RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.27860
V-nummer: [#] ,
(gemachtigde: mr. M.L. van Leer),
en
(gemachtigde: mr. C. van Es).
1. De rechtbank heeft de zaak van [eiser] op zitting behandeld en een uitspraak geschreven. De rechtbank zal hieronder een samenvatting geven van de uitspraak. Die is bedoeld voor [eiser] . De rechtbank zal hem hierna eiser noemen.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag om een machtiging tot voorlopige verblijf (mvv) voor eiser. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De minister (hierna: verweerder) heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de familierechtelijke relatie tussen eiser en zijn biologische ouders niet aannemelijk is gemaakt en onvoldoende onderzocht of eiser deel uitmaakte van het gezin van referente. De rechtbank draagt verweerder daarom op om stukken over de evacuatie van het gezin te overleggen, te onderzoeken of er nog andere gehoren zijn geweest, eiser te horen en daarna een nieuw besluit te nemen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 12 januari 2022 een aanvraag ingediend voor een mvv in het kader van nareis bij [naam 1] (referente).
Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 10 augustus 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 mei 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft op 9 september 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2026 op zitting behandeld. Referente is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van eiser. Als tolk is verschenen [naam tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 1995 en heeft de Afghaanse nationaliteit. Deze gegevens blijken uit het door hem overgelegde huidige paspoort en zijn tazkera. Referente is geboren op [geboortedatum 2] 1990 en heeft ook de Afghaanse nationaliteit. Referente en haar man zijn in september 2021 samen met hun vijf biologische kinderen uit Afganistan geëvacueerd. Eiser is toen achtergebleven. Aan referente, haar man en de kinderen is een asielvergunning voor onbepaalde tijd verleend. Referente stelt dat eiser haar neefje is. Zij willen dat eiser in het kader van nareis bij referente en haar man in Nederland komt wonen.
Referente heeft, kort samengevat, het volgende verklaard. Eiser is de zoon van haar overleden broer. Hij is op 1-jarige leeftijd met zijn twee zussen en moeder bij referente en haar moeder komen wonen. Referente was zelf toen 6 jaar oud. Eisers moeder is kort daarna overleden. De moeder van referente is toen voor eiser gaan zorgen. Nadat zij een herseninfarct heeft gehad, heeft referente de zorg van eiser op zich genomen. Toen referente in 2019 trouwde met haar man [naam 2] , is eiser bij referente en haar man komen wonen. Eiser was toen 14 jaar oud.
Standpunt verweerder
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de identiteit van eisers vader wel aannemelijk wordt geacht, maar die van zijn moeder niet. Volgens verweerder volgt uit de algemene bronnen niet dat er geen identificatieplicht zou gelden in bepaalde dorpen in Afghanistan. Daarom is niet aannemelijk dat eisers moeder niet over een tazkera beschikte. Eiser heeft verder een verklaring van de Afghaanse ambassade in Den Haag overgelegd, waaruit volgt dat referente de tante is van eiser. Deze verklaring is echt bevonden. De familierechtelijke relatie tussen referente en eiser is daarmee aannemelijk gemaakt. Maar dat maakt volgens verweerder nog niet dat de pleegsituatie aannemelijk is gemaakt. Verweerder wijst er op dat referente heeft verklaard dat eiser het grootste deel van zijn leven bij referente en haar man heeft gewoond. De man van referente heeft eiser echter tijdens zijn (asiel)gehoor nergens genoemd. Dit doet ernstig afbreuk aan de geloofwaardigheid inzake het bestaan van de gestelde pleegsituatie. Ook heeft eiser geen (financiële) stukken overgelegd om de pleegsituatie te onderbouwen. Verweerder stelt verder dat de gestelde medische afhankelijkheid van eiser niet is onderbouwd. Omdat de familierechtelijke relatie tussen eiser en zijn biologische ouders niet aannemelijk is gemaakt, toetst verweerder niet ambtshalve aan een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM.
Juridisch kader
5. Als een nareisaanvraag wordt gedaan voor een gesteld pleegkind, moet verweerder beoordelen of dat pleegkind tot het gezin van de referent behoorde op het moment van binnenkomst van referent in Nederland. Het is aan de referent en de vreemdeling om de feitelijke gezinsband aannemelijk te maken en te onderbouwen met documenten en verklaringen. Als de referent de feitelijke gezinsband niet met documenten kan onderbouwen, moet de referent met aanvullende gegevens en/of met plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen aannemelijk maken dat het gezinslid feitelijk behoort tot zijn gezin. Ook moet hij een verklaring geven voor het ontbreken van relevante documenten.
