RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.7244
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman)
en
Procesverloop
Bij besluit van 9 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres de maatregel van bewaring opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiseres heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Op 11 februari 2026 heeft zij de gronden van het beroep ingediend. Op 12 februari 2026 heeft verweerder hierop gereageerd. Op 16 februari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiseres is geboren op [datum] 1989 en heeft de Hongaarse nationaliteit.
Maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat deze wordt gevorderd door het belang van de openbare orde, omdat er een risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en zij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Als zware gronden zijn in de maatregel vermeld dat eiseres:
En als lichte gronden zijn in de maatregel vermeld dat eiseres:
3. De rechtbank stelt vast dat eiseres de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig ook voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring om aan te nemen dat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en zij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Ambtshalve toets
4. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan op 17 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in
aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van
geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.