RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.21325
V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. C.J. Ullersma),
en
(gemachtigde: mr. K.E. Heins).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [naam familielid/gezinslid] ’. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel is genomen. Verweerder heeft in dit specifieke geval namelijk niet kunnen aannemen dat het in het belang van eiseres is om bij haar moeder in Jordanië te verblijven in plaats van bij haar grootouders in Nederland. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat eiseres alsnog een verblijfsvergunning krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 4 en 5 staan de geschilpunten tussen partijen. Onder 6 staat het juridisch kader. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 7. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
Procedure
2. Op 5 maart 2019 heeft [naam familielid/gezinslid] , de oom van eiseres (referent) een aanvraag ingediend voor de verlening van een mvv voor zijn minderjarige nichtje, [eiseres] (eiseres) op grond van artikel 8 van het EVRM. Met de aanvraag wordt verblijf bij de ouders van [naam familielid/gezinslid] , [naam 1] en [naam 2] beoogd (en dat zijn dus de grootouders van eiseres) die, zo stellen zij, eiseres als pleegkind hebben verzorgd.
Op 17 november 2019 is de biologische moeder van eiseres, [naam moeder] , gehoord op de Nederlandse ambassade in Jordanië. Verweerder heeft hierna, op 12 december 2019, de aanvraag afgewezen. Tegen dit besluit is op 2 januari 2020 bezwaar gemaakt. In de bezwaarfase is vervolgens op 16 augustus 2022 de oma van eiseres gehoord. Op 27 juni 2023 heeft verweerder beslist op het bezwaar en is hij bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Op 24 juli 2023 is er beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De zaak stond op 25 oktober 2024 op zitting gepland, maar verweerder heeft op 23 oktober 2024 om aanhouding verzocht zodat hij een aanvullend besluit kon nemen en eiseres kon horen. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen.
Op 13 januari 2025 is eiseres gehoord op de Nederlandse ambassade in Jordanië. Er is ook nog een aanvullend gehoor gehouden met de moeder van eiseres, op 11 februari 2025. Verweerder heeft op 23 april 2025 een aanvullend besluit genomen. Zij blijven bij de afwijzing van de aanvraag.
Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het ingestelde beroep van rechtswege betrekking op het aanvullende besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 16 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben referent, de grootouders van eiseres, de gemachtigde van eiseres, [naam tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Wat is de achtergrond van de zaak?
3. Eiseres heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2009. Ten tijde van de aanvraag was ze 10 jaar oud. De zaak heeft een lange aanloop gehad. De rechtbank zal daarom eerst het feitencomplex schetsen dat voor de beoordeling van belang is. Op de zitting is dit feitencomplex uitgebreid besproken. Dit is mede omdat verweerder in de besluiten van 12 december 2019, 27 juni 2023 en 23 april 2025 standpunten heeft ingenomen die (deels) van elkaar verschillen. In het primaire besluit van 12 december 2019 stelt verweerder zich op het standpunt dat er ‘hechte en persoonlijke banden’ tussen eiseres en haar grootouders bestaan en dat er gezinsleven tussen hen bestaat, maar dat de belangenafweging in het nadeel van eiseres uitvalt. Verweerder weegt daarbij zwaar mee dat de moeder van eiseres een grote rol speelt in het leven van eiseres, ondanks dat ze niet meer samenwonen. Het is volgens verweerder in het belang van eiseres dat ze haar moeder blijft zien. In de beslissing op bezwaar van 27 juni 2023 benoemt verweerder daarbij nog specifiek dat eiseres en haar moeder elkaar buitenshuis kunnen ontmoeten als de echtgenoot van haar moeder eiseres niet wil zien, en haar oom eiseres verder kan blijven verzorgen. In het aanvullend besluit van 23 april 2025 neemt verweerder juist het standpunt in dat de moeder van eiseres de primaire verzorgster is van eiseres. Zij heeft volgens verweerder de primaire verantwoordelijkheid voor de zorg, begeleiding en opvoeding van eiseres. Niet is gebleken dat haar moeder de zorg voor eiseres niet op zich zou kunnen nemen. Het is in het belang van eiseres – volgens verweerder – om in Jordanië bij haar moeder te verblijven.
Ter zitting is desgevraagd duidelijk geworden dat het afgenomen gehoor van 11 februari 2025 met de moeder van eiseres aanleiding heeft gevormd voor verweerder om deels een ander standpunt in te nemen dan in voorgaande besluiten.
Ter zitting is verder duidelijk geworden dat onderstaande punten tussen partijen niet in geschil zijn.
Eiseres, referent, de grootouders van eiseres en de moeder van eiseres hebben allemaal de Syrische nationaliteit. De moeder van eiseres is in 2004 getrouwd met de vader van eiseres, [naam 3] . Zij zijn gaan samenwonen en de moeder van eiseres is vervolgens zwanger geraakt van eiseres. Drie maanden voor de geboorte van eiseres is haar moeder weggegaan bij de vader van eiseres en weer in haar ouderlijk huis gaan wonen, waar op dat moment haar ouders en haar broers en zussen nog woonden. Hier is eiseres ook geboren. De moeder en vader van eiseres zijn op 13 oktober 2009 gescheiden. De vader van eiseres is niet betrokken geweest bij de geboorte en opvoeding van eiseres en is op een gegeven moment hertrouwd. Hij is nooit in beeld geweest. De moeder van eiseres is na de geboorte van eiseres met eiseres in het ouderlijk huis blijven wonen.
Eiseres is vanwege de oorlog in 2012 met de hele familie naar Jordanië gevlucht. In de loop van 2013/2014 is de moeder van eiseres hertrouwd en ergens anders in Jordanië gaan samenwonen met haar huidige man, [naam 4] . Eiseres is toen achtergebleven bij haar grootouders en ooms en tantes, omdat de huidige man van haar moeder eiseres haar niet wilde opvoeden en ook niet wilde dat zij bij hen kwam wonen. Na haar vertrek heeft de moeder van eiseres veel contact gehouden met eiseres. Zij woonde in de buurt en was ook betrokken bij beslissingen over haar leven. Eiseres mocht niet bij haar moeder thuis komen, omdat de echtgenoot van haar moeder dat niet goed vond. Eiseres en haar moeder hebben sinds het hertrouwen van haar moeder dan ook niet meer samengewoond.
Referent is naar Nederland gevlucht en heeft in 2015 een asielvergunning gekregen en verzocht om overkomst van zijn ouders en zus. Zij zijn vervolgens op 10 oktober 2019 naar Nederland overgekomen. Eiseres is toen bij een neef van de moeder van eiseres, [naam 5] , en zijn gezin gaan wonen. Zij heeft hier een korte periode gewoond. Vervolgens is eiseres gaan wonen bij haar oom, de broer van haar moeder, [naam 6] , en zijn gezin. Die oom is in 2023 naar Nederland gekomen. Inmiddels is alleen de vrouw van haar oom nog in Jordanië.
Op zitting is door de grootouders van eiseres gesteld dat ze deels bij de vrouw van haar oom [naam 6] verblijft, en deels bij een tante van haar moeders kant.
Wat is tussen partijen wel in geschil?
4. Tussen partijen is in geschil wat de intensiteit is van het contact tussen eiseres en haar moeder, of eiseres bij haar moeder zou kunnen wonen en of dat in het belang van eiseres zou zijn.
5. Verder is in beroep nog aangevoerd dat de moeder van eiseres inmiddels terug naar Syrië is verhuisd. Ter onderbouwing van dat standpunt is een stuk overgelegd, namelijk een kopie van een woonplaatsverklaring van 16 november 2025. De kopie is afkomstig van de grootouders van eiseres. Zij hebben aangegeven niet in bezit te zijn van het origineel. Verweerder stelt op zich het standpunt dat aan dit stuk weinig waarde toekomt omdat het een kopie betreft en het stuk verder hoogstens iets zegt over de (verblijf)situatie van de moeder van eiseres toen, maar dat uit het stuk niet blijkt dat de moeder van eiseres ook op dit moment in Syrië verblijft. Eiseres bestrijdt dit.
Wat is het juridisch kader?
6. De rechtbank zal hieronder het in deze zaak relevante juridisch kader uiteenzetten. Zij wijst er in dat verband allereerst op dat eiseres ten tijde van de aanvraag in 2019 minderjarig was en dit nog steeds is. Die minderjarigheid is dan ook het uitgangspunt bij de beoordeling.
