RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.42152
(gemachtigde: mr. J.W.F. Noot),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 6 augustus 2025 heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
Eiser heeft op 2 september 2025 tegen dat besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (NL25.42153).
Eiser heeft op 12 september 2025 beroepsgronden ingediend.
De voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats heeft het verzoek om een voorlopige voorziening bij uitspraak van 26 september 2025 afgewezen.
Met toestemming van partijen doet de rechtbank op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1996 en bezit de Nigeriaanse nationaliteit. Hij had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn 2001/55/EG en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822 van 4 maart 2022 (Richtlijn Tijdelijke Bescherming; RTB). Ook heeft hij, om deze tijdelijke bescherming te kunnen krijgen, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 22 augustus 2024 afgewezen als ongegrond. Bij uitspraak van 17 oktober 2024 van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, is het beroep gericht tegen deze beschikking ongegrond verklaard. Hiertegen is geen hoger beroep ingesteld.
2. Verweerder heeft aanvankelijk bij besluit van 24 augustus 2023 bepaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 september 2023 eindigt. Bij brief van 6 september 2023 heeft verweerder eiser geïnformeerd dat de gevolgen van beëindiging van de tijdelijke bescherming zijn bevroren. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft bij uitspraak van 17 januari 2024 geoordeeld dat verweerder de facultatieve bescherming niet per 4 september 2023 heeft kunnen beëindigen, en heeft bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning van rechtswege eindigt op 4 maart 2024. Bij brief van 29 januari 2024 heeft verweerder vervolgens eiser gewezen op deze beëindiging van rechtswege op 4 maart 2024 en de beschikking van 24 augustus 2023 ingetrokken.
3. Verweerder heeft op 6 augustus 2025 tegen eiser een terugkeerbesluit (het bestreden besluit) uitgevaardigd waarin is vastgesteld dat eiser met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en bepaald dat hij de lidstaten van de EU (met uitzondering van Ierland) aangevuld met Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein binnen vier weken na 4 maart 2024 moet verlaten om terug te keren naar het land waarvan hij de nationaliteit heeft (Nigeria). Voorts is aangegeven dat eiser vanwege dit terugkeerbesluit in het Schengen Informatie Systeem (SIS) wordt gesignaleerd. Bij brief van 19 februari 2025 heeft verweerder eiser geïnformeerd dat de bevriezingsmaatregel in stand blijft totdat uitspraak is gedaan in de beroepsprocedure.
Het bestreden besluit
4. Verweerder heeft aan het terugkeerbesluit ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland aangezien zijn recht op tijdelijke bescherming onder de RTB is op 4 maart 2024 geëindigd. Eiser heeft geen openstaande vreemdelingrechtelijke procedures die leiden tot rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en is evenmin in het bezit van een verblijfsvergunning. Volgens verweerder staan de artikelen 3 en 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet in de weg aan het uitvaardigen van een terugkeerbesluit. Daarnaast heeft verweerder geconcludeerd dat geen sprake is geweest van schending van de hoorplicht, nu eiser schriftelijk in de gelegenheid is gesteld om zijn standpunten naar voren te brengen. Verweerder heeft voorts overwogen dat het bestreden besluit niet in strijd met het vertrouwens- of evenredigheidsbeginsel is opgelegd.
Gronden van het beroep
5. Eiser betoogt dat het terugkeerbesluit prematuur is genomen, omdat hij nog rechtmatig verblijf heeft op grond van de RTB vanwege de bevriezingsmaatregel. Verweerder heeft verder nagelaten een actuele beoordeling van het risico op refoulement uit te voeren alvorens het terugkeerbesluit op te leggen. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder niet heeft voldaan aan de hoorplicht, nu eiser voorafgaand het opleggen van het terugkeerbesluit had moeten worden gehoord over het beginsel van non-refoulement, het belang van het kind, familie- en gezinsleven en de gezondheidstoestand van eiser. Op grond van de RTB had verweerder voorts moeten onderzoeken of er dwingende redenen van humanitaire aard zijn die terugkeer onmogelijk of onmenselijk maken, aldus eiser. Ten slotte voert eiser aan dat het terugkeerbesluit in strijd met het vertrouwensbeginsel is opgelegd.
Het oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank stelt vast dat de gronden die eiser aan het beroep ten grondslag heeft gelegd, reeds zijn beoordeeld in de verzoekschriftprocedure. De voorzieningenrechter is in de uitspraak van 26 september 2025 gemotiveerd op die gronden ingegaan. Eiser heeft niet gesteld waarom hij het niet eens is met de overwegingen van de voorzieningenrechter en heeft nadien ook geen aanvullende beroepsgronden ingediend. De rechtbank kan zich vinden in het oordeel van de voorzieningenrechter en de overwegingen waarop dat oordeel berust.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. de Gans, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Derksen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.