RECHTBANK DEN HAAG
Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] (V-nummer: [V-nummer]), eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.14567
en
Procesverloop
Eiser heeft op 27 oktober 2022 met het formulier M35H formeel een aanvraag ingediend om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000).
Op 1 februari 2024 heeft verweerder een ingebrekestelling ontvangen wegens het niet tijdig beslissen op deze aanvraag.
Eiser heeft vervolgens op 16 maart 2026 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Als gemachtigde heeft zich gesteld mr. J. Sinnema, advocaat te Heerenveen.
Verweerder heeft op 2 juni 2026 een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. De rechtbank ziet in deze procedure aanleiding om met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) uitspraak te doen. Zij overweegt hiertoe als volgt.
2. Zoals volgt uit het procesverloop, is de aanvraag ingediend vóór 12 juni 2026. Dat heeft tot gevolg dat de procedurele voorschriften uit de Vw 2000 die in deze uitspraak worden aangehaald, zoals die luidde vóór de inwerkingtreding van de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026, en de Procedurerichtlijn in dit geval van toepassing zijn.
3. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.
In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat het beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
In artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover hier van belang, is bepaald dat op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking wordt gegeven.
In artikel 42, vierde lid, van de Vw 2000 is bepaald dat de termijn, bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste negen maanden kan worden verlengd, indien:
a. complexe feitelijke of juridische kwesties aan de orde zijn;
b. een groot aantal vreemdelingen tegelijk een aanvraag indient waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden; of
c. de vertraging van de behandeling van de aanvraag aan de vreemdeling is toe te schrijven.
In artikel 43a, eerste lid, van de Vw 2000, is bepaald dat, onverminderd artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht, de termijnen als bedoeld in artikel 35 van de Procedureverordening voor het geven van een beschikking op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 ten aanzien van vreemdelingen die tijdelijke bescherming genieten, worden verlengd met de duur van de tijdelijke bescherming.
4. Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat eiser onder de Richtlijn tijdelijke bescherming valt. De tijdelijke bescherming is nog niet beëindigd. Gelet op het bepaalde in artikel 43a van de Vw 2000 is de beslistermijn daarom nog niet aangevangen. De ingebrekestelling is dan ook prematuur ingediend, zodat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
5. De rechtbank deelt het standpunt van verweerder niet. Zoals volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 1 oktober 2026, verzet artikel 31 van de Procedurerichtlijn zich ertegen dat de behandeling van verzoeken om internationale bescherming die zijn ingediend door begunstigden van tijdelijke bescherming automatisch wordt opgeschort gedurende de periode van tijdelijke bescherming, zodat de beslistermijn voor deze verzoeken pas na afloop van die periode aanvangt of doorloopt. De rechtbank is daarom van oordeel dat artikel 43a, eerste lid, van de Vw 2000 in zoverre onverbindend moet worden geacht. Hoewel het de bevoegde autoriteiten vrij staat om de behandeling van sommige van deze verzoeken om internationale bescherming tijdelijk uit te stellen met toepassing van artikel 42, vierde lid, of artikel 43, van de Vw 2000, is de rechtbank niet gebleken dat dit is gebeurd en dat dit tot gevolg zou hebben dat het beroep in dit geval niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard. De omstandigheid dat eiser valt onder de Richtlijn tijdelijke bescherming laat in dit geval dus onverlet dat de beslistermijn is begonnen op het moment als bepaald in artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000 en in beginsel zes maanden bedraagt.
6. Verweerder heeft sinds 27 september 2022 herhaaldelijk gebruik gemaakt van de bevoegdheid om in asielzaken de beslistermijn met negen maanden te verlengen. Dit is gebeurd met opeenvolgende besluiten tot wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000. Het in deze zaak toepasselijke verlengingsbesluit is echter onverbindend. Dit betekent dat verweerder in dit geval binnen zes maanden een beslissing op de aanvraag van eiser moest nemen.
7. Uit het voorgaande volgt dat de beslistermijn liep tot en met 27 april 2023. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet binnen die termijn op de aanvraag heeft beslist. Omdat hij dit heeft nagelaten, een geldige ingebrekestelling heeft ontvangen en sindsdien (meer dan) twee weken zijn verstreken voordat beroep is ingesteld, is het beroep ontvankelijk. Nu niet gebleken is dat verweerder inmiddels op de aanvraag heeft beslist en niet geoordeeld kan worden dat het beroep onredelijk laat is ingediend, is dit beroep gegrond en moet het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag worden vernietigd.
8. De rechtbank zal verder een termijn stellen waarbinnen verweerder het besluit op de aanvraag moet nemen en bekendmaken. Met de inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact is de voornemenprocedure komen te vervallen. Dat betekent dat verweerder sneller tot besluitvorming kan overgaan. De rechtbank ziet daarom aanleiding om kortere termijnen te stellen dan voorheen. Zij hanteert thans in asielzaken in beginsel de volgende termijnen. Als de vreemdeling nog niet is gehoord over de reden voor zijn aanvraag: een termijn van acht weken om hem alsnog te horen en daarna een termijn van vier weken om te beslissen, waarbij verweerder in ieder geval binnen twaalf weken moet beslissen. Als de vreemdeling wel al is gehoord: een termijn van vier weken om alsnog te beslissen. Als de bovengrens van 21 maanden, genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn, (bijna) is overschreden stelt de rechtbank de nadere termijn zodanig dat deze in redelijkheid niet onnodig lang en ook niet onrealistisch kort is.
9. Uit de stukken is niet gebleken dat eiser al nader is gehoord. Daarnaast is vanaf de datum van de asielaanvraag (27 oktober 2022) de bovengrens van 21 maanden inmiddels zeer ruim overschreden. De rechtbank zal daarom in dit geval verweerder opdragen om binnen zes weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak het besluit op de aanvraag te nemen en bekend te maken.
10. De rechtbank zal verder bepalen dat verweerder een dwangsom verbeurt voor elke dag dat hij in gebreke blijft deze uitspraak na te leven, waarbij zij in dit geval de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht (LOVB) op 21 mei 2026 vastgestelde aanbeveling over de rechterlijke dwangsom bij beroep niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken zal volgen. Zij zal de hoogte van deze dwangsom daarom vaststellen op € 50,- voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
11. De rechtbank acht ten slotte termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten wegens verleende rechtsbijstand worden ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 467,- waarbij voor de in aanmerking te brengen proceshandelingen van de gemachtigde van eiser één punt met een waarde van € 934,- wordt toegekend (voor het indienen van het beroepschrift). Het gewicht van de zaak is bepaald op licht (wegingsfactor 0,5) omdat het hierbij alleen gaat om het niet tijdig nemen van een besluit en de zaak van eenvoudige aard is. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op om binnen zes weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak het besluit op de aanvraag te nemen en op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,‑;
- veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, begroot op € 467,- (wegens kosten van rechtsbijstand), te vergoeden aan eiser.
Aldus vastgesteld door mr. R.M.M. Kleijkers, rechter, in aanwezigheid van
mr. B.A.E.I. van Hooff, griffier.
De uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: 16 oktober 2026.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan door een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de dag van bekendmaking verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.