Het EHRM heeft in zijn arrest van 9 juli 2021 een duidelijk overzicht gegeven van het toetsingskader bij de beoordeling van de vraag of aan familieleden van op hun grondgebied verblijvende personen verblijf moet worden toegestaan. Het EHRM wijst in zijn arrest van 23 juni 2026 nogmaals op dit kader en overweegt dat, wat de materiële vereisten op dit gebied betreft, hij in zijn arrest van 9 juli 2021 heeft gewezen op de omstandigheden die tot de conclusie kunnen leiden dat verdragsluitende staten een positieve verplichting hebben om gezinshereniging toe te staan. Tot deze omstandigheden behoren het bestaan van onoverkomelijke of aanzienlijke belemmeringen voor het gezin om in het land van herkomst van de persoon bij wie men zich wil voegen te wonen, alsook het belang van het kind. Naast materiële vereisten heeft het EHRM in zijn arrest van 9 juli 2021 ook de procedurele vereisten gespecificeerd die gelden voor de behandeling van verzoeken om gezinshereniging. Met name moet de besluitvormingsprocedure voldoende waarborgen bieden voor de flexibiliteit, snelheid en doeltreffendheid die vereist zijn om het recht van de verzoeker op eerbiediging van zijn gezinsleven te respecteren, en moet zij voorzien in een individuele beoordeling van het belang van gezinshereniging, gericht op het vinden van een billijk evenwicht in het licht van de specifieke situatie van de betrokken personen.
De preambule van het IVRK luidt als volgt:
“De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, …
Ervan overtuigd dat aan het gezin, als de kern van de samenleving en de natuurlijke omgeving voor de ontplooiing en het welzijn van al haar leden en van kinderen in het bijzonder, de nodige bescherming en bijstand dient te worden verleend opdat het zijn verantwoordelijkheden binnen de gemeenschap volledig kan dragen. Erkennende dat het kind, voor de volledige en harmonische ontplooiing van zijn of haar persoonlijkheid, dient op te groeien in een gezinsomgeving, in een sfeer van geluk, liefde en begrip (…).
Uit artikel 3 van het IVRK volgt de verplichting voor verweerder dat hij zich bij een besluit, waar kinderen betrokken zijn, actief rekenschap geeft van hun concrete belangen.
In artikel 5 van het IVRK staat dat de Staten die partij zijn, de verantwoordelijkheden, rechten en plichten van de ouders eerbiedigen of, indien van toepassing, van de leden van de familie in ruimere zin of de gemeenschap al naar gelang het plaatselijk gebruik, van wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk zijn voor het kind, voor het voorzien in passende leiding en begeleiding bij de uitoefening door het kind van de in dit Verdrag erkende rechten, op een wijze die verenigbaar is met de zich ontwikkelende vermogens van het kind.
In artikel 6, tweede lid, van het IVRK staat dat de Staten die partij zijn, de mogelijkheden tot overleven en de ontwikkeling van het kind waarborgen in de ruimst mogelijke mate.
In artikel 12, eerste lid, van het IVRK staat dat een kind dat in staat is zijn of haar mening te vormen, het recht heeft die mening te uiten in een procedure die hem of haar (in)direct aangaat.
Ook uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) en het EHRM volgt dat de belangen van minderjarige kinderen een belangrijke rol spelen en dat verweerder deze belangen expliciet en nadrukkelijk bij zijn beoordeling dient te betrekken. Zo overweegt het EHRM in zijn arrest van 3 oktober 2014: ‘Where children are involved, their best interests must be taken into account. On this particular point, the Court reiterates that there is a broad consensus, including in international law, in support of the idea that in all decisions concerning children, their best interests are of paramount importance. Whilst alone they cannot be decisive, such interests certainly must be afforded significant weight. Accordingly, national decision-making bodies should, in principle, advert to and assess evidence in respect of the practicality, feasibility and proportionality of any removal of a non-national parent in order to give effective protection and sufficient weight to the best interests of the children directly affected by it.’ Het HvJEU heeft in zijn arrest van 11 maart 2021 ook overwogen dat artikel 3, eerste lid, van het IVRK in het algemeen betrekking heeft op alle beslissingen en handelingen die kinderen direct of indirect raken. Uit de bewoordingen van deze bepaling volgt dat de verplichting om het belang van het kind de eerste overweging te laten vormen, zich ook tot de rechterlijke instantie richt.
Heeft verweerder de belangenafweging in het nadeel van eiseres kunnen laten uitvallen?
7. De rechtbank overweegt als volgt. Nu er beschermingswaardig familieleven tussen eiseres en haar grootouders is aangenomen, dient verweerder een belangenafweging te maken. De rechtbank dient te toetsen of verweerder daarbij alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken en, indien dit het geval is, of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen enerzijds het belang van de vreemdeling bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven in Nederland en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Deze maatstaf impliceert een enigszins terughoudende toetsing.
Belang van het kind
Zoals al eerder is aangegeven onder overweging 3, heeft verweerder in het aanvullend besluit van 23 april 2025 het standpunt ingenomen dat de moeder van eiseres de primaire verzorgster is van eiseres. Zij heeft volgens verweerder de primaire verantwoordelijkheid voor de zorg, begeleiding en opvoeding van eiseres. Niet is gebleken dat haar moeder de zorg voor eiseres niet op zich zou kunnen nemen. Het is in het belang van eiseres om in Jordanië bij haar moeder te verblijven. Daarom heeft verweerder het belang van het kind niet in het voordeel van eiseres laten meewegen (immers heeft zij aangevraagd om bij haar grootouders te verblijven).
De rechtbank wijst allereerst op het volgende. Weliswaar volgt uit het Unierecht dat kinderen het recht hebben om regelmatig persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met (beide) ouders te onderhouden, maar dat uitgangspunt moet per geval worden beoordeeld. In het arrest El Ghatet overweegt het EHRM dat in zaken over gezinshereniging bijzondere aandacht moet worden besteed aan de omstandigheden van de minderjarige kinderen, met name hun leeftijd, hun situatie in het land van herkomst, maar ook de mate waarin zij afhankelijk zijn van hun ouders. Steeds moet beoordeeld worden of in een specifiek geval de presumptie opgaat dat het in “the best interests of the child” is om per se bij zijn ouder(s) te verblijven.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit specifieke geval niet heeft kunnen aannemen dat het in het belang van eiseres (het kind) is om bij haar moeder in Jordanië in plaats van bij haar haar grootouders in Nederland te verblijven. Zij betrekt daarbij het volgende.
Uit het dossier kan niet eenduidig worden vastgesteld wat de intensiteit van het contact van eiseres met haar moeder is na het vertrek van de grootouders en wat de woonsituatie van de moeder van eiseres op dit moment is. De conclusie van verweerder dat de moeder van eiseres haar primaire verzorger is, wordt door de vaststaande feiten in het dossier dus niet ondersteund. Wat de rechtbank wel kan vaststellen is dat eiseres vanaf haar geboorte tot haar tiende levensjaar bij haar grootouders heeft gewoond en dat de woonsituatie daar veilig, rustig en stabiel was. Verder is ook niet in geschil dat er hechte en persoonlijke banden bestaan tussen eiseres en haar grootouders en dat er tussen hen sprake is van gezinsleven.
Uit het feitencomplex volgt verder dat eiseres sinds het vertrek van haar grootouders naar Nederland in een zeer onrustige (woon)situatie is terechtgekomen, waarbij zij meerdere malen is verhuisd en bij verschillende familieleden heeft gewoond. Ook zijn veel familieleden met wie zij bij haar grootouders is opgegroeid, naar Nederland vertrokken: eerst referent, vervolgens haar grootouders en de echtgenote en kinderen van referent, en later haar oom [naam 6] . Verder is de aanvraag al in het begin van 2019 ingediend en bevindt eiseres zich dus al meer dan 7,5 jaar in een onzekere situatie, waarin het voor haar onduidelijk is of zij weer bij haar grootouders kan gaan wonen. Daarnaast staat vast dat eiseres sinds het hertrouwen van haar moeder in de loop van 2013/2014 (toen zij dus 4/5 jaar oud was) niet meer met haar heeft gewoond. Tot slot heeft eiseres in het met haar afgenomen gehoor verklaard dat zij het erg moeilijk heeft zonder haar opa en oma, het niet fijn heeft bij haar huidige woonsituatie en zich psychisch niet goed voelt. Zij wil erg graag weer bij haar opa en oma wonen.
Het standpunt van verweerder, dat het, ondanks bovenstaande feiten en de verklaringen van eiseres zelf, in het belang van eiseres is om bij (één van) haar ouders op te groeien met de verwijzing naar artikel 3 en artikel 5 van het IVRK gaat daarom, in dit individuele geval, niet op. De rechtbank acht het, gelet op wat zij hiervoor heeft overwogen, juist in het belang van eiseres om bij haar grootouders (verder) op te groeien.
Nu de rechtbank het standpunt van verweerder met betrekking tot het belang van het kind niet kan volgen, leidt dit tot het oordeel dat verweerder zich ook niet deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat het belang van het kind niet in het voordeel van eiseres meeweegt. De gemaakte belangenafweging door verweerder kent op dat punt dus een motiveringsgebrek.
Het beroep is dan ook gegrond en het besluit wordt vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder een nieuw besluit te laten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank ziet daarentegen wel aanleiding om anderszins tot een definitieve beslechting van het geschil te komen, namelijk door zelf in de zaak te voorzien. Daarbij zijn verschillende omstandigheden van belang.
De rechtbank stelt voorop dat de aanvraag dateert van 6 maart 2019 (en dus al 7,5 jaar geleden is ingediend) en het hoofdzakelijk aan verweerder te wijten is dat de procedure al zo lang duurt. Verweerder heeft namelijk pas 3,5 jaar na het indienen van het bezwaarschrift een beslissing op bezwaar genomen en in oktober 2024 heeft verweerder – twee dagen voor de geplande zitting – verzocht om aanhouding van de zaak omdat hij een aanvullend besluit wilde nemen en eiseres eventueel wilde horen. De rechtbank wijst er in dat verband ook op dat, zoals reeds is overwogen onder 6.1, de besluitvormingsprocedure volgens het EHRM voldoende waarborgen moet bieden voor de flexibiliteit, snelheid en doeltreffendheid die vereist zijn om het recht van de verzoeker op eerbiediging van zijn gezinsleven te respecteren. Die waarborgen acht de rechtbank niet geboden als zij de zaak weer terug zou verwijzen naar verweerder. Tot slot is hiertoe ook van belang dat eiseres nog steeds minderjarig is, en zij zich, zoals reeds onder 7.5. is overwogen, al meer dan 7,5 jaar in een onzekere situatie bevindt met betrekking tot haar woonsituatie en dit ook weerslag heeft op haar psychische gesteldheid.
Belangenafweging
8. Nu de rechtbank ervoor kiest om zelf in de zaak te gaan voorzien, toetst zij dus niet (langer) de belangenafweging zoals die is gemaakt in het bestreden besluit, maar weegt zij de belangen zelf af op basis van het dossier. Nu zij niet meer het standpunt van verweerder toetst, is zij ook niet meer gehouden aan de terughoudende toets zoals genoemd onder 6.
De rechtbank is, na een evenwichtige beoordeling van de belangen, van oordeel dat de belangenafweging in het voordeel van eiseres uitvalt. Zij overweegt daartoe als volgt.
In het voordeel van eiseres weegt mee dat er beschermenswaardig familie- en gezinsleven tussen eiseres en haar grootouders bestaat en er onoverkomelijke belemmeringen zijn om het gezinsleven in Syrië uit te oefenen. De rechtbank is verder van oordeel dat er in het dossier aanknopingspunten zitten om aan te nemen dat er ook voor het uitoefenen van het gezinsleven met de grootouders in Jordanië aanzienlijke belemmeringen bestaan. De rechtbank betrekt daarbij dat, zoals ook door eiseres is aangevoerd, het onduidelijk is of de grootouders van eiseres of eiseres zelf ooit een legale status hebben gehad in Jordanië. Ze verbleven daar immers als vluchtelingen. In het dossier bevindt zich geen stuk van een verblijfsstatus in Jordanië (van eiseres of haar grootouders). Er kan dan ook niet zonder meer van uit worden gegaan dat haar grootouders zomaar kunnen terugkeren naar Jordanië en daar verblijfsrecht hebben. Ook dit weegt mee in het voordeel van eiseres.
Verder blijkt uit het dossier niet dat er openbare orde belemmeringen zijn. De rechtbank is verder van oordeel, verwijzend naar de jurisprudentie genoemd onder 6.7., dat het belang van het kind de eerste overweging is in de belangenafweging en zwaar meeweegt. Nu de rechtbank van oordeel is dat het belang van het kind in dit geval is om bij haar grootouders te verblijven en niet om bij haar moeder te verblijven, weegt dit zwaar mee in het voordeel van eiseres. De rechtbank wijst er in dit kader ook op dat, zoals is overwogen onder 6.1, uit rechtspraak van het EHRM volgt dat het belang van het kind, samen met onoverkomelijke of aanzienlijke belemmeringen om het gezinsleven in het land van herkomst (of een ander land) uit te oefenen, omstandigheden zijn die tot de conclusie kunnen leiden dat er een positieve verplichting bestaat om gezinshereniging toe te staan.
In het nadeel van eiseres weegt mee het economisch belang, het restrictief toelatingsbeleid en het feit dat het de eerste toelating betreft.
De rechtbank is van oordeel dat de intensiteit van het familie- en gezinsleven niet in het nadeel van eiseres meegewogen moet worden. Dat referent pas ruim drie jaar na de aanvragen voor zijn ouders de aanvraag voor eiseres heeft ingediend en dat haar grootouders eiseres hebben achtergelaten in Jordanië, maakt volgens de rechtbank niet dat de intensiteit van het familie- en gezinsleven is afgenomen. Zij wijst erop dat het weliswaar gaat om een procedure die in gang is gezet door de oom van eiseres, maar er gezinsleven is aangenomen tussen eiseres en haar grootouders en niet tussen eiseres en referent. Dat is ook het uitgangspunt bij de aanvraag. Het had dus voor referent geen zin om in 2015 een gezinsherenigingsaanvraag voor eiseres in te dienen. Dit heeft hij in 2019 pas gedaan, toen de procedure om zijn ouders te laten nareizen zich in een verder stadium bevond. Dat acht de rechtbank begrijpelijk. Verder wijst de rechtbank erop dat het EHRM in zijn arrest van 21 december 2001 overweegt dat het in eerste instantie achterlaten van het kind door de ouders niet wil zeggen dat zij daarmee afstand hebben gedaan en geen gezinshereniging meer wensen – ook als het al voor langere tijd zo is. Hoewel het hier gaat om de grootouders van eiseres en niet om haar ouders, trekt de rechtbank wel een parallel met deze zaak. Immers is in dit geval sprake van beschermenswaardig gezinsleven tussen haar en haar grootouders.
Verder overweegt de rechtbank nog dat de banden met Jordanië en de banden met Nederland ook niet in het nadeel van eiseres meegewogen moeten worden. Zoals de rechtbank heeft overwogen onder 7.6. is het in het belang van eiseres om bij haar grootouders in Nederland te verblijven, en niet om in Jordanië te verblijven. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat haar grootouders inmiddels al meer dan 7 jaar weg zijn uit Jordanië en al die tijd al rechtmatig in Nederland bij hun zoon verblijven.
Tot slot is de rechtbank van oordeel dat aan het economisch belang in geval van eiseres beperkt gewicht toekomt. Zij verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 mei 2026. Hierin heeft de Afdeling overwogen dat, indien een vreemdeling een beroep doet op te verwachten toekomstige ontwikkelingen waarmee hij aan het economisch welzijn van Nederland zal kunnen bijdragen, verweerder dat niet alleen mag afdoen met de overweging dat dit een onzekere toekomstige gebeurtenis is. Verweerder moet, zo oordeelt de Afdeling, deze omstandigheid in zijn beoordeling betrekken en afhankelijk van het antwoord op de vraag hoe concreet de omstandigheid in het individuele geval is, meer of minder gewicht aan deze omstandigheid toekennen. De rechtbank zal dat nu in plaats van verweerder doen en overweegt hierbij dat, nu eiseres nog jong is en zij haar leven kan opbouwen in Nederland, de kans reëel is dat zij uiteindelijk hier zal gaan werken en dus zal kunnen bijdragen aan het economisch welzijn van Nederland.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. Dit betekent dat het bestreden besluit niet in stand blijft. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
10. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, nu zelf een beslissing en draagt verweerder op om binnen een termijn van vier weken eiseres in het bezit te stellen van de door haar gevraagde mvv.
11. Omdat eiseres geen griffierecht heeft betaald, hoeft verweerder geen griffierecht te vergoeden. Eiseres krijgt, nu het beroep gegrond is, wel een vergoeding van haar proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 27 juni 2023 en het aanvullende besluit van 23 april 2025;
- herroept het besluit van 12 december 2019;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- draagt verweerder op om binnen een termijn van vier weken eiseres in het bezit te stellen van de door eiseres gevraagde mvv;
- veroordeelt de verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Putten, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Poortier, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.