RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.13963 (beroep) en NL26.13964 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
geboren op [geboortedag] 2000, van Algerijnse nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. N. Birrou),
en
(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).
Procesverloop
1. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 12 maart 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 8 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
De rechtbank heeft de minister na de zitting in de gelegenheid gesteld onderzoek te doen bij de opvanglocatie om na te gaan of eiser geregistreerd staat als vertrokken met onbekende bestemming (MOB). Nadat de minister de rechtbank hierover heeft bericht, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat, indien een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd en met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel vanuit dient te worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is anders als een vreemdeling na de MOB-melding nog contact onderhoudt met zijn gemachtigde.
3. De minister heeft de rechtbank op 9 oktober 2026 bericht dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De minister heeft zich daarbij gebaseerd op informatie van het COa, waaruit blijkt dat eiser per 25 maart 2026 MOB is gemeld.
4. De gemachtigde van eiser heeft voorafgaand aan de zitting al aan de rechtbank laten weten dat hij sinds maart 2026 geen contact meer heeft met eiser. Eiser is ook niet op de zitting verschenen.
5. Gelet op het vorenstaande neemt de rechtbank aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Het is de rechtbank ook niet gebleken van concrete aanknopingspunten om hiervan af te wijken. Daarom bestaat geen belang meer bij een inhoudelijke behandeling van het beroep en is het beroep niet-ontvankelijk.
6. Onder bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden als bedoeld in paragraaf 45 van het arrest Bahaddar kan de noodzaak bestaan om ter voorkoming van schending van artikel 3 van het EVRM een in het nationale recht neergelegde procedureregel niet tegen te werpen. Daarvoor is vereist dat wat een vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat de minister bij uitzetting van die vreemdeling artikel 3 van het EVRM zou schenden. Naar het oordeel van de rechtbank doen die feiten en omstandigheden zich in dit geval niet voor.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
8. Nu op het beroep is beslist bestaat er geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek wordt afgewezen.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak NL26.13963:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter, in de zaak NL26.13964:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Smayel, rechter, in aanwezigheid van mr.M.A.H. Gonera, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.