RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.60209
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken),
en
(gemachtigde: mr. C. Ohrtmann).
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 8 oktober 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Grondslag van de bewaring
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en e, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
2. Eiser stelt zich op het standpunt dat de maatregel ten onrechte is gebaseerd op artikel 59b, eerste lid en onder e, van de Vw omdat niet gebleken is dat aan eiser vrijheidsbeperkende maatregelen zijn opgelegd. Verweerder heeft ter zitting verwezen naar het gehoor van eiser en merkt op dat eiser zich in het verleden niet aan de meldplicht heeft gehouden, waardoor een onderduikrisico is vastgesteld.
3. De rechtbank is van oordeel dat niet uit de stukken is gebleken dat er vrijheidsbeperkende maatregelen zijn opgelegd aan eiser. Daarom kan artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw niet worden gebruikt als grondslag van de bewaring. Verweerder heeft in de maatregel echter ook overwogen dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag (b-grond). De rechtbank is van oordeel dat verweerder artikel 59b, eerste lid en onder b, van de Vw terecht ten grondslag heeft gelegd aan de maatregel van vreemdelingenbewaring.
Gronden
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser stelt zich op het standpunt dat gronden c, d en j onvoldoende zijn gemotiveerd. Eiser wijst erop dat grond c wel is gemotiveerd in de maatregel, maar niet aangekruist als van toepassing op deze zaak. Grond d is wel aangekruist, maar niet gemotiveerd. Grond Ook is grond d niet gemotiveerd. Grond j is niet van toepassing, omdat de asielaanvraag van eiser buiten behandeling is gesteld.
Verweerder heeft de gronden d en j ter zitting laten vallen, zodat deze niet langer aan de maatregel ten grondslag liggen. Verweerder heeft grond c gehandhaafd, omdat deze in de maatregel voldoende is gemotiveerd.
De rechtbank stelt vast dat de gronden a, b, r en s, en de motiveringen daarbij, niet zijn betwist. Deze gronden zijn feitelijk juist, blijkt uit de overgelegde stukken. Hieruit volgt dat er een onderduikrisico bestaat. Daarmee wordt de maatregel voldoende gedragen. Daarom is het niet noodzakelijk de overige gronden te bespreken.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 16 oktober 2026 door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.