[eiseres], V-nummer: [V-nummer 1], eiseres,
(gemachtigde: mr. E.H. Bokhorst),
mede namens haar minderjarige kind,
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023, V-nummer: [V-nummer 2],
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. J. Kamphuis).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 6 juli 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep op 25 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, I.D.O. Onwuegbuchu als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Op grond daarvan neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
Toepasselijk recht
5. Op 22 mei 2024 is in het Publicatieblad van de Europese Unie de Verordening (2024/1351) betreffende asiel- en migratiebeheer (AMBV) gepubliceerd. Deze verordening is vanaf 12 juni 2026 van toepassing. Dat volgt uit artikel 85 van de AMBV. Per 12 juni 2026 is ook de Dublinverordening (604/2013) ingetrokken. Dat volgt uit artikel 83 van de AMBV. De AMBV bevat een overgangsbepaling in geval het verzoek om internationale bescherming voor 12 juni 2026 is geregistreerd. Op grond van artikel 84, tweede lid, van de AMBV wordt op basis van de in de Dublinverordening vastgelegde criteria bepaald welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een dergelijk verzoek.
Mag de minister uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
6. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiseres zal bij terugkeer naar Duitsland worden blootgesteld aan een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het EU-Handvest en artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Er is sprake van ernstige en structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangfaciliteiten. Ook is er een toename van racisme, xenofobie en daarmee gepaard geweld richting vluchtelingen en migranten in Duitsland. Het is voor eiseres door het ontbreken van gegarandeerde rechtshulp, de taalbarrière en het gebrek aan een sociale kring bij voorbaat kansloos om over de tekortkomingen te klagen.
De rechtbank overweegt dat de minister in beginsel ten opzichte van Duitsland mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit beginsel betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met internationale verplichtingen zullen behandelen. Daarbij geldt dat de minister alleen dan niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan als eiseres een reëel risico loopt op een onmenselijke en vernederende behandeling en daarmee van schending van artikel 4 van het EU-Handvest en artikel 3 EVRM. Daarbij geldt als maatstaf dat de tekortkomingen in de asiel- en opvangprocedure structureel moeten zijn en de hoge drempel van zwaarwegendheid moeten bereiken. Deze drempel van zwaarwegendheid komt er in de kern op neer dat een persoon buiten zijn wil om in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie terechtkomt. De lidstaat moet daarover bovendien onverschillig zijn. Dit volgt uit het arrest Jawo.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiseres niet heeft onderbouwd en daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in Duitsland ernstige structurele tekortkomingen in de asielprocedure en opvangfaciliteiten zijn waardoor hij niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Dit geldt ook voor eiseres’ stelling dat de minister in haar concrete geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft op 14 februari 2025 over het AIDA rapport 2022 (update april 2023) geoordeeld dat daaruit geen ernstige en structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen in Duitsland volgen. Eiseres verwijst naar het AIDA rapport 2024 (update 2025) en de daar op pagina 177 tot en met 179 geschetste leefomstandigheden in die opvangvoorzieningen. Dit rapport schetst geen wezenlijk ander beeld over de opvangvoorzieningen dan uit het AIDA rapport 2022 (update 2023) blijkt en waarover de Afdeling heeft geoordeeld dat daaruit geen ernstige structurele tekortkomingen volgen. Ook de omstandigheid dat het recht op kosteloze rechtsbijstand in de asielprocedure afhangt van de kans van slagen van die procedure, betekent niet dat er een ernstige tekortkoming is in de asielprocedure. Dat volgt eveneens uit de voornoemde uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2025. Verder kan eiseres bescherming van de Duitse autoriteiten vragen als zij racisme, xenofobie of daarmee gepaard geweld ervaart. De stelling van eiseres dat het voor haar onrealistisch is om te klagen over de opvang- en asielprocedure dan wel bescherming te vragen van de Duitse autoriteiten heeft zij ook niet onderbouwd en daarmee ook niet aannemelijk gemaakt. Datzelfde geldt voor eiseres’ stelling dat zij in Duitsland geen hulp en zorg van de autoriteiten heeft ontvangen en de minister daarom in haar concrete geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Ook die stelling heeft zij niet onderbouwd.
De rechtbank concludeert dat de minister heeft kunnen verwijzen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel en zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ervan kan worden uitgegaan dat Duitsland de internationale verplichtingen nakomt. De minister heeft daarom ook geen aanleiding hoeven zien om daarnaar nader onderzoek te doen. De beroepsgrond slaag niet.
De discretionaire bevoegdheid
7. Artikel 43, eerste lid, van de AMBV, bepaalt dat de draagwijdte van een rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit is beperkt tot een beoordeling van de daar onder a), b) en c) genoemde aspecten. Hieronder valt niet de toepassing van de discretionaire bevoegdheid om een verzoek om internationale bescherming in behandeling te nemen ook al is de lidstaat daartoe niet verplicht. De Afdeling heeft in de uitspraak van 7 oktober 2026 geoordeeld dat het rechtszekerheidsbeginsel en het recht op effectieve rechtsbescherming dat is neergelegd in artikel 47 van het EU Handvest, gelet op artikel 84, tweede lid, van de AMBV zich ertegen verzetten dat de procedureregel in artikel 43, eerste lid, van de AMBV onmiddellijke toepassing vindt in procedures waarin het verzoek om internationale bescherming voor 12 juni 2026 is geregistreerd en de minister de verantwoordelijke lidstaat dus heeft bepaald aan de hand van de in de Dublinverordening neergelegde criteria. De Afdeling vat dit begrip ‘criteria’ ruim op in die zin dat daaronder niet alleen de materiële criteria voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat uit hoofdstuk III van de Dublinverordening in het geval van overname vallen, maar ook de bepalingen over terugname en de discretionaire en procedurele bepalingen, zoals de artikelen 17 en 29 van de Dublinverordening. De rechtbank zal daarom het beroep van eiseres op de discretionaire bevoegdheid als bedoeld in artikel 17 van de Dublinverordening toetsen.
Eiseres voert aan dat zij bij terugkeer naar Duitsland gevaar loopt. Zij heeft in Duitsland iemand ontmoet die haar dreigt te verraden aan haar mensensmokkelaar, waardoor ze vreest dat zij door deze mensensmokkelaar wordt teruggestuurd naar Afrika. Uit angst voor represailles durft eiseres geen beroep te doen op de Duitse autoriteiten. Daarnaast heeft eiseres in Duitsland geen enkele vorm van hulp en ondersteuning ontvangen.
Eiseres heeft niet onderbouwd dat zij gevaar loopt in Duitsland en dat zij daarvoor geen adequate bescherming van de Duitse autoriteiten kan krijgen. Ook als het risico op represailles wordt aangenomen, dan ziet de rechtbank geen aanleiding aan te nemen dat eiseres ook daartegen geen bescherming van de Duitse autoriteiten kan krijgen. Eiseres heeft daarnaast niet onderbouwd dat zij in het algemeen verstoken is geweest van alle hulp en ondersteuning. In dat wat eiseres heeft aangevoerd heeft de minister daarom in redelijkheid geen reden hoeven zien om te oordelen dat sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat hij gebruik had moeten maken van zijn discretionaire bevoegdheid.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en kan worden overgedragen naar Duitsland. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Piksen, rechter, in aanwezigheid van C. Holmond, griffier en uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.