ECLI:NL:RBDHA:2026:3062

ECLI:NL:RBDHA:2026:3062

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-02-2026
Datum publicatie 17-02-2026
Zaaknummer NL26.3311
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Bewaring, beroep, laissez-passer traject, datum ondertekening proces-verbaal van gehoor, bewaringsgronden, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.3311

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),

en

(gemachtigde: mr. B. Pattiata).

Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A.R. Faquiri. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Laissez-passer traject

1. Eiser heeft erop gewezen dat de Pakistaanse autoriteiten op 9 januari 2026 een toezegging hebben gedaan een laissez-passer (lp) af te geven en vraagt zich af of het lp-traject, dat vanaf 15 juli 2025 loopt, prematuur is opgestart. Eiser was namelijk toen nog in afwachting van de uitspraak van de rechtbank over zijn asielaanvraag en had daarna nog een termijn om eventueel daartegen in hoger beroep te gaan.

Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de lp-aanvraag inderdaad is gestart op 15 juli 2025, maar dat er hangende de asielprocedure niet aan de uitzetting van eiser wordt gewerkt. Er wordt bijvoorbeeld niet gerappelleerd bij de Pakistaanse autoriteiten. De rechtbank ziet geen aanleiding om te concluderen dat de lp-aanvraag destijds prematuur is opgestart. Daarnaast raakt de vraag of de lp-procedure gelet op de destijds lopende asielprocedure prematuur was niet de rechtmatigheid van deze bewaringsmaatregel en behoeft dit dus verder geen bespreking.

Datum ondertekening proces-verbaal van gehoor

2. Eiser voert aan dat onder het proces-verbaal van gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling is vermeld dat dit op 20 februari 2026 op ambtsbelofte is opgemaakt, terwijl het pas januari 2026 is. Hoewel een verschrijving mogelijk is, kunnen hier volgens eiser consequenties aan verbonden worden.

De rechtbank volgt eiser niet. Hoewel in het proces-verbaal op pagina 12 staat dat dit op 20 februari 2026 op ambtsbelofte is opgemaakt, staat daar direct boven:

‘Nota Bene: Het proces-verbaal van gehoor is op 19-01-2026 opgemaakt echter door een systeemstoring van ISTV kon deze eerst op 20-01-2026 elektronisch worden ondertekend en

worden opgevoerd in ISTV.’

De rechtbank merkt de vermelde datum van ondertekening van 20 februari 2026 dan ook aan als een kennelijke verschrijving en ziet geen aanleiding hier consequenties aan te verbinden. De beroepsgrond slaagt niet.

Bewaringsgronden

3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft als zware gronden, bedoeld in artikel

5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), vermeld dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;en als lichte gronden, bedoeld in artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb, vermeld dat eiser:

4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.Tevens heeft verweerder in de maatregel van bewaring overwogen dat eiser (1°) in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2°) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.

Eiser betwist de zware gronden 3a, 3b en 3c. Ten aanzien van zware grond 3a voert eiser aan dat, hoewel hij er op dit moment fysiek niet over kan beschikken, eiser wel een paspoort heeft en daarmee is ingereisd. Met betrekking tot zware grond 3b voert eiser aan dat niet aan hem tegengeworpen kan worden dat hij op 23 december 2025 met onbekende bestemming is vertrokken, omdat hij op 30 december 2025 zelf is teruggekeerd naar de opvang. Daarnaast voert eiser aan dat de hoger beroepstermijn van het besluit eisers asielaanvraag ongegrond te verklaren nog tot 12 januari 2026 liep, wat betekent dat eiser gelet op de in het besluit gegeven vertrektermijn nog tot die datum de gelegenheid had uit eigen beweging te vertrekken. Wat betreft zware grond 3c voert eiser aan dat deze ondeugdelijk is gemotiveerd, omdat alleen een beslissing in eisers inhoudelijke asielprocedure en de uitspraak van de rechtbank in het dossier staan en er dus geen sprake is van meerdere besluiten waaruit de plicht om Nederland te verlaten, blijkt. Daarnaast stelt eiser, met verwijzing naar artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dat hem niet verweten kan worden dat hij niet meewerkt aan zijn vertrek omdat hij vreest voor zijn leven in Pakistan. Ten slotte betwijfelt eiser of het terugkeerbesluit van 27 mei 2024 nog actueel is omdat dit meer dan anderhalf jaar oud is.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829), volgt dat verweerder bij de zware gronden 3a, 3b en 3c kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en voldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat deze zware gronden zich feitelijk voordoen. Ten aanzien van zware grond 3a heeft eiser – zoals verweerder in de toelichting heeft vermeld - namelijk zelf verklaard Nederland te zijn ingereisd zonder in het bezit te zijn van een geldig reisdocument (paspoort met visum), en hij is daarmee niet op de voorgeschreven wijze ingereisd. Dat eiser eerder wel de beschikking had over een paspoort maar dat dit in enig land is ingenomen, doet hier niet aan af. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich ook terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat zware grond 3b zich feitelijk voordoet. Verweerder heeft vermeld dat eiser op 23 december 2025, nadat hij vernam dat zijn beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag ongegrond was verklaard, met onbekende bestemming met medeneming van zijn persoonlijke spullen van het asielzoekerscentrum (AZC) is vertrokken, en zich in de week van 23 december tot 30 december 2025 niet heeft gemeld noch de autoriteiten in kennis heeft gesteld van waar hij verbleef. Op 30 december 2025 is eiser teruggekeerd vanwege de kou. Dat eiser zelf is teruggekeerd naar het AZC neemt niet weg dat hij zich enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken. De omstandigheid dat dit gebeurde toen de hoger beroepstermijn en de vertrektermijn van eiser nog liepen maakt dit ook niet anders. De hoger beroepstermijn schorst de verplichtingen van eiser in het kader van het vreemdelingentoezicht niet en niet gesteld of gebleken is dat eiser gedurende die week niet alleen het AZC, maar ook Nederland/de EU heeft verlaten. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat zware grond 3c zich feitelijk voordoet. In de door verweerder in de motivering genoemde beschikking van 27 mei 2024 is namelijk een terugkeerbesluit opgenomen en eiser heeft niet uit eigen beweging gevolg gegeven aan de daaruit voortvloeiende vertrekplicht. Dit terugkeerbesluit is nog van kracht en de aan eiser in dit besluit gegeven vertrektermijn was ten tijde van de inbewaringstelling al verstreken. Dit terugkeerbesluit, waar eiser niet aan heeft voldaan, is al voldoende om de zware grond 3c te dragen. Voor wat betreft de actualiteit van het terugkeerbesluit overweegt de rechtbank dat in het kader van de thans lopende asielprocedure aan de orde komt of er redenen zijn dit terugkeerbesluit te herzien. Ook eisers beroep op artikel 3 van het EVRM kan in de asielprocedure aan de orde komen.

Verweerder heeft dus de zware gronden 3a, 3b en 3c aan de maatregel van bewaring ten grondslag kunnen leggen. Deze drie zware gronden zijn tezamen reeds voldoende om de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw te dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De overige gronden en de overwegingen van verweerder in het kader van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw, hoeven daarom geen bespreking. De rechtbank gaat dus ook niet in op wat eiser daartegen heeft aangevoerd. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

4. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G.A. Bouter - Rijksen

Griffier

  • mr. M. Stehouwer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?