ECLI:NL:RBDHA:2026:3055

ECLI:NL:RBDHA:2026:3055

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 12-02-2026
Datum publicatie 17-02-2026
Zaaknummer 09/072772-24 en 16/094987-25 (ttz. gev.)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Jeugdstrafrecht. Veroordeling voor diefstal met geweld in vereniging, poging tot afpersing in vereniging en meermaals belediging van een ambtenaar in functie. De verdachte heeft zich op veertienjarige leeftijd samen met een ander schuldig gemaakt aan een overval op een supermarkt. Daarnaast heeft zij op vijftienjarige leeftijd meerdere politieagenten uitgescholden. Jeugddetentie van 330 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 42 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en bijzondere voorwaarden opgelegd. Geen oplegging PIJ-maatregel - ondanks zorgelijke problematiek van de verdachte - omdat niet van een ernstig recidiverisico is gebleken.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummers: 09/072772-24 en 16/094987-25 (ttz. gev)

Datum uitspraak: 12 februari 2026

Tegenspraak

Vonnis (vul parketnummer in)van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] (hierna: de verdachte),

geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres 1] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzittingen van 1 mei 2025, 31 juli 2025, 23 oktober 2025, 6 november 2025 en ten slotte 29 januari 2026 (inhoudelijke behandeling).

De officier van justitie in deze zaak is mr. K. van Diemen en de raadsvrouw van de verdachte is mr. K. Elema. De verdachte is op de terechtzitting van 29 januari 2026 verschenen.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd:

onder parketnummer 09/072772-24 (hierna: dagvaarding I)

- (1) diefstal met geweld, in vereniging gepleegd, op 1 maart 2024 in Voorburg;

- (2) poging tot afpersing, in vereniging gepleegd, op 1 maart 2024 in Voorburg;

onder parketnummer 16/094987-25 (hierna: dagvaarding II)

- belediging van een ambtenaar in functie, meermaals gepleegd, op 26 maart 2025 in Houten.

De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich namens de verdachte aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank zal voor de feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezenverklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en).

Ten aanzien van dagvaarding I

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2024066137, van de politie eenheid Den Haag, district Zoetermeer – Leidschendam-Voorburg, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 130).

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 29 januari 2026;

2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , namens Hoogvliet ( [wijk] ), gevestigd aan de [adres 2] , opgemaakt op 1 maart 2024 (p. 80-81);

3. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , opgemaakt op 1 maart 2024 (p. 84-86);

4. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , opgemaakt op 1 maart 2024 (p. 87-88);

5. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] , opgemaakt op 1 maart 2024 (p. 89-90);

6. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 1 maart 2024 (p105-116);

7. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , opgemaakt op 1 maart 2024 (p. 128-130).

Ten aanzien van dagvaarding II

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 29 januari 2026;

2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 27 maart 2025 (proces-verbaalnummer 250326-1752-954);

3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 27 maart 2025 (proces-verbaalnummer PL0900-2025096663-10);

4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 27 maart 2025 (proces-verbaalnummer PL0900-202509663-5).

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot de tenlastegelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

dagvaarding I

1

zij op 1 maart 2024 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, tezamen en in vereniging met een ander, geld, dat aan de Hoogvliet (locatie [locatie] ) toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [getuige 1] en [getuige 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door- met haar medeverdachte, en ieder met een mes en gezichtsbedekking, naar die supermarkt te gaan en die supermarkt binnen te gaan, en- die [getuige 1] en [getuige 2] een mes dreigend voor te houden en in diens richting te bewegen en te tonen en op de toonbank te tikken, en- daarbij tegen die [getuige 1] en [getuige 2] te zeggen: "geef me het geld" en "nu die ander", althans woorden van gelijke aard of strekking, en

- vervolgens het geld uit de kassalades te pakken;

