RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.58862
geboren op [geboortedatum] ,
van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.M. Polman),
en
(gemachtigde: mr. L. Ploeger).
Procesverloop
1. Bij besluit van 2 oktober 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Zijn gemachtigde is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het opleggen en voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel rechtmatig is. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Het beroep is ongegrond. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
3. Eiser is op 1 oktober 2026 op Schiphol aangekomen en heeft daar te kennen gegeven een asielaanvraag te willen indienen. De minister heeft op 2 oktober 2026 het besluit over de toegangsweigering uitgesteld en heeft aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd.
4. Op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw kan de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, worden verplicht zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, of in het kader van de toepassing van de Screeningsverordening.
Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vb wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
Verplichte grensprocedure
5. De minister heeft ter zitting aangegeven dat eiser valt onder de in artikel 42, eerste lid, aanhef en onder j, van de Procedureverordening genoemde gevallen en dat daarom eveneens sprake was van een verplichte grensprocedure. Eiser komt immers uit Nigeria en daarbij geldt een Europees inwillingingspercentage van minder dan 20%.
De rechtbank stelt vast dat uit de maatregel niet is gebleken dat de minister een verplichte grensprocedure op grond van artikel 42, eerste lid, aanhef en onder j, van de Procedureverordening heeft toegepast, zodat dit standpunt onvoldoende is gemotiveerd. Uit de maatregel volgt evenmin dat sprake is van een verplichte grensprocedure op grond van artikel 42, eerste lid, aanhef en onder c of j, van de Procedureverordening. Dit laat echter onverlet dat de minister, op grond van artikel 43, eerste lid, van de Procedureverordening ook de grensprocedure kan toepassen in gevallen waarin hij daartoe niet verplicht is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende gemotiveerd dat de grensdetentie in het geval van eiser passend en evenredig is. De rechtbank verwijst in dat kader naar hetgeen hieronder verder wordt overwogen.
Lichter middel
6. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat grensdetentie noodzakelijk en evenredig is.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, waaronder de uitspraak van 2 september 2026, volgt dat door de minister in het grensbewakingsbelang voldoende noodzaak mag worden gezien om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen en dat het bestaan van een onderduikrisico, behalve in het geval de vreemdeling in grensdetentie wordt geplaatst om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, geen vereiste is voor grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Verder heeft de Afdeling in die uitspraak overwogen dat de beoordeling of de minister in grensdetentiezaken met een lichter middel had moeten volstaan niet verder strekt dan de beoordeling of de grensdetentie onevenredig bezwarend is, waardoor de minister van grensdetentie moet afzien.
De rechtbank is van oordeel dat de minister, met de aan eiser gestelde vragen, voldoende heeft onderzocht of grensdetentie voor hem onevenredig bezwarend is. Eiser is tijdens het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel voldoende in de gelegenheid gesteld om zijn eventuele bezwaren tegen de grensdetentie naar voren te brengen. Zo is aan eiser gevraagd om aan te geven wat voor hem de gevolgen van grensdetentie zijn. In reactie hierop heeft eiser verklaard dat hij geen problemen heeft met tijdelijke insluiting. Ook is aan eiser gevraagd of hij medische aandoeningen heeft waarvoor hij (direct) medische hulp nodig heeft en of hij medicijnen gebruikt. Eiser heeft deze vragen ontkennend beantwoord. Ook heeft eiser desgevraagd verklaard dat hij in Nederland en de EU geen (rechtmatig verblijvende) familieleden heeft. De beroepsgrond van eiser dat hij zich coöperatief heeft opgesteld, nu hij zijn identiteit kenbaar heeft gemaakt en beschikt over een Nigeriaanse paspoort, maakt niet dat de grensdetentie onevenredig bezwarend is en dat de minister daarom een lichter middel had moeten opleggen. Hetzelfde geldt voor eisers verklaring dat hij biseksueel is en daarom een asielaanvraag heeft ingediend. Eiser heeft in dit kader niet verklaard dat dit een omstandigheid is die maakt dat de grensdetentie voor hem onevenredig bezwarend is. De enkele stelling dat eiser vanwege zijn biseksualiteit zou behoren tot een kwetsbare groep leidt evenmin tot een ander oordeel, nu niet uit concrete omstandigheden volgt dat de grensdetentie hierdoor voor hem onevenredig bezwarend is. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om eiser erin te volgen dat de minister onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de vraag of grensdetentie onevenredig is. De minister heeft daarom terecht in de maatregel overwogen dat eiser geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die zouden moeten leiden tot de conclusie dat de maatregel onevenredig bezwarend is. De rechtbank volgt eiser, gelet op het voorgaande, niet in het standpunt dat onvoldoende sprake zou zijn geweest van een individuele beoordeling, nu hetgeen eiser heeft verklaard voldoende is meegewogen in de beoordeling.
Onderscheid tussen screeningsfase en asielgrensprocedure
7. Eiser betoogt dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de screeningsfase en de daaropvolgende asielgrensprocedure. De Afdeling heeft in de uitspraak van 2 september 2026 uitdrukkelijk overwogen dat beide fasen niet gelijktijdig kunnen bestaan. De minister dient daarom inzichtelijk te maken op welk exact moment de screening is beëindigd en op welke rechtsgrond vanaf dat moment de vrijheidsontneming heeft voortgeduurd.
De rechtbank ziet in het voornoemde geen aanleiding om de grensdetentie onrechtmatig te achten. Artikel 6, derde lid, van de Vw voorziet in een grondslag voor grensdetentie tijdens zowel de screening als tijdens de asielgrensprocedure. De rechtbank verwijst in dat kader naar de hiervoor onder 6.1. genoemde Afdelingsuitspraak, rechtsoverwegingen 7. en 7.1.
Kwetsbaarheidsbeoordeling
8. Eiser voert aan dat tijdens de screening een voorlopige beoordeling dient te worden verricht van eventuele kwetsbaarheid en bijzondere opvang- of procedurele behoeften. Deze beoordeling moet plaatsvinden door gespecialiseerd en daarvoor opgeleid personeel. Niet is gebleken dat van een dergelijke beoordeling sprake is geweest.
De rechtbank stelt vast dat uit artikel 12, derde lid, van de Screeningsverordening volgt dat tijdens de screening een voorlopige beoordeling van de kwetsbaarheid wordt gemaakt door gespecialiseerd, daartoe opgeleid personeel van de screeningsdiensten. Als er aanwijzingen zijn dat iemand zich in een kwetsbare situatie bevindt of speciale opvang- of procedurele behoeften heeft, krijgt de betrokkene tijdige en passende ondersteuning in een adequate accommodatie met het oog op zijn of haar lichamelijke en geestelijke gezondheid. Uit het vijfde lid volgt dat die voorlopige beoordeling onderdeel kan uitmaken van de procedure tegen de daadwerkelijke beoordeling van de kwetsbaarheid. De rechtbank is van oordeel dat de minister is aangewezen als verantwoordelijke autoriteit om de screening uit te voeren. In de asielgrensprocedure ligt die bevoegdheid bij de Koninklijke Marechaussee (Kmar). Ook uit artikel 16, eerste lid, van de Schengengrenscode volgt dat ambtenaren van de Kmar zijn opgeleid op het gebied van het herkennen van en het omgaan met situaties waarin kwetsbare personen betrokken zijn.
De rechtbank stelt verder vast dat uit het dossier blijkt dat de screening van de kwetsbaarheid heeft plaatsgevonden door een medewerker van de Kmar en dat het voorlopige oordeel is dat eiser geen bijzondere behoeften heeft. De juistheid van die voorlopige conclusie en de deskundigheid van de betreffende Kmar-medewerker kan worden betwist in de asielprocedure. De bewaringsrechter acht zich niet bevoegd om daarover nu een oordeel te geven en kan slechts vaststellen dat de screening van de voorlopige kwetsbaarheid heeft plaatsgevonden en dat daaruit niet naar voren is gekomen dat eiser bijzondere opvangbehoeften heeft. Eiser kan zich zo nodig alsnog wenden tot de medische dienst of een beoordeling laten maken van eventuele detentieongeschiktheid.
Middelenvereiste
9. Eiser betoogt dat de enkele constatering dat hij niet over voldoende middelen van bestaan zou beschikken en het doel of de omstandigheden van het verblijf onvoldoende aannemelijk zou hebben gemaakt, onvoldoende is. Er is niet kenbaar onderzocht hoeveel middelen eiser voor zijn feitelijke verblijf nodig had, noch is nader gevraagd naar zijn onderneming of overige financiële middelen.
Tijdens het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel is aan eiser gevraagd of hij voldoende middelen van bestaan heeft. Eiser is dan ook in de gelegenheid gesteld om hierover te verklaren en heeft aangegeven dat hij 350 Canadese dollars bij zich had en zakenman was in Nigeria. De Kmar-medewerker heeft vervolgens aan eiser uitgelegd dat hij hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij beschikt over inkomen uit arbeid, een uitkering op grond van de Ziektewet, een werkloosheidsuitkering, inkomsten uit arbeid als zelfstandige of inkomsten uit eigen vermogen. Aan eiser is vervolgens medegedeeld dat hij niet voldoet aan de voorwaarden om Nederland in te mogen reizen. In reactie hierop heeft eiser aangegeven dat dit geen probleem is. Gelet op het voorgaande wordt eiser niet gevolgd in de beroepsgrond dat hij nader bevraagd had moeten worden over zijn financiële middelen. De enkele stelling dat eiser zakenman in Nigeria is, acht de rechtbank onvoldoende voor het oordeel dat hij voldoende middelen van bestaan heeft.
Conclusie en gevolgen
10. Ook ambtshalve toetsend is de rechtbank niet gebleken dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is opgelegd of onrechtmatig voortduurt.
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.