ECLI:NL:RBDHA:2026:30454

ECLI:NL:RBDHA:2026:30454

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 16-10-2026
Datum publicatie 16-10-2026
Zaaknummer 09/037230-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Veroordeling van een destijds 20-jarige man tot acht maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk, voor een diefstal met geweld, waarbij een telefoon is weggenomen van een hoogbejaarde man van 97 jaar oud. In de avond is de verdachte met een babbeltruc aan de deur gekomen bij het slachtoffer, die hem binnen heeft gelaten. De verdachte was met zijn medeverdachten van plan kostbaarheden uit de kluis van het slachtoffer weg te nemen. Deze kwetsbare man is door de verdachten kennelijk doelbewust als gemakkelijke prooi uitgekozen. Dit is een buitengewoon ernstig feit, dat de rechtbank de verdachte zwaar aanrekent. Dergelijke feiten veroorzaken niet alleen gevoelens van verontwaardiging in de maatschappij, maar ook gevoelens van angst en onveiligheid bij op zichzelf wonende ouderen. Deze gebeurtenissen zijn voor het slachtoffer buitengewoon beangstigend geweest. Het feit heeft in de woning van het slachtoffer plaatsgevonden, in de avond, toen het donker was. Door het handelen van de verdachte en zijn mededaders is het gevoel van veiligheid van het slachtoffer in zijn woning, waar hij zich veilig zou moeten kunnen voelen, ernstig geschaad. Uit de toelichting bij zijn vordering benadeelde partij en uit zijn schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat het feit een grote mentale impact heeft gehad op het slachtoffer, waar hij tot op de dag van vandaag de mentale gevolgen van ondervindt. De rechtbank legt een hogere straf op dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de gevolgen voor het slachtoffer en de overige hiervoor benoemde omstandigheden waarmee de rechtbank rekening heeft gehouden onvoldoende tot uitdrukking komen in de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de tijd in voorarrest doorgebracht, alsmede een taakstraf. De rechtbank acht een taakstraf in dit geval niet op zijn plaats. De rechtbank heeft de verdachte tevens veroordeeld tot het betalen van de gevorderde schadevergoeding van € 2.250,-- aan het slachtoffer.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/037230-26

Datum uitspraak: 16 oktober 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2005 te [geboorteplaats],

BRP-adres: [adres 1].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 15 mei 2026 (pro forma) en 2 oktober 2026 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. R.A. Kamphuis en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. R.J.H. Titahena naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 2 februari 2026 te Alphen aan den Rijn,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een Samsung telefoon en/of een vaste telefoon, in elk geval enig goed, dat/die

geheel of ten dele aan [aangever], in elk geval aan een ander dan aan verdachte

en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om

het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen [aangever], gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op

heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:

- de telefoon met kracht uit de handen van [aangever] te rukken, en/of

- [aangever] bij zijn vest vast te pakken en mee te trekken, en/of

- [aangever] de kast in te duwen, en/of

- een prop in de mond van [aangever] te stoppen;

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde en heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake was van een voltooide diefstal met geweld in vereniging.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft – op gronden zoals verwoord in zijn pleitnota – namens de verdachte integrale vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.

Primair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van medeplegen van de diefstal van telefoons omdat niet kan worden gesproken van een gezamenlijke uitvoering ten aanzien van de diefstal van de telefoons en evenmin van (voorwaardelijk) opzet op een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van de diefstal van de telefoons.

De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de geweldscomponent omdat geen sprake was van (voorwaardelijk) opzet op enig geweld.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026037799 van het onderzoek EEUW26 / DH7R026014, van de politie eenheid Den Haag, districtsrecherche Alphen aan den Rijn - Gouda, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 94).

1. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever], opgemaakt op 2 februari 2026, voor zover inhoudende (p. 5 - 6):

Plaats delict: [adres 2] te Alphen aan den Rijn. Op 2 februari 2026 omstreeks 19.30 uur hoorde ik de voordeur gaan. Ik deed open. Ik zag een man. Ik hoorde dat de man zei ik ben van de politie en hij vertelde dat er zojuist 2 personen zijn aangehouden en dat ze nog op zoek waren naar 2 andere verdachten. Ik dacht dat hij echt van de politie was en heb hem mijn woning binnengelaten. Hij vertelde dat de politie druk met het incident bezig was en dat zij mijn zoon al hadden gesproken en dat hij onderweg was. Het viel mij op dat de man de hele tijd aan het bellen was, en dat hij constant alles maar aan het herhalen was wat ik vertelde. Ik hoorde dat de man mij vroeg waar de kluis was. Ik heb de kluis open gemaakt met mijn code. Daarna heb ik de kluis dicht gegooid en gezegd dat hij pas weer open gaat als mijn zoon er zou zijn. Ik zag dat er opeens een andere man in mijn woonkamer stond. Het was een dikke man met een kale kop. Ik pakte mijn telefoon om mijn zoon te bellen. Op dat moment zag ik dat de dikke man mijn telefoon met kracht uit mijn handen rukte. Ik zei nogmaals dat ik de kluis niet ging openen en begon om hulp te schreeuwen. Toen ik nog harder ging schreeuwen, zijn ze weggerend en hebben mijn woning verlaten. Ik denk dat het rond 20.30 uur was dat de mannen zijn vertrokken. Wel hebben ze mijn Samsung telefoon meegenomen.

2. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 2 oktober 2026, voor zover inhoudende:

Op 2 februari 2026 ben ik met twee andere jongens vanuit Amsterdam naar Alphen aan den Rijn gereden in een auto die ik had gehuurd. Ik wist dat het niet goed was wat we daar gingen doen. Ik deed een geel hesje aan omdat zij zeiden dat ik dat moest doen. Er was een kluis in die woning en daarom moest ik daar naar binnen gaan. Zij zeiden: ga naar binnen. Ik stond voor de deur en meneer [aangever] deed de deur open. Zij zaten in de auto. Ik ging daar naar binnen en de bedoeling was dat er iets waardevols uit de kluis zou worden gehaald. Ik wist wel dat ik daar was om waardevolle goederen mee te nemen en dat ik alleen naar binnen zou gaan. Toen ik boven in de woning was, waren die twee andere jongens in de auto. Eén van hen was aan de lijn met mij, en de ander met die meneer. Hij heeft tegen die meneer gezegd dat zijn zoon gebeld zou zijn en onderweg zou zijn. Degene die in de auto zat was de hele tijd op mij in aan het praten. In de woning heb ik die meneer naar zijn kluis gevraagd toen ik aan het bellen was. Ik had iets uit de kluis kunnen halen, maar deed het niet. Die andere twee jongens draaiden helemaal door. Ik was in shock. Ze zeiden maar: haal het eruit. Ze waren agressief en hard aan het schreeuwen. Eén van hen kwam naar boven. Er klopte iemand op de deur, ik wilde niet opendoen, maar hij schreeuwde: maak die fucking deur open. Dat heb ik gedaan, en toen kwam hij binnen. Die meneer pakte zijn telefoon en wilde zijn zoon bellen. Degene die binnen was gekomen wilde de telefoon uit zijn hand trekken, maar dat lukte eerst niet. Toen kreeg die gozer opeens een crash out en zei tegen die meneer: we gaan naar de kluis. Meneer zei: nee, ik wil mijn zoon spreken. Die jongen trok de telefoon uit de hand van meneer [aangever] en stopte deze in zijn zak.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met anderen op 2 februari 2026 te Alphen aan den Rijn door toedoen van geweld een telefoon heeft gestolen van [aangever]. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Op grond van de aangifte en de bekennende verklaring van de verdachte kan reeds worden vastgesteld dat de verdachte betrokken is geweest bij de diefstal in de woning van [aangever]. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte door het gebruik van een babbeltruc is binnengelaten door [aangever]. De verdachte heeft later een medeverdachte binnengelaten, die een telefoon heeft weggenomen.

Hierbij heeft de medeverdachte de telefoon met kracht uit de handen van [aangever] gerukt,

waarmee kan worden gesproken van geweld zoals bedoeld in artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte heeft de telefoon niet zelf uit de handen van [aangever] gerukt, maar is wel bij [aangever] naar binnen gegaan met het oogmerk om waardevolle spullen uit de kluis te stelen. Bij het plegen van een dergelijk feit is het goed mogelijk dat het slachtoffer enige weerstand zal bieden en geweld gebruikt gaat worden. Ook heeft de verdachte de medeverdachte binnengelaten die op dat moment in opgefokte toestand verkeerde, waar de verdachte van op de hoogte was, doordat hij deze medeverdachte aan de telefoon had en de medeverdachte voor de voordeur aan het schreeuwen was. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de verdachte minst genomen voorwaardelijk opzet had, nu hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat bij deze diefstal geweld zou worden gebruikt. Artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht verhoogt immers de strafbaarheid van deelnemers aan een diefstal met geweldpleging, ook als deze niet zelf een geweldshandeling hebben verricht. Wel moet dan, zoals in de onderhavige zaak, blijken van (voorwaardelijk) opzet van de deelnemers op het geweld.

De rechtbank acht het medeplegen bewezen, nu uit het bovenstaande volgt dat sprake was van een gezamenlijke uitvoering van het tenlastegelegde.

De rechtbank gaat hiermee voorbij aan het verweer van de raadsman dat er in deze zaak geen sprake was van een gezamenlijke uitvoering ten aanzien van de diefstal van de telefoon(s) en evenmin van (voorwaardelijk) opzet op een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van de telefoon(s).

Bij het vaststellen van een nauwe en bewuste samenwerking ligt het accent minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht, maar is vooral van belang of de intellectuele en materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Voor de bewezenverklaring van medeplegen is echter niet vereist dat het gewicht van de bijdrage van de verdachte gelijkwaardig is aan dat van zijn mededaders.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de verdachte samen met anderen een plan heeft gemaakt om de inhoud van de kluis van een hoogbejaarde man te stelen. De verdachte heeft hiervoor een auto gehuurd en betaald en is met de medeverdachten vanuit Amsterdam naar de woning van het slachtoffer in Alphen aan den Rijn gereden. Daar heeft de verdachte een geel hesje aangetrokken en is als eerste de woning binnen gegaan, waarna hij een medeverdachte heeft binnengelaten. Het plan was om kostbaarheden uit de kluis weg te nemen. Als je met anderen een dergelijk plan maakt, met de bedoeling dat niemand van dit plan op de hoogte zal raken, dus ook niet de zoon van het slachtoffer of de politie, dan aanvaard je bewust de aanmerkelijke kans dat er iets van waarde wordt gestolen, zoals in dit geval een telefoon. Er is dus sprake van voorwaardelijk opzet op het wegnemen van de telefoon.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat bewezen kan worden verklaard dat de verdachte schuldig is aan het in vereniging plegen van diefstal met geweld.

Geweldshandelingen

De raadsman heeft aangevoerd dat niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte enige geweldshandeling heeft verricht.

De rechtbank stelt vast dat in de tenlastelegging vier gedachtestreepjes zijn opgenomen met geweldshandelingen. Zoals hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de in het eerste gedachtestreepje opgenomen geweldshandeling - ‘de telefoon met kracht uit de handen van [aangever] te rukken’ - bewezen kan worden verklaard.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting zijn ook andere geweldshandelingen met de verdachte besproken en door hem bekend, in die zin dat een medeverdachte deze handelingen heeft gepleegd. Deze handelingen zijn als tweede en derde gedachtestreepje ten laste gelegd, namelijk - ‘[aangever] bij zijn vest vast te pakken en mee te trekken’ en ‘[aangever] de kast in te duwen’. Het onderdeel waarop deze handelingen betrekking hebben is het zwaartepunt van de gebeurtenissen die avond, te weten een poging tot diefstal met geweld van kostbaarheden uit de kluis. Dit is echter niet in de tenlastelegging opgenomen.

De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging hiermee geen recht doet aan de ernst en de aard van het plan en de gepleegde feiten. Omdat de hierboven genoemde geweldshandelingen niet zien op de tenlastegelegde diefstal van de telefoon, verklaart de rechtbank deze handelingen niet bewezen.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij op 2 februari 2026 te Alphen aan den Rijn, tezamen en in vereniging met anderen, een Samsung telefoon die aan [aangever] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld tegen [aangever], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door:

- de telefoon met kracht uit de handen van [aangever] te rukken.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het volwassenenstrafrecht dient te worden toegepast.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 134 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en bijzondere voorwaarden als geadviseerd door de reclassering - met uitzondering van het contactverbod met de onbekend gebleven medeverdachten -, alsmede een taakstraf van 150 uren subsidiair twee maanden hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht het jeugdstrafrecht toe te passen en geen langere onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen dan de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld, waarbij een telefoon is weggenomen van een hoogbejaarde man van 97 jaar oud. In de avond is de verdachte met een babbeltruc aan de deur gekomen bij het slachtoffer, die hem binnen heeft gelaten. De verdachte was met zijn medeverdachten van plan kostbaarheden uit de kluis van het slachtoffer weg te nemen. Deze kwetsbare man is door de verdachten kennelijk doelbewust als gemakkelijke prooi uitgekozen.

Dit is een buitengewoon ernstig feit, dat de rechtbank de verdachte zwaar aanrekent. Dergelijke feiten veroorzaken niet alleen gevoelens van verontwaardiging in de maatschappij, maar ook gevoelens van angst en onveiligheid bij op zichzelf wonende ouderen.

Deze gebeurtenissen zijn voor het slachtoffer buitengewoon beangstigend geweest. Het feit heeft in de woning van het slachtoffer plaatsgevonden, in de avond, toen het donker was. Door het handelen van de verdachte en zijn mededaders is het gevoel van veiligheid van het slachtoffer in zijn woning, waar hij zich veilig zou moeten kunnen voelen, ernstig geschaad.

Uit de toelichting bij zijn vordering benadeelde partij en uit zijn schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat het feit een grote mentale impact heeft gehad op het slachtoffer, waar hij tot op de dag van vandaag de mentale gevolgen van ondervindt.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 11 juni 2026, waaruit blijkt dat hij is gedagvaard voor de verdenking van een soortgelijk feit in Breda, met als pleegdatum 29 oktober 2025.

De verdachte heeft verklaard dat hij voor die verdenking korte tijd in voorarrest heeft gezeten. Volgens de verdachte is hij daar toen geweest met één van de mededaders van het onderhavige feit en is hij niet in de woning geweest, maar heeft hij in de auto gezeten.

De rechtbank acht het verontrustend dat de verdachte ruim drie maanden nadat hij in Breda is aangehouden, het onderhavige feit heeft gepleegd, samen met één van de medeverdachten van die verdenking.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 21 september 2026.

De reclassering heeft zorgen over het sociaal netwerk waarin de verdachte zich begeeft en zijn weerbaarheid hiertegen. De verdachte lijkt zich negatief te laten beïnvloeden door zijn netwerk en daardoor in de problemen te komen. Dit heeft volgens de reclassering dan ook ten grondslag gelegen aan het tenlastegelegde. De verdachte lijkt te zijn geschrokken van zijn detentieperiode en is gemotiveerd om een leven op te bouwen zonder justitiecontacten. Hij laat dit zien door praktische zaken aan te pakken en mee te werken aan de bijzondere voorwaarden. Reclasseringstoezicht in voorwaardelijk kader vindt de reclassering geïndiceerd om verder te werken aan gedragsverandering en het verminderen van het recidiverisico. De reclassering acht het noodzakelijk dat de verdachte zijn behandeling gericht op het vergroten van zijn weerbaarheid afrondt. De verdachte werkt mee aan het toezicht, staat open voor begeleiding en beschikt over beschermende factoren zoals werk, een toekomstgerichte opleiding en steun vanuit zijn netwerk.

Het risico op recidive schat de reclassering in als gemiddeld.

De reclassering adviseert, anders dan in het rapport van 4 februari 2026, het jeugdstrafrecht toe te passen. Het lopende toezicht bij de volwassenenreclassering verloopt goed en daarom kan een eventueel toezicht in een voorwaardelijk kader worden voortgezet bij Reclassering Nederland.

Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, een contactverbod met de medeverdachten en het slachtoffer in de onderhavige zaak, dagbesteding en meewerken aan aflossing van zijn schulden.

Volwassenenstrafrecht

De verdachte was ten tijde van het bewezen verklaarde feit 20 jaar oud. Uitgangspunt is dan toepassing van het volwassenenstrafrecht, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is, ook uit het reclasseringsrapport, niet gebleken. De rechtbank ziet dan ook, mede gezien bovenstaande rapporten en de geadviseerde bijzondere voorwaarden, in de persoon van de verdachte en gelet op de ernst van het feit geen aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen.

Straf

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Factoren die volgens de oriëntatiepunten tot een hogere straf leiden, zijn onder meer kwetsbare slachtoffers, een samenwerkingsverband en een professionele werkwijze.

Alles afwegend zal de rechtbank een hogere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de gevolgen voor het slachtoffer en de overige hiervoor benoemde omstandigheden waarmee de rechtbank rekening heeft gehouden onvoldoende tot uitdrukking komen in de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de tijd in voorarrest doorgebracht, alsmede een taakstraf.

De rechtbank acht een taakstraf in dit geval niet op zijn plaats.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van voorarrest, een passende en geboden reactie.

De rechtbank zal een deel van die straf, te weten twee maanden, voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden - met uitzondering van het contactverbod met de onbekend gebleven medeverdachten -, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen.

7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 2.250,--, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 250,-- aan materiële schade en € 2.000,-- aan immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om in geval van vrijspraak de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. In het geval van een veroordeling heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post materiële schade, is door of namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 2.000,--.

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 2.250,--, bestaande uit € 250,-- aan materiële schade en € 2.000,-- aan immateriële schade.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 2 februari 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.250,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf

2 februari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever].

8. Voorlopige hechtenis

De voorlopige hechtenis van de verdachte is geschorst. De ernst van het bewezenverklaarde strafbare feit, de duur van de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf en het strafblad van de verdachte waaruit blijkt dat hij van een soortgelijk strafbaar feit wordt verdacht, laten zich niet verenigen met het laten doorlopen van die schorsing. Dat betekent dat de rechtbank termen aanwezig acht om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10. De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

diefstal door twee of meer verenigde personen, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 8 (ACHT) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 2 (TWEE) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland, RN Advies & Toezichtunit 11 Noord-West, Wibautstraat 12 te Amsterdam, op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling blijft stellen van FamilySupporters of een soortgelijke zorgverlener te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorgverlener aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn psychische problematiek, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden en/of andere problematiek, waarbij gelet op de problematiek onderdeel van de behandeling kan zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;

- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen - direct of indirect - met de aangever in deze zaak, dhr. [aangever], geboren [geboortedatum 2]1928, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd zich inspant voor het vinden en behouden van een opleiding en/of betaald werk, met een vaste structuur, waarbij de dagbesteding bijdraagt aan het voorkomen van delictgedrag;

- gedurende de proeftijd meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen, waarbij de verdachte de reclassering inzicht geeft in zijn financiën en schulden;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland, RN Advies & Toezichtunit 11 Noord-West (Amsterdam) tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.

heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis;

de vordering van de benadeelde partij;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van

€ 2.250,-- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 2 februari 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever];

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van

€ 2.250,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 2 februari 2026 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever];

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 22 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Diepenhorst, voorzitter,

mr. P. van Essen, rechter,

mr. T.A.B. Mentink, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. H.A.F. Tromp, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 oktober 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M. Diepenhorst
  • mr. P. van Essen
  • mr. T.A.B. Mentink

Griffier

  • mr. H.A.F. Tromp

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand