ECLI:NL:RBDHA:2026:30474

ECLI:NL:RBDHA:2026:30474

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 13-10-2026
Datum publicatie 16-10-2026
Zaaknummer NL26.53662 en NL26.53663
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Het beroep is gegrond. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij uitgaat van de in Griekenland vastgestelde identificerende gegevens en dus van eisers meerderjarigheid. Met eisers verklaringen had verweerder aanleiding moeten zien nader onderzoek te verrichten naar eisers identiteit. Hij had moeten nagaan of de in Griekenland vastgestelde gegevens, en het paspoort dat daaraan ten grondslag ligt, inderdaad op eisers identiteit zien. Dit is achterwege gebleven en dat maakt dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser] , V-nummer: [#] , eiser/verzoeker (eiser)

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.53662 (beroep) en NL26.53663 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

(gemachtigde: mr. S.L. Sarin),

en

(gemachtigde: G. Zwitser Hernández).

1. Eiser komt uit Soedan en heeft een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij internationale bescherming heeft in Griekenland. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de aanvraag. Eiser is het daar niet mee eens en heeft daarvoor een aantal argumenten gegeven. Dit zijn de beroepsgronden. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Het beroep is gegrond. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij uitgaat van de in Griekenland vastgestelde identificerende gegevens en dus van eisers meerderjarigheid. Met eisers verklaringen had verweerder aanleiding moeten zien nader onderzoek te verrichten naar eisers identiteit. Hij had moeten nagaan of de in Griekenland vastgestelde gegevens, en het paspoort dat daaraan ten grondslag ligt, inderdaad op eisers identiteit zien. Dit is achterwege gebleven en dat maakt dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 10 juli 2026 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Met het bestreden besluit van 4 september 2026 heeft verweerder deze asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser internationale bescherming heeft in Griekenland. Ook is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij de beroepsprocedure in Nederland mag afwachten.

Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 29 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, zijn gemachtigde en de tolk [naam tolk] deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbankAchtergrond en aanloop van de zaak 3.Eiser stelt dat hij [eiser] is, geboren is op [geboortedatum 1] 2009 en de Soedanese nationaliteit heeft. Hij verklaart Soedan te hebben verlaten, omdat hij vanwege de oorlog vreest gerekruteerd te worden door de Rapid Support Forces. Ook vreest hij dat de minderheidsstam, waar hij deel van uitmaakt, gediscrimineerd zal worden door verschillende meerderheidsstammen. Eiser is eerst naar Griekenland vertrokken en heeft daar een asielstatus verkregen. Na een aantal maanden heeft hij Griekenland verlaten en is hij uiteindelijk in Nederland terechtgekomen. Hier heeft eiser asiel aangevraagd.

4. Op 17 juli 2026 heeft er een leeftijdsinterview plaatsgevonden om eiser zijn leeftijd te kunnen vaststellen. Verweerder trekt in het rapport de conclusie dat eiser zijn uiterlijke kenmerken mogelijk richting meerderjarigheid wijzen, maar dat uit het gedrag en de verklaringen van eiser geen evidente meerderjarigheid kan worden afgeleid. Daarom beschouwt verweerder eiser vooralsnog minderjarig.

5. Verweerder heeft met het onderzoek in het kader van artikel 51 van de Asiel- en Migratiebeheerverordening de nodige informatie verkregen van de Griekse autoriteiten. Daaruit blijkt dat eiser in Griekenland bekend staat onder een geheel andere naam en geboortedatum: [naam] , geboren op [geboortedatum 2] 2000. Deze gegevens staan ook op het paspoort dat eiser in Griekenland bij zich had.

Het bestreden besluit

6. In het bestreden besluit gaat verweerder ervan uit dat het door eiser in Griekenland overgelegde paspoort aan hem toebehoort. Dit omdat hij met dit paspoort de gehele asielprocedure in Griekenland heeft doorlopen en vervolgens daarmee bescherming heeft gekregen. Daarnaast heeft eiser tegenstrijdige verklaringen afgelegd over het paspoort. Dit maakt dat verweerder uitgaat van de geboortedatum op het paspoort, namelijk [geboortedatum 2] 2000, en hem dus ziet als een meerderjarige Griekse statushouder. Met het bestreden besluit verklaart verweerder op grond van artikel 38, eerste lid, onder c, van de Procedureverordening de asielaanvraag niet-ontvankelijk, omdat eiser internationale bescherming heeft in Griekenland. Verweerder gaat ten aanzien van Griekenland namelijk uit van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Niet is gebleken dat het voor Griekse statushouders onmogelijk is om bij terugkeer in hun basisbehoeften te voorzien. Daarnaast ziet verweerder geen indicaties die maken dat eiser kwetsbaar zou zijn. Van zeer verregaande materiele deprivatie is dus geen sprake.

Gronden

7. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder dient uit te gaan van de gegevens die eiser in Nederland bij zijn asielaanvraag heeft opgegeven, en dus van zijn minderjarigheid. Dat hij in Griekenland een paspoort met andere gegevens bij zich had, doet daar niet aan af. Dit betrof een paspoort van zijn broer, die eiser enkel bij zich droeg om te kunnen reizen. Verweerder werpt dan ook onterecht tegen dat eiser tegenstrijdig zou hebben verklaard over het paspoort. Bovendien stelt eiser dat hij geen tegenstrijdige verklaringen over het paspoort heeft afgelegd. Op de vraag of eiser een paspoort had of had overgelegd, heeft hij ontkennend geantwoord. Het paspoort is immers bij zijn fouillering aangetroffen en zelf heeft hij nooit een eigen paspoort in bezit gehad. Vandaar dat eiser pas later in het gehoor verklaarde dat hij een paspoort, namelijk die van zijn broer, bij zich had. De verklaring dat hij nooit in de afgifteplaats van dat paspoort is geweest, is volgens eiser dan ook juist. Van tegenstrijdige verklaringen is dus geen sprake. Gezien het voorgaande stelt eiser dat verweerder het paspoort dat bij eiser is aangetroffen niet aan hem had mogen toerekenen. Het had op de weg van verweerder gelegen om juist de verklaringen van eiser over het paspoort aan te merken als een aanknopingspunt voor nader onderzoek. Volgens eiser is het bestreden besluit dan ook onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd is.

8. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij in Griekenland geen internationale bescherming krijgt en daar in een situatie zal belanden die in strijd is met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Dit vanwege zijn minderjarigheid, waardoor hij kwetsbaar en niet zelfredzaam is, en het feit dat statushouders daar niet kunnen voorzien in hun belangrijke basisbehoeften. Eiser stelt dat ten aanzien van Griekenland niet zonder meer wordt uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Sinds de uitspraken van de Afdeling van 28 juli 2021 is er geen sprake van een structurele verbetering in Griekenland. Voor wat betreft de door verweerder op zitting aangehaalde uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 7 juli 2026 merkt eiser op dat deze op een andere kwestie ziet dan die van eiser. Het ging daar om kwetsbare personen die medische zorg nodig zorg hadden en waarbij niet voldoende aangetoond was dat die zorg daar niet beschikbaar was. Het ging hier om een situatie zoals bedoeld in het arrest Paposhvili en dus niet het arrest Ibrahim.

Oordeel van de rechtbank

9. De rechtbank stelt vast dat eiser bij zijn asielaanvraag de volgende gegevens heeft opgegeven: [eiser] , geboren op [geboortedatum 1] 2009. Verweerder lijkt in eerste instantie uit te gaan van die gegevens en daarmee ook van zijn minderjarigheid. Het leeftijdsonderzoek geeft verweerder geen aanleiding om anders over de leeftijd van eiser te denken. Dit verandert op het moment dat verweerder van de Griekse autoriteiten geheel andere gegevens ontvangt: [naam] , geboren op [geboortedatum 2] 2000. Deze gegevens staan ook in het paspoort dat eiser in Griekenland bij zich droeg. Uit het besluit volgt dat verweerder in ieder geval van deze geboortedatum en dus van zijn meerderjarigheid uitgaat. Verweerder nuanceert dit op zitting door aan te geven dat hij van de juistheid van alle in Griekenland geregistreerde gegevens uitgaat.

10. De rechtbank stelt ook vast dat eiser de persoon is die in Griekenland asiel heeft aangevraagd en verkregen onder de naam [naam] en geboortedatum [geboortedatum 2] 2000. Deze gegevens staan zo in het paspoort dat hij bij zich droeg. De Griekse autoriteiten hebben vingerafdrukken gedwongen afgenomen en die blijken geheel overeen te komen met de in Nederland afgegeven vingerafdrukken van eiser. Daarnaast heeft eiser zelf ook verklaard in Griekenland deze gegevens te hebben verstrekt en dit paspoort bij zich te hebben gedragen.

11. Dat eiser deze gegevens in Griekenland heeft verstrekt en daar het paspoort bij zich droeg, betekent echter niet dat zij daadwerkelijk op zijn identiteit zien. De vraag is of verweerder terecht ervan uit is gegaan dat de in Griekenland opgegeven gegevens inderdaad op eiser zien en hij dus een meerderjarige Griekse statushouder is.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte deze conclusie heeft getrokken. Alhoewel de rechtbank begrijpt dat verweerder een bepaald gewicht toekent aan de gegevens in het paspoort, betekent dit niet dat hij deze gegevens kan volgen. Vooral gezien de verklaring van eiser dat het paspoort toebehoort aan zijn oudere broer. Anders dan verweerder ziet de rechtbank dit wel als een geloofwaardige verklaring. De rechtbank volgt verweerder dan ook niet in zijn standpunt dat er sprake zou zijn van tegenstrijdige verklaringen van eiser over het paspoort. Dat eiser in het gehoor niet direct aangeeft een paspoort van zijn broer bij zich te hebben gedragen, leidt niet tot een ander oordeel. De uitleg die eiser in beroep hieraan geeft, kan de rechtbank goed volgen. Het terughoudend verklaren van eiser tijdens het gehoor sluit goed aan bij zijn verklaring dat hij bang was dat de Griekse autoriteiten erachter zouden komen dat hij een paspoort van zijn broer bij zich had en dat hij het in Griekenland niet zelf heeft overgelegd maar bij de fouillering is aangetroffen. Zeker in het licht van zijn gestelde minderjarigheid. Daar heeft verweerder onvoldoende rekening mee gehouden in de besluitvorming.

Daarnaast merkt de rechtbank op dat in het rapport leeftijdsinterview wordt beschreven dat eiser enige gezichtsbeharing heeft, terwijl op de foto in het paspoort juist iemand te zien is met meer volgroeide gezichtsbeharing. Dit is opmerkelijk te noemen. Vooral omdat het rapport dateert van 17 juli 2026 en dus op een meer recente datum ziet dan de foto in het paspoort. Het paspoort is namelijk afgegeven op 3 februari 2025 en mogelijk dateert de foto zelfs van enige tijd daarvoor. Dit is een omstandigheid waar verweerder rekening mee had moeten houden in zijn besluitvorming. Hetzelfde geldt voor de verklaring van de medewerkster van Nidos. Zij geeft tijdens het gehoor aan dat zij op de paspoortfoto een persoon ziet die ouder lijkt dan eiser. Zij vindt hem wel op eiser lijken, maar herkent hem toch niet als zodanig. Niet valt in te zien dat verweerder deze verklaring niet betrokken heeft in zijn besluitvorming.

12. De rechtbank kan daarom ook niet verweerder volgen in zijn stelling dat het aan eiser is het vermoeden van meerderjarigheid te ontzenuwen. Het klopt dat het in beginsel aan de vreemdeling is om zijn identiteit aannemelijk te maken. Nu heeft verweerder echter ervoor gekozen af te wijken van de door eiser gestelde gegevens en minderjarigheid. Dit terwijl verweerder eerder wel van deze gegevens uit ging. Het ligt dan ook op de weg van verweerder het vermoeden van minderjarigheid te ontzenuwen en dus uit te leggen waarom hij uitgaat van deze gegevens en zijn meerderjarigheid. Vooral omdat een dergelijke beslissing eiser zijn positie als asielzoeker benadeelt: hij wordt immers niet langer als minderjarige, maar als meerderjarige asielzoeker beschouwd. Dat heeft gevolgen voor de rechten die hem toekomen. De enkele verklaring, namelijk dat hij een paspoort in Griekenland heeft overgelegd en hij daarmee bescherming heeft gekregen in Griekenland, is dan ook onvoldoende om te kunnen spreken van het ontzenuwen van het vermoeden van minderjarigheid.

13. De rechtbank is daarom van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is. Ook had verweerder gezien de verklaringen van eiser en de medewerkster van Nidos en de afwijkende foto aanleiding moeten zien nader onderzoek te verrichten naar de identiteit van eiser. Verweerder had bijvoorbeeld bij de Griekse autoriteiten stukken kunnen opvragen die ten grondslag liggen aan zijn asielprocedure daar. Daarnaast had verweerder nader onderzoek kunnen doen naar de familieleden van eiser en kunnen nagaan of eiser inderdaad een oudere broer heeft. Ook had verweerder de foto in het paspoort kunnen vergelijken met het uiterlijk van eiser. Dit alles heeft verweerder achterwege gelaten en dat acht de rechtbank onzorgvuldig.

14. Gezien het voorgaande komt de rechtbank dan ook niet toe aan de bespreking van de positie van (zelfredzame) statushouders in Griekenland. Het is immers onduidelijk of de in Griekenland geregistreerde gegevens op eiser zelf zien. Niet alleen is dit relevant voor de vraag of aan eiser daadwerkelijk een asielstatus toekomt in Griekenland, maar ook voor de vraag of hij meerder- of minderjarig is. Volgens het IB 2026/31 wordt bij meerderjarigheid namelijk uitgegaan van zelfredzaamheid en wordt dus verwacht dat hij zich staande kan houden in Griekenland. Hierover dient verweerder eerst opheldering te geven voordat hij de asielaanvraag verder kan beoordelen.

Conclusie

15. Het beroep is gegrond. Verweerder heeft ten onrechte de asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel (artikel 3:2 jo. 3:46 van de Awb). Ook vernietigt de rechtbank het terugkeerbesluit.

16. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder de opdracht nader onderzoek te verrichten naar de identiteit van eiser en dat hij daarbij zijn bevindingen en de verklaringen van eiser inzichtelijk betrekt in het te nemen besluit.

17. Omdat de rechtbank heeft beslist in de hoofdzaak, is er geen reden meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

18. Nu het beroep gegrond is verklaard, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze vergoeding bedraagt op grond van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in samenhangende zaken € 2802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het bestreden besluit - draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-

De voorzieningenrechter:- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. van de Leur, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A. Molenkamp - Lopar, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A. Molenkamp - Lopar

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand