat aan hem een zwaar inreisverbod is opgelegd op grond van artikel 66a, zevende lid, onder c, van de Vw (g). Verder is feitelijk juist dat eiser zowel tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling als op de zitting heeft benadrukt dat hij eerst naar Spanje zal gaan om zijn zoontje te zien en dat hij vanuit daar samen met een vriend zijn terugkeer naar Algerije wil regelen. Hieruit heeft de minister mogen afleiden dat eiser geen gevolg zal geven aan zijn vertrekplicht naar Algerije (h).
Tot slot zijn ook de gronden r en s terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd. Eiser staat niet ingeschreven in de BRP en heeft ook anderszins niet aangetoond dat hij beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats. Ook heeft hij tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard dat hij over € 50,- beschikt. Dat eiser tijdens de zitting aangeeft dat hij over € 250,- beschikt, acht de rechtbank nog steeds onvoldoende om zijn verblijf in Nederland en zijn reis naar het land van herkomst te bekostigen. De minister heeft het risico op onderduiken ook voldoende gemotiveerd.
14. De rechtbank concludeert dat alle gronden aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd en dat deze, in samenhang gezien, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te dragen. Er bestaat voldoende grond voor het standpunt van de minister dat er een onderduikrisico bestaat en dat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Lichter middel
15. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven. Dat eiser stelt bereid te zijn mee te werken aan zijn terugkeer, is hiervoor onvoldoende. Zoals hiervoor onder 13. is overwogen, heeft eiser meermaals aangegeven eerst naar Spanje te willen gaan.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister de medische omstandigheden van eiser voldoende heeft betrokken bij de oplegging van de maatregel. De minister heeft eiser gewezen op de beschikbare medische faciliteiten en voorzieningen binnen het detentie- en uitzetcentrum. In dit verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen deze centra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Overigens is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Voortvarend handelen
16. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De minister heeft op de zevende dag van de inbewaringstelling, namelijk op 12 oktober 2026, een vertrekgesprek met eiser gevoerd. De rechtbank vindt dit voldoende voortvarend.
Zicht op uitzetting
17. De rechtbank stelt vast dat de minister op de zitting zich op het standpunt heeft gesteld dat de maatregel alleen is gebaseerd op het terugkeerbesluit van 9 juli 2021. De bewaring van eiser met het oog op terugkeer kan daarom alleen worden gebaseerd op het terugkeerbesluit van 9 juli 2021, en dus op de mogelijkheid van terugkeer naar Algerije. Dit is ook, na de vernietiging van het aanvullend terugkeerbesluit van 24 juni 2026 onder 6., het enige terugkeerbesluit dat van kracht is. De rechtbank beoordeelt hierna of daar nog zicht op is.
De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije in het algemeen niet ontbreekt, maar dat dit zicht in het geval van eiser niet meer bestaat binnen een redelijke termijn. Hierbij betrekt de rechtbank de door de gemachtigde van de minister gegeven uitleg op de zitting over het verloop van de in 2022 ingediende lp-aanvraag bij de Algerijnse vertegenwoordiging. Op deze lp-aanvraag is maandelijks gerappelleerd. Vervolgens heeft de Algerijnse vertegenwoordiging op 27 oktober 2025 laten weten dat eiser, op basis van zijn vingerafdrukken, niet in de systemen is aangetroffen en dat zij eisers nationaliteit niet kunnen bevestigen. Omdat eiser nog steeds stelt dat hij de Algerijnse nationaliteit bezit, heeft de minister na dit bericht de DIA opnieuw gevraagd of zij nog iets kan doen en of eiser mogelijk opnieuw kan worden gepresenteerd bij de Algerijnse ambassade. De DIA heeft op dat moment aangegeven dat zij zonder nieuwe informatie, bijvoorbeeld identificerende documenten, niets kan doen. De lp-aanvraag is, zo begrijpt de rechtbank, vervolgens afgesloten. Op dit moment loopt geen nieuwe lp-aanvraag voor Algerije en de gemachtigde van de minister heeft op zitting bevestigd dat het zwaartepunt voor terugkeerinspanningen ligt bij Marokko. De rechtbank overweegt dat uit voorgaande niet volgt dat er een reële kans is dat de terugkeer naar Algerije binnen een redelijke termijn kan worden gerealiseerd. Dat de gemachtigde van de minister er op de zitting op heeft gewezen dat met eiser in het vertrekgesprek van 12 oktober 2026 is besproken dat de regievoerder opnieuw contact zal opnemen met DIA, maakt dit niet anders. Onduidelijk is of en wanneer een gesprek met de Algerijnse consul zou kunnen plaatsvinden. Bovendien heeft de gemachtigde van de minister op de zitting aangegeven dat afhangende van wat uit dat gesprek komt al dan niet een lp-aanvraag voor Algerije wordt ingediend. Dit vindt de rechtbank onvoldoende concreet. De beroepsgrond slaagt.
18. Het beroep tegen de maatregel van bewaring is gegrond, omdat er in het geval van eiser geen zicht op uitzetting naar Algerije is binnen een redelijke termijn. Omdat dit zicht er ook al vanaf het moment van het opleggen van de maatregel niet was, is de maatregel van meet af aan onrechtmatig.
Conclusie en gevolgen
19. Beide beroepen zijn gegrond. Het aanvullende terugkeerbesluit wordt vernietigd en de maatregel van bewaring is vanaf aanvang onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag, 15 oktober 2026.
20. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen, omdat eiser onrechtmatig in bewaring heeft gezeten. Deze schadevergoeding bedraagt € 1.280,- (2 dagen verblijf politiecel x € 160,- en 8 dagen in een detentiecentrum x € 120,-).
21. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,-. De rechtbank rekent 1 punt voor de kennisgeving, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen het aanvullend terugkeerbesluit en 1 punt voor het verschijnen op de zitting. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Strating, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin wordt uitgelegd waarom die partij het niet eens is met deze uitspraak. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het aanvullend terugkeerbesluit, moet het hogerberoepschrift worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de maatregel van bewaring en het verzoek om schadevergoeding, moet het hogerberoepschrift worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.