ECLI:NL:RBDHA:2026:30492

ECLI:NL:RBDHA:2026:30492

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-10-2026
Datum publicatie 16-10-2026
Zaaknummer NL26.56551
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

vreemdelingenbewaring, Chavez-Vilchez, rechtmatig verblijf

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.56551

(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),

en

(gemachtigde: mr. E.P.C van der Weijden).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 23 september 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 29 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Inleiding

1. Verweerder heeft bij beschikking van 23 september 2026 de maatregel van vreemdelingenbewaring aan eiser opgelegd. Aan deze maatregel heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijft geniet en het belang van de openbare orde oplegging van de maatregel vordert.

2. Bij beschikking van 27 oktober 2025 is de verblijfsvergunning van eiser ingetrokken en is een inreisverbod voor de duur van 10 jaar opgelegd. Het ingediende bezwaarschrift is bij beschikking van 18 mei 2026 niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft geen beroep ingesteld zodat deze beschikking in rechte vaststaat. In voornoemd besluit heeft verweerder naast de intrekking van de verblijfsvergunning ambtshalve getoetst of eiser voldoet aan de voorwaarden van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 10 mei 2017 in de zaak Chavez-Vilchez, ECLI:EU:C:2017:354. Verder is vermeld dat eiser niet valt onder voorwaarde c en d van het Chavez-beleid (daadwerkelijke zorgtaken en afhankelijkheidsverhouding). Verder is overwogen dat het persoonlijk gedrag van eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving en dat hij om die reden ook indien hij aan de voorwaarden van het Chavez arrest zou voldoen geen aanspraak kan maken op verblijf als gemeenschapsonderdaan als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw.

Standpunten partijen

3. Eiser heeft op 28 september 2026 een verblijfsdocument EU/EER aangevraagd op basis van het Chavez arrest. Eiser meent dat hij vanaf die datum procedureel rechtmatig verblijf geniet op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw en dat de maatregel van bewaring om die reden thans onrechtmatig voortduurt. Eiser verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 12 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2530.

4. Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat eiser met het indienen van de aanvraag om toetsing aan het Unierecht misbruik van recht heeft gemaakt. Daartoe heeft verweerder gewezen op de eerdere, inmiddels rechtens onaantastbare beschikking waarin is beoordeeld of eiser aanspraak kan maken op een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU, gelezen in het licht van het arrest Chavez-Vilchez. In die beschikking is geoordeeld dat eiser, ook indien hij aan de voorwaarden voor een dergelijk verblijfsrecht zou voldoen, vanwege het openbare-ordecriterium daaraan geen verblijfsrecht kan ontlenen. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat de ingediende aanvraag geen aanknopingspunten bevat voor de conclusie dat eiser onder artikel 8, onder e, van de Vw valt. Volgens verweerder dient de bewaring dan ook rechtmatig te worden geacht.

Beoordeling

5. Zoals eiser terecht betoogt, volgt uit de Afdelingsuitspraak van 12 november 2021 dat een aanvraag om toetsing aan het EU-recht procedureel rechtmatig verblijf oplevert als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Uit deze uitspraak volgt verder dat als een vreemdeling een aanvraag om toetsing aan het EU-recht heeft ingediend, een voorgenomen bewaring en een opgelegde bewaring niet op enige wettelijke bepaling kan worden opgelegd of voortgezet. De Afdeling overweegt daarbij dat het aan de wetgever is om desgewenst te voorzien in een wettelijke regeling van bewaring in het geval van vreemdelingen die een aanvraag om toetsing aan het EU-recht hebben ingediend.

Ten aanzien van het primaire standpunt van verweerder dat sprake is van misbruik van recht, oordeelt de rechtbank als volgt. Niet in geschil is dat eiser na zijn inbewaringstelling op 28 september 2026 een verblijfsdocument EU/EER heeft aangevraagd op basis van het Chavez-Vilchez arrest. Van misbruik van recht kan sprake zijn indien aannemelijk is dat de vreemdeling door het indienen van de aanvraag kunstmatig de voorwaarden heeft willen creëren waaronder het recht op procedureel rechtmatig verblijf en daarmee invrijheidsstelling ontstaat, terwijl het doel van de Unieregeling niet wordt bereikt. Het enkele tijdstip waarop de aanvraag is ingediend, bijvoorbeeld tijdens de vreemdelingenbewaring, is daarvoor niet zonder meer voldoende. In het geval van eiser heeft verweerder zijn standpunt dat sprake is van misbruik van recht uitsluitend gebaseerd op de omstandigheid dat in een eerdere, rechtens onaantastbare beschikking reeds aan het arrest Chavez-Vilchez is getoetst en dat daarin is geoordeeld dat eiser vanwege het openbare-ordecriterium geen verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 20 van het VWEU. Daarmee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat eiser met de thans ingediende aanvraag kunstmatig de voorwaarden voor procedureel rechtmatig verblijf heeft willen creëren. Verweerder heeft niet weersproken dat eiser twee minderjarige kinderen heeft die de Nederlandse nationaliteit hebben, dat bij de thans ingediende aanvraag documenten zijn overgelegd, waaronder kopieën van paspoorten, geboorteakten en akten van erkenning. Deze omstandigheden vormen in ieder geval concrete aanknopingspunten voor een mogelijke aanspraak op een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU. Verweerder heeft niet gemotiveerd waaruit, naast de omstandigheid dat de aanvraag tijdens de bewaring is ingediend en er reeds een in rechte vaststaand besluit is ten aanzien van zijn verblijfsrecht, volgt dat eiser met de aanvraag kunstmatig de voorwaarden voor procedureel rechtmatig verblijf heeft willen creëren. Gelet hierop heeft verweerder onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eiser met het indienen van de aanvraag misbruik van recht heeft gemaakt.

Ten aanzien van het subsidiaire standpunt van verweerder dat eiser, gelet op de in rechte vaststaande beschikking, geen procedureel rechtmatig verblijf heeft als gevolg van de door hem ingediende aanvraag om toetsing aan het Unierecht, oordeelt de rechtbank als volgt. Het feit dat de eerdere beschikking rechtens onaantastbaar is geworden, betekent niet dat een nadien ingediende aanvraag om toetsing aan het Unierecht geen procedureel rechtmatig verblijf kan opleveren. Het besluit in de eerdere beschikking, waarin verweerder ambtshalve heeft getoetst of eiser voldoet aan de voorwaarden van het Chavez-Vilchez arrest en tot de conclusie is gekomen dat eiser vanwege het openbare-ordecriterium geen verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 20 van het VWEU, ziet bovendien op de materiële aanspraak op verblijf. Het procedurele verblijfsrecht dat gedurende de behandeling van een aanvraag om toetsing aan het Unierecht bestaat, moet daarvan worden onderscheiden. De eerdere beschikking staat er daarom niet aan in de weg dat de thans ingediende aanvraag, gedurende de behandeling daarvan, procedurele gevolgen heeft.

Gelet op het voorgaande heeft eiser heeft met de indiening van zijn aanvraag van 28 september 2026 procedureel rechtmatig verblijf verkregen als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Dit betekent dat eiser ten tijde van de oplegging dan wel voortduring van de bewaring rechtmatig verblijf had. De bewaring van eiser kan daarom niet worden gebaseerd op artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

Beslissing

6. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is met ingang van 28 september 2026 onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag (2 oktober 2026).

7. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 5 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel

van 5 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 600,-.

8. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-. De rechtbank rekent 1 punt voor de kennisgeving en 1 punt voor het verschijnen op de zitting. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag (2 oktober 2026);

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 600,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Derksen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S.N. Abdoelkadir

Griffier

  • mr. E.F. Derksen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand