ECLI:NL:RBDHA:2026:30498

ECLI:NL:RBDHA:2026:30498

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 16-10-2026
Datum publicatie 16-10-2026
Zaaknummer NL25.9875
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Asiel. Jemen. Lahj. Rekrutering. 15c Kwalificatieverordening. 3 EVRM. Gegrond met instandlating van de rechtsgevolgen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.9875

V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. H.M.A. Breuls)

en

(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers asielaanvraag. Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, maar dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 1 april 2023 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag op 4 februari 2025 afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 4 februari 2025.

Tijdens de beroepsfase heeft de minister aanleiding gezien om eiser nader te horen. Eiser is nader gehoord en op 18 november 2025 is een aanvullend voornemen uitgebracht. Op 30 december 2025 heeft de minister de aanvraag, onder aanvullende motivering, wederom afgewezen als ongegrond. Het beroep heeft ook betrekking op dit aanvullende besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 4 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser komt uit Jemen. Van 2002 tot 2016 heeft hij in Saoedi-Arabië gewoond. Zijn echtgenote en kinderen verbleven die periode wel in Jemen. Eiser reisde veel op en neer. Vanaf 2016 is eiser weer in Jemen, in Lahj, gaan wonen. De stam waar eiser onderdeel van uit maakt vocht tegen de Houthi’s. Eisers vader kreeg het verzoek van de hoofden van de stamleden om samen met zijn zoons, eiser en zijn broer, te gaan vechten voor de STC. Omdat eiser kinderen heeft, heeft eisers vader enkele maanden weten te voorkomen dat eiser mee moest vechten. Uiteindelijk lukte dit niet meer en heeft eisers vader ervoor gezorgd dat eiser kon vluchten. Nadat eiser is gevlucht hebben eisers vader en broer wel voor de STC moeten vechten. Eisers vader is tijdens de gevechten omgekomen en zijn broer is ernstig gewond geraakt. Nadat eisers broer was hersteld moest hij weer meevechten. Eiser vreest dat de STC hem bij terugkeer zal vinden en dat hij ook zal moeten vechten. Daarnaast is het, gelet op het willekeurige geweld, over het algemeen niet veilig in Lahj. Ook zijn de algehele omstandigheden in Jemen heel moeilijk om in te overleven.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

Dat eiser is gerekruteerd door de STC is volgens de minister ongeloofwaardig. De identiteit, nationaliteit en herkomst zijn wel geloofwaardig, maar leveren geen vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer op. In de regio waar eiser vandaan komt, Lahj, is sprake van een hoge mate van willekeurig geweld, maar niet de hoogste gradatie. Dit houdt in dat eiser aannemelijk moet maken dat hij gelet op zijn individuele omstandigheden een reëel voorzienbaar risico loopt om slachtoffer te worden van dit willekeurige geweld. Dit heeft eiser niet gedaan. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.

Vrees rekrutering STC

5. De minister stelt zich op de zitting primair op het standpunt dat in de besluitvorming niet geloofwaardig is dat eiser ook persoonlijk is opgeroepen door het STC om voor hen te vechten. Hij is namelijk niet persoonlijk benaderd. Subsidiair stelt de minister zich op het standpunt dat de vrees voor rekrutering niet aannemelijk is gemaakt.

6. De rechtbank volgt het primaire standpunt van de minister niet. In de besluitvorming is dit niet expliciet opgenomen. Daarbij betrekt de rechtbank dat in de beschikking is opgenomen dat hetgeen onder 1.1. is genoemd in het aanvullend voornemen, namelijk: ‘uw verklaringen komen niet overeen met algemene informatie’ is komen te vervallen. Daarnaast kan de rechtbank dit - in tegenstelling tot het aangevoerde op de zitting - ook niet lezen in de passage van het aanvullend voornemen dat de ‘vrees voor rekrutering ongeloofwaardig is’. Zoals ook op de zitting naar voren is gekomen, is geloofwaardig bevonden dat eisers vader en broer zijn gerekruteerd door de STC. Eveneens is geloofwaardig dat eisers vader vervolgens dankzij gevechten om het leven is gekomen en eisers broer ernstig gewond is geraakt. De rechtbank vindt dat de minister, in het licht van deze geloofwaardig geachte omstandigheden, onvoldoende heeft gemotiveerd dat ongeloofwaardig is dat eisers vader (ook) door de STC is benaderd voor rekrutering van eiser. Dit betekent dat sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank zal dit gebrek passeren omdat de minister, naar het oordeel van de rechtbank, voldoende heeft gemotiveerd dat eisers vrees voor rekrutering bij terugkeer niet aannemelijk is. De rechtbank legt dat hierna uit.

De rechtbank stelt voorop dat zij ex-nunc toetst. Dit betekent dat zij kijkt naar de huidige situatie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers vrees voor rekrutering door de STC niet aannemelijk is. Partijen zijn het eens dat de STC inmiddels is opgeheven. In het gebied waar eiser vandaan komt, Lahj, is de STC niet militair actief. Omdat de STC is opgeheven, is het niet aannemelijk dat eiser bij terugkeer nog gerekruteerd zal worden door de STC. Dat eiser stelt dat dezelfde mensen nog aan de macht zijn, maakt dit niet anders. Uit de stukken volgt dat Lahj op dit moment onder controle staat van de PLC, de internationaal erkende regering. Uit de door eiser aangeleverde informatie volgt weliswaar dat er nog STC-aanhangers aanwezig zijn in Lahj, maar ook dat zij geen militaire dreiging meer vormen. Niet valt in te zien dat eiser desondanks bij terugkeer gerekruteerd zou worden door de STC. Daarbij zijn er geen stukken aangeleverd waaruit volgt dat eiser bij terugkeer door de PLC gerekruteerd zou worden.

Beoordeling artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatieverordening

Juridisch kader

7. Als gevolg van het arrest X en Y van het Hof van Justitie van de Europese Unie, en de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024 over dit arrest, nam de minister in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn verschillende gradaties van willekeurig geweld aan. De drie gradaties zijn:

uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld;

relatief hoger niveau van willekeurig geweld;

relatief lager niveau van willekeurig geweld.

Artikel 15 van de Kwalificatieverordening komt overeen met ditzelfde artikel in de Kwalificatierichtlijn en hieraan moet daarom voor zover voor deze uitspraak relevant dezelfde uitleg worden gegeven.

Vanaf 2016 gold voor Jemen in het beleid van de minister het hoogste niveau van willekeurig geweld. In WBV 2024/9 heeft de minister dit niet langer aangenomen en is, mede naar aanleiding en met toepassing van het arrest X en Y, bepaald dat voor Jemen de middelste gradatie van willekeurig geweld geldt: een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. In dit beleid werd geen onderscheid per regio gemaakt.

De Afdeling is in de uitspraak van 16 juli 2025 ingegaan op dit beleid en heeft geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen niet langer sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15c, van de Kwalificatierichtlijn. De minister heeft volgens de Afdeling niet alle relevante omstandigheden in zijn beoordeling betrokken, namelijk:

slachtoffers als gevolg van landmijnen en explosieve oorlogsresten;

de recente confrontaties;

het verhoogde percentage ontheemden als direct gevolg van het gewapende conflict in Jemen; en

de humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlands gewapende conflict in Jemen.

Op het moment van genoemde Afdelingsuitspraak was het Algemeen Ambtsbericht Jemen 2025 al uitgebracht. De Afdeling heeft de minister opgedragen de nieuwe beoordeling te maken met inachtneming van dit nieuwe ambtsbericht. In de Kamerbrief van 8 oktober 2025 heeft de minister naar aanleiding van het ambtsbericht van april 2025 en de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 de wijzigingen in het landenbeleid over Jemen uiteengezet. De wijzigingen zijn opgenomen in WBV 2025/20. De minister heeft daarin wel een onderscheid gemaakt per regio en geeft aan dat onder andere in de provincie Lahj sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld.

Heeft de minister voldoende gemotiveerd dat in Lahj een relatief hoger niveau van willekeurig geweld geldt?