2zij op 1 maart 2024 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en haar mededader voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [getuige 3] , caissière bij de Hoogvliet (locatie [locatie] ) te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, dat aan die Hoogvliet toebehoorde- zich gezamenlijk naar die Hoogvliet hebben begeven en binnen zijn gegaan met ieder een mes en gezichtsbedekking en- aldaar die [getuige 3] heeft benaderd, en- die [getuige 3] en [aangever 2] een mes dreigend voor heeft gehouden en heeft getoond en in diens richting heeft bewogen en - tegen die [getuige 3] heeft gezegd "geef al je geld", althans woorden van gelijke aard of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

dagvaarding II

zij op 26 maart 2025 te Houten opzettelijk ambtenaren, te weten [naam 1] (inspecteur bij de politie eenheid Midden-Nederland), [naam 2] (hoofdagent bij de politie eenheid Landelijke Expertise en Operaties) en [naam 3] (hoofdagent bij de politie eenheid Midden-Nederland), gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hun de woorden toe te voegen: "Je moet je kankerbek houden", "stelletje kankermongolen", "jullie moeten je kankerbek houden", "je kankermoeder" en "Je kankermoeder, ik hoop dat je kankermoeder geneukt wordt door drie lullen", althans woorden van gelijke beledigende aard of strekking.(vul de feitaanduidingen in)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 342 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel) voorwaardelijk wordt opgelegd, dat hieraan de bijzondere voorwaarden die door de Raad van de Kinderbescherming (hierna: de Raad) zijn geadviseerd – met uitzondering van het contactverbod – worden gekoppeld en dat deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht af te zien van oplegging van de PIJ-maatregel, omdat niet aan de wettelijke eisen voor oplegging is voldaan. Daarnaast is verzocht om een deels voorwaardelijke jeugddetentie, met daaraan verbonden de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden, op te leggen, met dien verstande dat in de bijzondere voorwaarden wordt opgenomen dat een klinisch behandeltraject pas wordt opgestart nadat een ambulant behandeltraject is geprobeerd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich op veertienjarige leeftijd samen met een ander schuldig gemaakt aan een overval op een supermarkt. De verdachte en de mededader zijn, beide met gezichtsbedekking op, de supermarkt binnengegaan en hebben vervolgens het aanwezige supermarktpersoneel met grote messen bedreigd. Voor het plegen van deze overval was van tevoren een plan gemaakt. Zo waren de messen kort vooraf uit een andere winkel gestolen en is er, met het oog op een eventueel signalement, bewust andere kleding aangetrokken. Toen de verdachten eenmaal in de supermarkt waren, zijn zij ieder hun eigen weg gegaan. De verdachte is naar de servicebalie gegaan, toonde een mes aan de caissières en vroeg hen om de kassa’s te openen. Vervolgens heeft zij uit twee verschillende kassalades geld gepakt. De mededader is naar een andere kassa gegaan en heeft daar geprobeerd om, onder bedreiging van een mes, de caissière te dwingen geld af te geven. Nadat het de verdachte was gelukt om geld buit te maken, heeft de mededader haar actie gestaakt en zijn zij samen de supermarkt uitgerend. De verdachte en de mededader hebben de medewerkers van de supermarkt en het aanwezige winkelpubliek enorme angst bezorgd. Uit het dossier blijkt dat de bedreigde winkelmedewerkers zeer angstige momenten hebben beleefd en dat de overval een grote impact op hen heeft gehad.

Daarnaast heeft de verdachte meerdere politieagenten beledigd, omdat zij het niet eens was met hun aanwijzingen en de aanhouding die volgde doordat zij die aanwijzingen negeerde. Dat getuigt van een gebrek aan respect voor de openbare orde, de betrokken politieagenten en het publieke belang dat zij dienen.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 3 november 2025 en constateert dat de verdachte niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld. Wel is de verdachte op 12 augustus 2025 onherroepelijk voor een ander strafbaar feit veroordeeld, waardoor artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Redelijke termijn

De redelijke termijn waarbinnen een jeugdstrafzaak moet zijn afgedaan bedraagt zestien maanden. In dit geval is de termijn aangevangen met de inverzekeringstelling van de verdachte op 2 maart 2024 en is de termijn op het moment van de einduitspraak dus met (ruim) zeven maanden overschreden. Deze overschrijding valt voor een deel te wijten aan het gedrag van de verdachte, aangezien zij niet was verschenen voor de geplande inhoudelijke behandeling van de zaak op 23 oktober 2025. Al met al zal de rechtbank de overschrijding van de redelijke termijn in beperkte mate in strafverminderende zin laten meewegen.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van meerdere rapporten van de Raad, waarvan de meest recente op 15 januari 2026 is uitgebracht. Op de terechtzitting van 29 januari 2026 heeft de Raad haar advies toegelicht. Volgens de Raad is zonder passende behandeling het risico op recidive groot. Als risicofactoren ziet de Raad dat de verdachte zich al langere tijd niet aan afspraken houdt, dat zij geen dagbesteding heeft en dat zij een problematische vrijetijdsbesteding heeft. Daarnaast ervaart de verdachte veel moeite met het omgaan met emoties, handelt ze (mogelijk door haar autismespectrumstoornis) impulsief en grensoverschrijdend, en ziet ze de gevolgen van haar handelen onvoldoende in. Hoewel de moeder van de verdachte betrokken is bij de ontwikkeling van de verdachte en zowel zij als de verdachte positief tegenover hulpverlening staat, weegt dit volgens de Raad niet op tegen de hiervoor genoemde risicofactoren. Al met al is de Raad van oordeel dat met behandeling binnen een klinische setting, zoals ggz-kliniek [instelling] , de meest passende behandeling kan worden geboden. Deze behandeling dient, gelet op de ernst en aard van de door de verdachte gepleegde overval, binnen het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel te worden opgelegd. Eerder heeft de Raad (in plaats van behandeling binnen een klinische setting) een ambulant behandeltraject aanbevolen, maar dat wordt inmiddels als een gepasseerd station gezien. De verdachte is kort na dat advies namelijk weer van huis weggelopen en heeft zich dus wederom niet aan afspraken gehouden. Opname van de verdachte in een ggz-kliniek biedt volgens de Raad een mate van geslotenheid die kan voorkomen dat de verdachte wegloopt of zich op een andere manier aan de behandeling onttrekt.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de Pro Justitia-rapporten van GZ-psycholoog M. Westra-Smit van 12 september 2025 en (kinder- en jeugd)psychiater I.T.M. Nurmohamed van 15 september 2025. De deskundigen zijn ter terechtzitting gehoord. Uit hun rapporten en de ter zitting gegeven toelichting daarop volgt – kort samengevat – dat de verdachte een autismespectrumstoornis, een normoverschrijdende gedragsstoornis en een stoornis in cannabisgebruik heeft. Daarnaast is er sprake van problematiek in de impulscontrole, emotieregulatie en prikkelverwerking en (ten gevolge van al deze problematiek) een ouder-kindrelatieprobleem. De genoemde stoornissen hebben de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte tijdens het begaan van de strafbare feiten beïnvloed en daarom wordt aangeraden om het bewezenverklaarde in verminderde mate toe te rekenen. Zonder passende behandeling voor de stoornissen wordt het recidiverisico als hoog ingeschat. In de rapporten wordt geadviseerd om, binnen het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel, aan de verdachte een intensief ambulant behandeltraject op te leggen. Op de terechtzitting van 29 januari 2026 heeft zowel de psycholoog als psychiater echter naar voren gebracht dat – aansluitend op het (laatste) advies van de Raad – inmiddels een klinische behandeling binnen [instelling] meer aangewezen wordt geacht dan een ambulant behandeltraject. Volgens hen kunnen de stoornissen van de verdachte, die de grondslag voor haar delictgedrag vormen, binnen [instelling] het meest effectief worden behandeld.

De rechtbank volgt de conclusies en overwegingen van de deskundigen voor wat betreft de toerekeningsvatbaarheid. De verdachte zal daarom verminderd toerekeningsvatbaar worden verklaard. De rechtbank houdt hier rekening mee bij de op te leggen straf.

Tot slot heeft de rechtbank ook kennisgenomen van schriftelijke adviezen van de jeugdbescherming, waarvan de meest recente op 18 augustus 2025 is uitgebracht. Op de terechtzitting van 29 januari 2026 is namens de gecertificeerde instelling SAVE Utrecht toegelicht dat de instantie het met het (laatste) advies van de Raad eens is.

De verdachte heeft op zitting aangegeven dat het de laatste tijd beter met haar gaat. Zij vindt de eventuele (consequenties van) oplegging van een voorwaardelijke PIJ-maatregel spannend, maar is wel gemotiveerd voor een behandeling in [instelling] . Daartegenover vinden zij en haar moeder dat – buiten de schuld van de verdachte – ambulante behandeling of begeleiding tijdens de schorsingsperiode van de verdachte nooit goed van de grond is gekomen. Het voelt voor hen daarom oneerlijk dat dat nu door de deskundigen als een gepasseerd station wordt gezien.

PIJ-maatregel

Uit artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) volgt dat oplegging van een PIJ-maatregel slechts mogelijk is indien bij de verdachte ten tijde van het begaan van het misdrijf sprake was een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en (onder andere) sprake is van veroordeling voor een misdrijf waarop wettelijk een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Aan die voorwaarden is in dit geval voldaan.

Daarnaast dient de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen. Om vast te stellen of aan deze voorwaarde is voldaan, dient de rechtbank de ernst van de begane feiten en (de veelvuldigheid van) eerdere veroordelingen in aanmerking te nemen. De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat onvoldoende is gebleken van een ernstig recidivegevaar dat oplegging van de PIJ-maatregel rechtvaardigt en overweegt hiertoe als volgt.

De verdachte heeft op 1 maart 2024 een winkeloverval gepleegd en dat is een zeer ernstig feit. Zij was op dat moment veertien jaar oud. Daarvoor is zij niet met justitie in aanraking gekomen. Inmiddels is dit feit bijna twee jaar geleden. Vervolgens heeft de verdachte in voorlopige hechtenis gezeten, die een aantal malen is geschorst; de schorsing is vervolgens ook een aantal malen weer opgeheven. In die periode heeft de verdachte vijf maal, ogenschijnlijk vanuit impulsief handelen, haar schorsingsvoorwaarden overtreden. Hierbij ging het vooral om het niet nakomen van afspraken, maar één keer was er sprake van het plegen van een nieuw strafbaar feit: het meermaals beledigen van een ambtenaar in functie. De verdachte heeft dus sinds de overval geen nieuwe geweldsfeiten gepleegd.

Desalniettemin baart het gedrag van de verdachte zowel de rechtbank als de deskundigen grote zorgen. In de rapporten komt een beeld naar voren van ernstige persoonlijkheidsproblematiek en zorgen omtrent de impulsiviteit en het gedrag van de verdachte. Deze zorgen zijn echter, naar het oordeel van de rechtbank, vooral op de persoon van de verdachte gericht. Dat er ernstig gevaar voor herhaling van soortgelijke ernstige strafbare feiten is, of grote zorgen over de veiligheid van anderen, is naar het oordeel van de rechtbank – ondanks de zorgen over de ontwikkeling van de verdachte – niet aannemelijk geworden, althans niet in een zodanige mate dat oplegging van een PIJ-maatregel aan de orde is. De PIJ-maatregel is uitdrukkelijk een strafrechtelijke maatregel, die uitsluitend kan worden opgelegd als dit noodzakelijk is voor de veiligheid van anderen. De rechtbank onderkent het belang dat de verdachte een behandeling gaat volgen ten behoeve van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de verdachte en om de kans op recidive zo klein mogelijk te maken, maar is van oordeel dat niet is gebleken dat de verdachte sinds het plegen van de winkeloverval dermate ernstig delinquent gedrag heeft vertoond dat de veiligheid van anderen of goederen oplegging van de PIJ-maatregel eist. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de PIJ-maatregel de zwaarste sanctie is binnen het Nederlandse jeugdstrafrecht en dat oplegging daarvan – ook in voorwaardelijke zin – de consequentie van jarenlange vrijheidsbeneming van de verdachte tot gevolg kan hebben. Dit acht de rechtbank voor deze verdachte niet passend. De rechtbank onderkent dat het moeilijk kan en zal zijn om voor de verdachte een kader te vinden waarbinnen de noodzakelijke behandeling afgedwongen kan worden. Voor de hand ligt echter toch om dat in een civielrechtelijk kader te doen. Het gegeven dat dat ingewikkeld is, bijvoorbeeld omdat de verdachte op veel (opvang- of behandel)plekken niet welkom is, rechtvaardigt echter niet de oplegging van deze zware strafrechtelijke maatregel, hoezeer vanuit een oogpunt van zorgen over de verdachte dat een begrijpelijke gedachte is. De rechtbank zal daarom niet overgaan tot oplegging van een (voorwaardelijke) PIJ-maatregel.

LOVS-oriëntatiepunten

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS). Daarin is bij minderjarigen als uitgangspunt vermeld bij een winkeloverval een jeugddetentie voor de duur van minimaal vier maanden. In dit geval acht de rechtbank strafverhogend dat er sprake is geweest van medeplegen, dat de verdachte berekenend te werk is gedaan, dat de verdachte een leidinggevende rol heeft gehad, dat veel winkelpubliek van de overval getuige is geweest en dat tijdens de overval messen zijn getoond en vermommingen zijn gedragen.

De op te leggen straf

Bij het vaststellen van de op te leggen straf heeft de rechtbank onder andere rekening gehouden met de vraag hoe behandeling van de verdachte voor haar stoornissen en problematiek het best kan worden vormgegeven. De deskundigen hebben hieromtrent geadviseerd om voor een klinische behandeling in [instelling] te kiezen. Hierbij is de verwachting dat de verdachte rond eind maart of begin april 2026 in [instelling] kan worden geplaatst. Ter terechtzitting is door de deskundigen voorgesteld dat de rechtbank kan bepalen dat de verdachte tot eind maart of begin april 2026 gedetineerd blijft om zo de periode tot plaatsing in [instelling] te overbruggen. Dit zou echter betekenen dat de rechtbank een onvoorwaardelijke jeugddetentie van minimaal elf maanden moet opleggen. Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden vindt de rechtbank vrijheidsbeneming van zo’n lange duur buitenproportioneel.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een deels voorwaardelijke jeugddetentie, waarbij het onvoorwaardelijke strafdeel gelijk is aan de tijd die al door de verdachte in voorarrest is doorgebracht, recht doet aan de ernst van de gepleegde feiten en de overige omstandigheden van het geval. De rechtbank acht daarom een jeugddetentie van 330 dagen, waarvan 42 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden. De rechtbank vindt een voorwaardelijk strafdeel passend, enerzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en anderzijds om in het kader van oplegging van bijzondere voorwaarden behandeling van de verdachte voor haar problematiek te bewerkstelligen. De rechtbank kiest voor een proeftijd van twee jaar, omdat sprake is van een jeugdige verdachte die naar het oordeel van de rechtbank bij langdurige begeleiding gebaat is.

Uit de straf die de rechtbank zal opleggen, volgt onvermijdelijk dat de verdachte in vrijheid zal worden gesteld voordat zij in [instelling] kan worden geplaatst. Gelet hierop acht de rechtbank het aangewezen om als bijzondere voorwaarde op te nemen dat de verdachte ambulante behandeling voor haar stoornissen en problematiek zal ontvangen. Daarbij acht de rechtbank het, voor een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de verdachte en om het recidiverisico in te perken, dringend noodzakelijk dat de verdachte deze behandeling zo snel mogelijk ontvangt. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 77z Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 77aa Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn. Het bestaande recidiverisico mag dan onvoldoende zijn om tot oplegging van de PIJ-maatregel te komen, maar dat neemt niet weg dat het wel van voldoende ernst is om de dadelijke uitvoerbaarheid van het – minder ingrijpende – voorwaardelijke kader te rechtvaardigen.

Zoals hiervoor overwogen, zal de verdachte in vrijheid worden gesteld en zo snel mogelijk ambulante behandeling, in afwachting van een eventuele plaatsing in [instelling] , moeten krijgen. De rechtbank dient dan ook rekening te houden met het scenario dat de verdachte (tot de beoogde plaatsing in [instelling] rond eind maart of begin april 2026) met behulp van de ambulante behandeling een positieve ontwikkeling zal doormaken. Door in zo’n geval zonder enig voorbehoud de klinische behandeling van de verdachte in [instelling] te bevelen, ontstaat er het risico dat de ingezette positieve ontwikkeling van de verdachte wordt doorkruist. Daarom zal de rechtbank als bijzondere voorwaarde opnemen dat de verdachte pas in [instelling] (of een soortgelijke klinische voorziening) zal worden geplaatst zodra de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht. Dat kan onder meer het geval zijn als de verdachte niet meewerkt aan de ambulante behandeling, daarvan onvoldoende profiteert, zich daaraan onttrekt of zich – naar het oordeel van de jeugdreclassering – onvoldoende inzet. De verdachte moet zich realiseren dat zij in dit opzicht niet veel eisen kan stellen aan de gecertificeerde instelling, gezien het feit dat zij al veel kansen heeft gehad en van haar nu wordt verwacht dat zij overal aan gaat meewerken. De rechtbank houdt er rekening mee dat de eventuele opname bij [instelling] mogelijk lang kan duren, maar vindt dat deze voorwaarde in overeenstemming is met de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit, gelet op de ernst van de feiten, de ernst van de problematiek van de verdachte en het feit dat eerdere (civiele) hulpverleningstrajecten onvoldoende van de grond zijn gekomen. Daarbij merkt de rechtbank op dat ook de advocaat van de verdachte heeft verzocht de betreffende voorwaarde op te nemen in het kader van een deels voorwaardelijke jeugddetentie, en de verdachte zelf heeft toegelicht dat zij openstaat voor een opname bij [instelling] . Verder zal de rechtbank ook de overige bijzondere voorwaarden die door de Raad zijn geadviseerd – met uitzondering van het locatieverbod en het contactverbod – overnemen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor oplegging van een locatie- of contactverbod, omdat de verdachte heeft verklaard dat zij de bij de overval betrokken winkelmedewerkers niet zou kunnen herkennen en het is ook niet aannemelijk geworden dat andersom de winkelmedewerkers de verdachte – die ten tijde van de overval vermomd was – zouden kunnen herkennen. Daarnaast is er ook geen aanleiding om te vermoeden dat de verdachte, die inmiddels elders in het land woont, nog naar de betrokken supermarkt zou gaan.

7. De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Hoogvliet B.V. heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een schadevergoeding van € 1.697,52,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.367,92 en tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair verzocht tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij. Subsidiair is verzocht tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.367,92 en tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige.

Het oordeel van de rechtbank

Niet-ontvankelijkverklaring benadeelde partij

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, omdat aan de hand van het dossier niet kan worden vastgesteld of de vordering door een daartoe gerechtigd persoon is ingediend. In de vordering is de persoon [aangever 1] als vertegenwoordiger van Hoogvliet B.V. aangeduid, maar de vordering is door een ander persoon – [naam 4] – ondertekend. Verder bevat het dossier geen uittreksel van de Kamer van Koophandel van Hoogvliet B.V. of andere stukken waarmee kan worden vastgesteld of één van deze personen tot indiening van de vordering namens Hoogvliet B.V. gerechtigd is. De benadeelde partij in de gelegenheid stellen dit verzuim te repareren, zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren, zeker nu verdachtes belang bij een voortvarende afdoening van haar strafzaak zwaar weegt.

Proceskosten

Omdat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering zal worden verklaard, zal de rechtbank bepalen dat de verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen kosten dragen die in verband met deze vordering zijn gemaakt.

Schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat door het onder dagvaarding I bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan Hoogvliet B.V. is toegebracht tot een bedrag van € 1.367,92. Voor deze schade is de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Om te bevorderen dat deze schade door de verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.367,92, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2024 tot aan de dag dat de betaling algeheel is voldaan, ten behoeve van Hoogvliet B.V. aan de verdachte opleggen.

Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte het bewezenverklaarde ter zake waarvan de schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd samen met een mededader heeft begaan, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover namens de mededader een bedrag aan Hoogvliet B.V. is betaald, dat bedrag niet meer hoeft te betalen.

8. De inbeslaggenomen voorwerpen

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen

(beslaglijst) onder 1 genummerde voorwerp, te weten een geldbedrag van € 329,60, zal worden teruggegeven aan de rechthebbende.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich aangesloten bij de vordering van de officier van justitie.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting kan met betrekking tot het op de beslaglijst onder 1 genummerde geldbedrag van € 329,60 Hoogvliet B.V. als rechthebbende worden aangemerkt. De verdachte heeft erkend dat zij dit geldbedrag door het onder dagvaarding I bewezenverklaarde heeft verkregen. De rechtbank zal daarom de teruggave van het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp aan Hoogvliet B.V. gelasten.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 55, 63, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 266, 267, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10. De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.4 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:

ten aanzien van dagvaarding I, feit 1 en feit 2:

de eendaadse samenloop van

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,

en

poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van dagvaarding II:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt haar daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 330 (DRIEHONDERDDERTIG) DAGEN;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, door de rechtbank vastgesteld op 288 dagen, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie, te weten 42 (tweeënveertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

Meldplicht

1. zich gedurende de proeftijd meldt bij Samen Veilig (SAVE) Midden-Nederland op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zolang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;

Ambulante behandeling

2. gedurende de proeftijd zal meewerken aan de behandeling die de jeugdreclassering nodig acht, op de tijden en plaatsen als door of namens de behandelaar aan te geven, teneinde zich voor haar stoornissen en problematiek te laten behandelen;

Klinische behandeling

3. zich, indien de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht, gedurende de proeftijd, of zoveel korter als haar behandelaars in overleg met de jeugdreclassering nodig achten, laat opnemen in ggz-kliniek [instelling] , of een soortgelijke klinische voorziening, waarbij de veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van deze instelling worden gegeven;

Dagbesteding

4. gedurende de proeftijd zal meewerken aan het vinden en behouden van school en/of dagbesteding in welke vorm dan ook, zolang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht.

De rechtbank geeft opdracht aan Samen Veilig (SAVE) Midden-Nederland, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking zal verlenen

aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld

in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- haar medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden

toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek

van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de

jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht,

daaronder begrepen.

De rechtbank:

beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen;

legt aan de verdachte hoofdelijk de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van Hoogvliet B.V. te betalen € 1.367,92, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

gelast de teruggave aan Hoogvliet B.V. van het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp, te weten: EUR 329,60.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. T.E.F. Reijnders, kinderrechter, voorzitter,

mr. A.M.A. Keulen, kinderrechter,

en mr. Y.N. van den Brink, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. F. Aksu en N. Gooijer, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 februari 2026.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

dagvaarding I

1

zij op of omstreeks 1 maart 2024 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Hoogvliet (locatie [locatie] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [getuige 1] en/of [getuige 2] , en/of andere medewerkers van die Hoogvliet, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door- met haar medeverdachte, en ieder met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, en/of gezichtsbedekking, naar die supermarkt te gaan en/of die supermarkt binnen te gaan, en/of- die [getuige 1] en/of [getuige 2] en/of anderen, een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, dreigend voor te houden en/of in diens richting te bewegen en/of te tonen en/of op de toonbank te tikken, en/of- (daarbij) tegen die [getuige 1] en/of [getuige 2] te zeggen: "geef me het geld" en/of "nu die ander", althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of

- ( vervolgens) het geld uit de kassalade(s) te pakken;

2zij op of omstreeks 1 maart 2024 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of haar mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [getuige 3] , caissière bij de Hoogvliet (locatie [locatie] ) te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die Hoogvliet en/of een derde toebehoorde(n)- zich gezamenlijk naar die Hoogvliet heeft/hebben begeven en/of binnen is/zijn gegaan met ieder een mes en/of gezichtsbedekking en/of- aldaar die [getuige 3] heeft/hebben benaderd, en/of- die [getuige 3] en/of [aangever 2] en/of anderen een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, dreigend voor heeft/hebben gehouden en/of heeft/hebben getoond, en/of in diens richting heeft/hebben bewogen en/of- tegen die [getuige 3] heeft/hebben gezegd "geef al je geld", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

dagvaarding II

zij op of omstreeks 26 maart 2025 te Houten opzettelijk (een) ambtena(a)r(en), te weten [naam 1] (inspecteur bij de politie eenheid Midden-Nederland), [naam 2] (hoofdagent bij de politie eenheid Landelijke Expertise en Operaties) en/of [naam 3] (hoofdagent bij de politie eenheid Midden-Nederland), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar/hun de woorden toe te voegen: "Jullie zijn kankerwouten", "Je moet je kankerbek houden", "stelletje kankermongolen", "jullie zijn kankerwouten jullie moeten je kankerbek houden", "je kankermoeder" en/of "Je kankermoeder, ik hoop dat je kankermoeder geneukt wordt door drie lullen", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?