Bij de beoordeling of het pleegkind feitelijk deel uitmaakt van het gezin van de referent betrekt verweerder de identiteit en de familierechtelijke relatie van het pleegkind en zijn/haar biologische ouders; de duur en de reden van de opname van het pleegkind in het gezin van de referent; de (financiële) afhankelijkheid van het pleegkind van de referent; in hoeverre de biologische ouders van het pleegkind in staat zijn voor het pleegkind te zorgen en, als dit aan de orde is, in hoeverre zij betrokken zijn gebleven bij de opvoeding van het pleegkind; en of de referent de voogdij over het pleegkind heeft gekregen.
Heeft eiser de familierechtelijke relatie tussen hem en zijn biologische ouders aannemelijk gemaakt?
Identiteit van zijn biologische moeder
6. Verweerder stelt dat eiser de identiteit van zijn biologische moeder niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft geen identificerende documenten van haar overgelegd. Verweerder heeft eisers situatie aan TOELT voorgelegd en verzocht om nadere informatie. Uit de informatie die TOELT beschikbaar heeft gesteld volgt dat er tegenstrijdige informatie te vinden is over of het in het bezit hebben van een tazkera wel of niet verplicht is. Er is geen informatiebron te vinden die aangeeft dat er in 1997 in bepaalde dorpen of in delen van Afghanistan geen identificatieplicht zou gelden. De Deense Fact Finding Guide uit 1997 geeft aan dat een identiteitskaart juist verplicht is. Ook staat op de tazkera van eisers vader dat er een verplichting bestond voor de registratie voor zowel het overlijden als de geboorte van een persoon. Daarom is het ontbreken van een tazkera van de moeder van eiser niet aannemelijk.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee onvoldoende heeft gemotiveerd dat het ontbreken van de tazkera van eisers moeder niet aannemelijk is. De rechtbank betrekt daarbij het volgende. Eiser heeft gewezen op het Algemeen Ambtsbericht (AAB) Afghanistan van 1997 waaruit volgt dat het mogelijk was om een identiteitskaart aan te vragen, maar dat hieruit niet blijkt dat sprake was van een identificatieplicht in Afghanistan. Dit blijkt ook uit het AAB Afghanistan uit 2011 waarin staat dat de meerderheid van de Afghaanse bevolking geen identiteitsdocument heeft. Redenen zijn het gebrek aan functionerende meld- en registratie-instanties en het ontbreken van een identificatieplicht. Uit het AAB Afghanistan van 2014 volgt dat vooral vrouwen vaak geen identiteitsdocumenten hebben. Op de zitting heeft eiser gewezen op het AAB Afghanistan van 2025. Daarin staat dat er onder de Islamistische Republiek een wettelijke identificatieplicht was voor iedere Afghaanse staatsburger. Dit betekende dat iedere Afghaan in het bezit moest zijn van een identiteitskaart, de zogeheten tazkera. Dit vereiste werd toen in de praktijk echter niet toegepast. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam dat niet onaannemelijk is dat eisers moeder niet over een tazkera beschikte. De rechtbank overweegt verder dat verweerder zelf in zijn besluitvorming heeft opgenomen dat er sprake is van tegenstrijdige bronnen omtrent het bezitten van identiteitsbewijzen in Afghanistan in periode waarin eisers moeder overleed. Daarbij is de rechtbank niet gebleken dat uit de Deense Fact Finding Guide uit 1997 volgt dat wel uitdrukkelijk sprake was een identificatieplicht en dat ook vrouwen over tazkera’s beschikten. Eiser heeft verder op de zitting een beroep gedaan op het arrest E. tegen Nederland van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de daaruit volgende jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Uit dit arrest volgt dat verweerder een individuele beoordeling dient te verrichten waarbij rekening wordt gehouden met alle relevante elementen, verklaringen en uitleg over het niet kunnen overleggen van (officiële) documenten of bewijzen. Gelet op de informatie die eiser heeft overgelegd en zijn verklaringen hierover, is de rechtbank van oordeel dat eiser aan de samenwerkingsverplichting heeft voldaan en dat er sprake is van bewijsnood. Verweerder heeft daarom ten onrechte niet kenbaar en toegespitst gemotiveerd waarom eiser niet het voordeel van de twijfel krijgt. De beroepsgrond slaagt.
Geboorteakte
7. Eiser voert aan dat hij geen geboorteakte heeft. Verweerder kan dit daarom niet van hem verlangen. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte tegenwerpt dat referente tegenstrijdig heeft verklaard over het bestaan van een geboorteakte van eiser. Ten aanzien van de verklaring waarin referente zou hebben aangegeven dat zij de geboorteakte van eiser niet meer kan vinden, merkt zij op dat dit formulier op 22 januari 2022 is ingevuld door een vrijwilliger van Vluchtelingenwerk. Referente zelf was toen net in Nederland en had geen idee van alle benodigde formulieren en bewijzen. Nu het formulier is ingevuld door een medewerker van Vluchtelingenwerk meent eiser dat deze opmerking over het bezit van een geboorteakte niet aan hem kan worden tegengeworpen als tegenstrijdige verklaring.
De rechtbank volgt verweerders standpunt dat referente zelf verantwoordelijk is voor het juist invullen van het aanvraagformulier. Verweerder heeft de tegenstrijdigheid daarom in beginsel kunnen tegenwerpen. Echter, in het licht van alle informatie die eiser heeft overgelegd acht de rechtbank het aannemelijk dat de opmerking in het formulier van referente over de geboorteakte op 22 januari 2022, onjuist was. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat referente ook niet weet wat een geboorteakte is. Daarbij heeft eiser ook landeninformatie overgelegd waaruit blijkt dat in praktijk geen geboorteaktes worden afgegeven. Uit het AAB Afghanistan 2011 blijkt dat geboortecertificaten een zeldzaam verschijnsel zijn in Afghanistan. Naar schatting heeft slechts 10% van de Afghanen een geboortecertificaat. De rechtbank is daarom van oordeel dat dit kennelijk misverstand er niet toe kan leiden dat eiser kan worden tegengeworpen dat hij geen geboorteakte heeft overgelegd. In zoverre oordeelt de rechtbank dat eiser aan zijn samenwerkingsverplichting heeft voldaan en dat er sprake is van bewijsnood. Deze beroepsgrond slaagt.
Tazkera eisers vader
8. Verweerder acht de familierechtelijke relatie tussen eiser en zijn biologische ouders niet aannemelijk. Op de tazkera van eiser staat weliswaar de naam van zijn vader vermeld, echter is dit onvoldoende om de familierechtelijke relatie tussen eiser en zijn vader aan te tonen. Een tazkera is geen toereikende onderbouwing voor de familierechtelijk relatie tussen een pleegkind en zijn biologische ouders. Het document bevat immers alleen de voornamen van de vader en de grootvader. Deze gegevens zijn niet toereikend om te herleiden tot de gestelde biologische vader. Bovendien bevat de tazkera geen gegevens die te herleiden zijn tot de biologische moeder van eiser.
De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft verschillende bewijsmiddelen overgelegd om de familierechtelijke relatie tussen hem en zijn biologische ouders te onderbouwen. Deze zijn echter niet sluitend. Voor wat betreft de identiteit van eisers moeder en de ontbrekende tazkera en de geboorteakte van eiser, heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van bewijsnood. Voor zover verweerder stelt dat de tazkera van eisers vader de familierechtelijke relatie tussen eiser en zijn vader niet kan aantonen, overweegt de rechtbank dat te volgen valt dat dit document in beginsel niet de familierechtelijk relatie tussen pleegkind en zijn biologische ouders kan aantonen. In dit geval is echter ook een echt bevonden verklaring omtrent verwantschap overgelegd en de gegevens daaruit en die op de tazkera komen wel overeen. Verder volgt de rechtbank eiser in zijn standpunt dat hij voldoende inspanning heeft geleverd om zijn aanvraag te staven. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder eiser moet horen zodat middels verklaringen alsnog onderzoek kan worden gedaan naar de familierechtelijke relatie tussen eiser en zijn biologische ouders. De beroepsgrond slaagt.
Heeft eiser de pleegsituatie aannemelijk gemaakt?
9. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de pleegsituatie niet aannemelijk is gemaakt. Referente heeft verklaard dat eiser 21 jaar van zijn leven bij haar en haar man heeft gewoond. De man van referente heeft eiser echter tijdens zijn (asiel)gehoor op 5 oktober 2021 nergens genoemd. Op de vraag of hij pleegkinderen heeft, heeft de man van referente nee geantwoord. Dit doet ernstig afbreuk aan de geloofwaardigheid inzake het bestaan van de gestelde pleegsituatie. Ook heeft eiser geen stukken overgelegd om de pleegsituatie te onderbouwen. Het is aan eiser om de gestelde financiële afhankelijkheid met stukken te onderbouwen. Daarin is hij niet geslaagd. Maar zelfs als deze stukken wel beschikbaar zouden zijn, betekent dit nog niet dat daarmee de pleegsituatie is aangetoond. Verweerder stelt verder dat de medische afhankelijkheid van eiser niet is onderbouwd. Eiser heeft geen medische stukken overgelegd om dit standpunt te onderbouwen.
De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser geen medische of financiële stukken heeft overgelegd om de pleegsituatie te onderbouwen. Dat de pleegsituatie niet met stukken is onderbouwd behoeft verder ook geen bespreking. De rechtbank overweegt verder dat verweerders stelling dat geen sprake is van een pleegsituatie grotendeels is gestoeld op de constatering dat de man van referente eiser niet heeft benoemd tijdens het gehoor op 5 oktober 2021 en dat hij op de vraag of hij pleegkinderen heeft, nee heeft geantwoord. Op de zitting is desgevraagd duidelijk geworden dat de man van referente analfabeet is en niet weet wat het woord pleegkind betekent. Hij heeft toegelicht dat hij eiser niet als pleegkind ziet, omdat hij dit woord niet kent. Verder is van belang dat referente weliswaar bij de aanvang van dit gehoor aanwezig was, maar dat zij na het doornemen van de persoonsgegevens van haar en haar man, door verweerder is gevraagd de ruimte te verlaten omdat haar asielrelaas geheel gerelateerd is aan dat van haar man. Aan haar zijn toen dus geen vragen gesteld over de gezinssamenstelling. Referente heeft op de zitting aangegeven dat er wel een ander gehoor is geweest, waarin naar die gegevens is gevraagd, maar verweerder heeft dat in het dossier niet kunnen terugvinden. Het enige gehoor dat verweerder op de zitting in het dossier kon vinden, is een gehoor bij de Kmar op Schiphol. In dat gehoor zijn volgens verweerder geen directe vragen over de gezinssamenstelling gesteld. Op de zitting is verder de discussie ontstaan over de vraag of eiser op de lijst (een e-mailwisseling met het ministerie Buitenlandse Zaken) zou hebben gestaan voor evacuatie. De man van referente en referente hebben aangegeven dat eiser op deze lijst moet hebben gestaan. Verweerder kon hier op zitting geen uitsluitsel over geven. Naar het oordeel van de rechtbank is het in het kader van de vraag of eiser tot het gezin van referente behoorde, mede in het licht van de verklaring van de man dat hij niet begreep wat een pleegkind is en het feit dat uit de stukken niet blijkt dat referente over de gezinssamenstelling is gehoord, van belang om over de stukken met betrekking tot de evacuatie te beschikken. Als eiser hier op is vermeld, kan dit immers een aanknopingspunt zijn dat hij als pleegkind wel tot het gezin van referente behoorde. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het op de weg van verweerder om hier nadere opheldering over te geven. De rechtbank gaat ervan uit dat verweerder over deze stukken kan beschikken. Ook dient verweerder nader te onderzoeken of er zoals door referente gesteld, nog andere gehoren zijn geweest, waarin zij wel naar de gezinssamenstelling is gevraagd. Verder is de rechtbank, gezien het hiervoor overwogene, van oordeel dat eiser in de gelegenheid moet worden gesteld om over de pleegsituatie te worden gehoord. Deze beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft het bezwaar van eiser ten onrechte ongegrond verklaard. Dit betekent dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
11. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij draagt de rechtbank verweerder op om voor het nemen van dit besluit eiser te horen zodat meer duidelijkheid kan worden verschaft omtrent de familierechtelijke relatie met zijn biologische ouders en de pleegsituatie en om te onderzoeken of eiser op de evacuatielijst heeft gestaan of dat er nog andere gehoren hebben plaatsgevonden waarin naar de verdere familieleden is gevraagd. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van 12 weken.
12. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor deelname aan zitting, waarbij 1 punt een waarde heeft van € 934,-).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 26 mei 2025;
- draagt verweerder op om binnen 12 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Putten, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Zoon, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.