8. Eiser stelt dat de minister in het besluit van 30 december 2025, in het kader van 15c, geen rekening heeft gehouden met de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025. Er is niet nader gemotiveerd waarom er in Lahj sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld en niet het uitzonderlijke niveau van willekeurig geweld. Ook zijn de humanitaire omstandigheden volgens eiser niet bij de beoordeling betrokken. Daarnaast wijst eiser, naar aanleiding van het verweerschrift, op een uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, waarin is geoordeeld dat het benoemen van de door de Afdeling genoemde aspecten niet voldoende is. Ook moet duidelijk worden hoe deze elementen zijn gewogen.

De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat in het bestreden besluit geen rekening is gehouden met de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025. De minister is in het besluit uitgegaan van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld, maar niet is gemotiveerd waarom van deze gradatie is uitgegaan. Om die reden bevat het besluit een motiveringgebrek en is het beroep dan ook gegrond. In het verweerschrift van 1 juni 2026 heeft de minister een aanvullende motivering gegeven waarin de door de Afdeling genoemde aspecten alsnog zijn betrokken. De rechtbank zal beoordelen of de rechtsgevolgen van het besluit, waarbij de inhoud van het verweerschrift en hetgeen is besproken op de zitting worden meegewogen, in stand kunnen blijven.

De minister heeft erop gewezen dat hij bij zijn beoordeling niet alleen de aantallen dodelijke slachtoffers van geweld in verhouding tot de totale bevolking heeft betrokken, maar ook de humanitaire omstandigheden en op welke wijze deze beïnvloed werden door methoden van oorlogsvoering. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat het zorgelijk is dat veel mensen in Jemen afhankelijk zijn van humanitaire hulp zowel in het door de regering gecontroleerde gebied als in Houthi-gebied. Uit het Algemeen Ambtsbericht Jemen 2025 volgt echter ook dat met name de Houthi’s oorlog bewust gebruikten om de humanitaire situatie te verslechteren in frontlinies, regio’s onder eigen controle en indien mogelijk regeringsgebieden. Lahj wordt in het laatste ambtsbericht genoemd als één van de provincies die het meest met voedselonzekerheid kampen. In 2024 heeft een lichte verbetering plaatsgevonden voor wat betreft de toegankelijkheid van humanitaire hulp. Hoewel intimidaties hiertegen plaatsvinden, blijkt uit het ambtsbericht wel dat in Jemen mensenrechtenorganisaties actief zijn. Hieruit volgt dat de humanitaire hulp niet non-existent is of de hulp in zijn geheel geweigerd wordt. Uit de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025 volgt dat met name de zuidelijke provincies, waar Lahj onder valt, over het geheel genomen betere toegang hebben tot hulporganisaties. Ook is beoordeeld op welke wijze de humanitaire omstandigheden werden beïnvloed door de oorlogsvoering. Zo is betrokken hoe deze methoden van invloed waren op de voedselproductie en infrastructuur. Daarbij komt dat de minister ook nog is nagegaan of er relevante wijzigingen in de veiligheidssituatie van Lahj zijn geweest. Zoals volgt uit het arrest CF en DN moeten de relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en dat heeft de minister conform de opdracht van de Afdeling van 16 juli 2025 naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate gedaan. De rechtbank is met de meervoudige kamer van deze zittingsplaats, van oordeel dat de minister met de aanvullende motivering in voldoende mate alle relevante feiten en omstandigheden heeft meegewogen die van belang zijn voor de beoordeling van de mate van willekeurig geweld in, in dit geval, Lahj, Jemen.

De rechtbank oordeelt dat de minister op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat de landeninformatie in onderlinge samenhang bezien onvoldoende grond biedt voor het standpunt dat in de provincie Lahj sprake is van het hoogste niveau van willekeurig geweld. Daarbij is de minister in het verweerschrift ingegaan op de actuele situatie in Lahj, waaronder de veiligheidssituatie en veiligheidsstructuur, de aard van het geweld, ontplofbare resten en mijnen, binnenlandse ontheemden en de humanitaire omstandigheden. Wat eiser daartegen heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Hiertoe overweegt de rechtbank dat eiser enkel verwijst naar uitspraken van andere zittingsplaatsen waarin een ander oordeel is gegeven zonder nadere toelichting waarom dat ook in dit geval geldt.

Bovenstaande betekent dat de minister uit mag gaan van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. Dit houdt in dat eiser op basis van zijn individuele omstandigheden aannemelijk moet maken waarom juist hij specifiek een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van de hoge mate van willekeurig geweld ten opzichte van andere burgers.

Heeft de minister de door eiser naar voren gebrachte individuele omstandigheden voldoende getoetst?

9. Eiser stelt dat hij gelet op zijn individuele omstandigheden een reëel voorzienbaar risico loopt om slachtoffer te worden van het willekeurige geweld. Zijn jongste dochter is slechts vijf jaar oud, hierdoor is hij kwetsbaarder. Daarnaast is eiser werkzaam als chauffeur zodat hij reisbewegingen maakt.

De minister stelt zich in het bestreden besluit onder meer op het standpunt dat dit geen risico verhogende omstandigheden zijn, omdat eiser zich kan onttrekken aan het willekeurige geweld door zich op een andere plek in Jemen te vestigen. Op de zitting is desgevraagd aangegeven dat dit geen tegenwerping is van een vestigingsalternatief en ten overvloede is opgenomen. De rechtbank zal dit daarom niet betrekken in de beoordeling. Daarmee heeft de minister, naar het oordeel van de rechtbank, in de besluitvorming onvoldoende gemotiveerd waarom de individuele omstandigheden van eiser niet leiden tot een verhoogd risico op willekeurig geweld bij terugkeer naar Lahj. Dit betekent dat sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet wel aanleiding om de rechtsgevolgen ook op dit punt in stand te laten en legt dat hierna uit.

De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft gesteld dat eiser met het enkel benoemen dat hij een jonge dochter heeft en als chauffeur werkt niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een verhoogd risico loopt om te worden geraakt door willekeurig geweld. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat vaders van jonge kinderen in Lahj vaker het slachtoffer worden van willekeurig geweld. Of dat hij door zijn dochter naar plaatsen toe moet waar vaker willekeurig geweld voorkomt. Ook enkel het zijn van chauffeur is onvoldoende. De Afdeling heeft geoordeeld dat de minister bij de beoordeling van een verhoogd risico als bedoeld in 15c, rekening moet houden met elementen die eigen zijn aan het beroepsleven van een vreemdeling. Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij als chauffeur vaker op plekken komt waar willekeurige beschietingen of andere vormen van willekeurig geweld plaatsvinden. Daarbij heeft eiser ook niet verklaard dat hij in het verleden bij zijn werkzaamheden als chauffeur problemen heeft ondervonden. De minister heeft dan ook terecht gesteld dat eiser op basis van zijn individuele omstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt dat juist hij specifiek een reëel risico loopt om slachtoffer

te worden van de hoge mate van willekeurig geweld ten opzicht van andere burgers.

3 EVRM

10. Eiser stelt dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat er geen sprake is een schending met artikel 3 van het EVRM bij terugkeer, hij verwijst daartoe in algemene zin naar het arrest Sufi en Elmi. In het bestreden besluit wordt bij de 3 EVRM-toets benoemd dat de persoonlijke omstandigheden van eiser niet als risico-verhogende omstandigheden in het kader van willekeurig geweld gelden. Dit is volgens eiser niet de juiste toets.

De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden waarin de humanitaire gronden tegen uitzetting dwingend zijn. Hoewel sprake is van een slechte humanitaire situatie, zoals ook weergegeven onder 8.2., zijn hulporganisaties in Jemen aanwezig en is de toegankelijke hulp verbeterd. Daarnaast is eiser een volwassen man, die in Jemen heeft gewerkt als chauffeur en op dit moment in Nederland ook werkt, waarvan verwacht mag worden dat hij zichzelf staande kan houden bij terugkeer naar Jemen. Zijn familie woont eveneens nog in Jemen. Daarom is er geen sprake van een situatie als bedoeld in het arrest Sufi en Elmi en slaagt deze grond niet.

Conclusie en gevolgen

11. Gelet op hetgeen onder 8.1. en 9.1. is beschreven is het beroep gegrond omdat het besluit in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet deugdelijk is gemotiveerd. De besluiten worden vernietigd. De rechtbank laat wel de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand, omdat de minister de motiveringsgebreken in beroep heeft hersteld.

12. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een proceskostenvergoeding. Deze vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 2.335,--.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand