ECLI:NL:RBDHA:2026:30487

ECLI:NL:RBDHA:2026:30487

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 16-10-2026
Datum publicatie 16-10-2026
Zaaknummer NL26.61044
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Vervolgberoep vreemdelingenbewaring – zicht op uitzetting – voortvarend handelen – beroep ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.61044

(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),

en

Procesverloop

Met het besluit van 29 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Verweerder heeft een kennisgeving aan de rechtbank gezonden. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Eiser heeft ook verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft het onderzoek op 16 oktober 2026 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.

Beoordeling door de rechtbank

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

2. Uit de uitspraak van 6 augustus 2026 volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek op 5 augustus 2026 rechtmatig was. Daarom ziet de beoordeling nu op het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring sinds 5 augustus 2026.

3. Eiser voert aan dat geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Eiser heeft telefonisch contact gehad met de Egyptische vertegenwoordiging en tijdens dit gesprek heeft de Egyptische vertegenwoordiging meegedeeld dat zij pas iets voor eiser kunnen doen als hij is vrijgelaten. Toen eiser dit tijdens een vertrekgesprek vertelde aan de regievoerder, werd gesteld dat dit waarschijnlijk een standaardreactie is. De maatregel kan nu niet meer dienen als middel tot vertrek, maar staat juist in de weg aan vertrek. Daarnaast ziet eiser niet in om welke redenen verweerder niet op individueel niveau rappelleert. Verder was het aan verweerder om uitleg te vragen bij de Egyptische autoriteiten naar aanleiding van hun weigering om vrijwillig vertrek te faciliteren. Verweerder werkt dan ook niet voortvarend aan eisers uitzetting.

4. Eiser wordt hierin niet gevolgd. Niet is gebleken dat het zicht op uitzetting is komen te ontbreken. Uit de verslagen van de vertrekgesprekken blijkt dat eiser zegt te willen meewerken aan zijn vertrek en dat hij telefonisch contact heeft gehad met de Egyptische ambassade. Hoewel hier bereidwilligheid van de kant van eiser uit kan worden afgeleid, is er geen objectieve onderbouwing voor de conclusie dat de Egyptische autoriteiten niet bereid zouden zijn om mee te werken aan het afgeven van een lp aan eiser. De enkele omstandigheid dat door een ambassademedewerker telefonisch tegen eiser zou zijn gezegd dat zij eerst iets voor hem kunnen betekenen wanneer hij is vrijgelaten uit detentie rechtvaardigt die conclusie namelijk niet. Niet is gebleken van verdere informatie om die conclusie te ondersteunen. Ook de enkele suggestie van de regievoerder dat er waarschijnlijk sprake is van een standaardreactie van de Egyptische vertegenwoordiging biedt geen steun voor het oordeel dat nu moet worden aangenomen dat geen lp voor eiser zal worden afgegeven.

5. Verder handelt verweerder voldoende voortvarend. Uit het voortgangsrapport blijkt op 5 augustus 2026 de lp-aanvraag aan de Egyptische autoriteiten is verzonden en dat op 11 augustus 2026 een kopie-paspoort van eiser uit het CDD is gehaald. Daarnaast heeft verweerder schriftelijk gerappelleerd bij de Egyptische autoriteiten op 20 augustus, 8 september en 30 september en heeft verweerder vertrekgesprekken gevoerd op 4 augustus, 2 september en 1 oktober. Gelet hierop werkt verweerder voldoende voortvarend aan eisers uitzetting.

6. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de maatregel onrechtmatig is.

7. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 16 oktober 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.F.I. Sinack

Griffier

  • mr. W. van Loon

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand