RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.58629
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. M. van Werven)
en
1. Eiser is afkomstig uit Cambodja. Hij heeft een asielaanvraag ingediend. Hij stelt dat hij heeft deelgenomen aan een demonstratie tegen de Cambodjaanse regering in Parijs. Ook heeft hij niet gestemd tijdens de Cambodjaanse verkiezingen. Hier zijn de Cambodjaanse autoriteiten achter gekomen. Daardoor heeft eiser problemen met de Cambodjaanse autoriteiten.
Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen. Verweerder vindt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn politieke overtuiging problemen heeft ondervonden met de Cambodjaanse autoriteiten.
De rechtbank volgt verweerder. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze asielaanvraag met het bestreden besluit van 24 november 2025 afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en IJ. Prum als tolk. Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser stelt de Cambodjaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1957. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Op 22 juli 2023 heeft eiser, samen met zijn vrouw en dochter, deelgenomen aan een demonstratie tegen de Cambodjaanse regering in Parijs. Tijdens deze demonstratie heeft eiser zijn vrouw en dochter op de foto gezet. Deze foto zou op eisers Facebook-account hebben gestaan. Hierdoor denken de Cambodjaanse autoriteiten dat eiser tegen de overheid is. De Cambodjaanse politie zou in de tijd dat eiser reeds in Nederland was, twee keer langs eisers woning in Cambodja zijn gegaan om te vragen waarom hij niet had gestemd tijdens de Cambodjaanse verkiezingen en om te laten weten dat zij van eisers deelname aan de demonstratie afweten. Bij terugkeer naar Cambodja vreest eiser dat hem iets ernstigs zal overkomen.
Het bestreden besluit
4. Volgens verweerder bestaat eisers relaas uit de volgende asielmotieven:
Verweerder gelooft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst. Verweerder gelooft ook eisers politieke overtuiging. Volgens verweerder heeft eiser echter niet aannemelijk gemaakt dat hij hierdoor problemen heeft. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd en hiervoor geen goede verklaring heeft. Op de foto die eiser heeft overgelegd van de demonstratie in Parijs, zijn alleen zijn vrouw en dochter te zien en niet eiser zelf. Ook heeft eiser geen documenten overlegd van de berichten die op Facebook hebben gestaan. Tevens heeft hij geen documenten overgelegd die aantonen dat hij aanwezig was bij de demonstratie. Om deze redenen voldoet eiser niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarnaast stelt verweerder zich op het standpunt dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Volgens verweerder verklaart eiser immers wisselend over belangrijke data. Ook verklaart eiser wisselend en ongerijmd over sinds wanneer hij het oneens is met de manier waarop de verkiezingen in Cambodja verlopen. Tevens vindt verweerder dat eiser wisselend verklaart over het Facebook-bericht waardoor de Cambodjaanse autoriteiten bekend zijn geworden met eisers deelname aan de demonstratie. Daarnaast verklaart eiser vaag en wisselend over hoe hij weet dat de Cambodjaanse autoriteiten naar hem op zoek zijn. Om deze redenen voldoet eiser ook niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw.
Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat het in Cambodja verplicht is om te stemmen en dat men anders een boete of een andere milde sanctie kan krijgen, maar dat dit geen gronden raakt van het Vluchtelingenverdrag. Ook zal het geen ernstige schade voor eiser opleveren als hij bij terugkeer een milde sanctie zoals een boete krijgt. Daar komt bij dat eiser Cambodja heeft verlaten vanwege toerisme naar Europa en dat hij daardoor op voorhand wist dat hij de verkiezingen zou missen. Het risico om de verkiezingen te missen heeft eiser dus zelf genomen en dit komt dan ook voor zijn eigen rekening. Ook stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser geen onderscheidende rol of status heeft gehad bij de demonstratie in Parijs en dat hij zich nooit heeft geuit op sociale media. Om deze redenen heeft eiser volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat hij een gegronde vrees heeft voor vervolging met betrekking tot zijn politieke overtuiging.
Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Daarbij heeft verweerder eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser moet Nederland binnen vier weken verlaten.
Heeft verweerder eisers referentiekader tijdens het nader gehoor en in de besluitvorming voldoende kenbaar betrokken?
5. Eiser voert aan dat verweerder het referentiekader van eiser in het bestreden besluit kenbaar uiteen had moeten zetten. Nu verweerder dit niet heeft gedaan, is het onduidelijk welke aspecten verweerder relevant acht voor het referentiekader van eiser en wat die aspecten vervolgens betekenen voor de geloofwaardigheidsbeoordeling.
Ook tijdens het nader gehoor heeft verweerder niet aantoonbaar rekening gehouden met eisers referentiekader. Voorafgaand aan het gehoor heeft eiser aangegeven dat hij gespannen was en last had van vergeetachtigheid. Verweerder heeft onvoldoende beoordeeld in hoeverre dit van invloed is op de verklaringen van eiser en wat dit vervolgens betekent voor de geloofwaardigheidsbeoordeling.
Dit klemt temeer nu verweerder tijdens het nader gehoor ook geen rekening heeft gehouden met eisers culturele achtergrond. Eiser verwijst hierbij naar pagina's 11 en 12 van het verslag nader gehoor, waaruit blijkt dat de hoorambtenaar aan zijn vragen opmerkingen verbindt. Om die reden kon eiser de vragen niet goed begrijpen. Dat eiser heeft aangegeven dat hij de tolk goed begreep, maakt niet dat hij duidelijk antwoord kon geven op de vragen, omdat niet is gezegd dat de tolk eiser goed begreep.
De rechtbank volgt eiser niet en vindt dat verweerder eisers referentiekader voldoende kenbaar heeft betrokken tijdens het nader gehoor en in de besluitvorming. Het is immers geen vereiste dat verweerder het referentiekader van de vreemdeling kenbaar uiteen moet zetten in het bestreden besluit. Het gaat erom dat verweerder bij de beoordeling van de verklaringen van de vreemdeling rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden van die vreemdeling, zoals zijn leeftijd, achtergrond, ervaringen en overtuigingen. De rechtbank oordeelt dat verweerder dit heeft gedaan. In het voornemen heeft verweerder immers uiteengezet welke beperkingen eiser had ten tijde van het nader gehoor en hoe hier tijdens de besluitvorming rekening mee is gehouden. Ook is in het voornemen steeds uitgelegd wat verweerder, gelet op eisers referentiekader, van eiser mocht verwachten ten aanzien van zijn verklaringen.
Ook tijdens het nader gehoor heeft verweerder voldoende rekening gehouden met eisers referentiekader. De hoorambtenaar heeft eiser meermaals gelegenheid gegeven om te pauzeren. Tevens heeft hij aan eiser gevraagd of hij in de pauze heeft gedronken. Bovendien heeft de hoorambtenaar op de momenten dat eiser aangaf dat hij de vraag niet goed begreep, zijn vragen herhaald. Ook heeft de hoorambtenaar op die momenten geprobeerd om de vragen op een andere manier te stellen. Uit pagina’s 11 en 12 van het nader gehoor blijkt bovendien dat eiser niet heeft aangegeven dat hij die specifieke vragen niet goed begreep. Daarnaast heeft eiser aan het begin van het gehoor aangegeven dat hij de tolk goed verstaat. Eisers stelling dat de tolk eiser wellicht niet goed begreep, volgt de rechtbank niet. Afgezien van het feit dat dit enkel een aanname van eiser is, moet de tolk voldoen aan bepaalde kwaliteitseisen. Daarom mag van haar worden verwacht dat zij alles correct vertaalt.
De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder voldoende inzichtelijk gemaakt welke asielmotieven er bestaan en of deze zijn getoetst op geloofwaardigheid en zwaarwegendheid?
6. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt welke asielmotieven er bestaan, of die geloofwaardig zijn bevonden en welke motieven vervolgens op zwaarwegendheid zijn getoetst. Verweerder had de politieke overtuiging van eiser bijvoorbeeld als apart asielmotief moeten identificeren en niet samen moeten nemen met de ‘activiteiten’. Daarbij had verweerder eisers problemen wegens de deelname aan de demonstratie in Parijs en eisers problemen wegens het niet-stemmen als twee aparte activiteiten moeten bestempelen en als zodanig moeten toetsen op geloofwaardigheid. Volgens eiser heeft verweerder dit niet gedaan.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende inzichtelijk heeft gemaakt welke asielmotieven er bestaan en of deze zijn getoetst op geloofwaardigheid en zwaarwegendheid. De rechtbank stelt daartoe allereerst vast dat verweerder eisers politieke overtuiging geloofwaardig acht.
Verder overweegt de rechtbank dat uit het voornemen blijkt dat verweerder eisers aanwezigheid bij de demonstratie ook geloofwaardig acht. Verweerder vindt echter dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij problemen heeft vanwege zijn politieke overtuiging. Volgens verweerder verklaart eiser vaag en wisselend over het Facebook bericht waardoor de autoriteiten bekend zijn geworden met zijn deelname aan de demonstratie en over hoe hij weet dat de autoriteiten naar hem op zoek zijn. Voorts overweegt verweerder dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer te vrezen heeft op grond van zijn politieke overtuiging omdat eiser geen leidinggevende of onderscheidende rol had tijdens de demonstatie en hij niet post op sociale media.
Daarnaast blijkt uit het voornemen dat verweerder het niet-stemmen van eiser ook geloofwaardig acht, maar dat het risico op een boete of andere (milde) sanctie volgens verweerder geen gronden raakt van het Vluchtelingenverdrag en het eiser bij terugkeer geen ernstige schade zal opleveren.
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser niet heeft onderbouwd waarom hij in zijn belangen is geschaad. De beroepsgrond slaagt niet.
Mocht verweerder vinden dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door zijn politieke overtuiging problemen heeft in Cambodja?
7. Eiser voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door zijn politieke overtuiging problemen heeft in Cambodja. Hij voert hiertoe het volgende aan.
Allereerst voert eiser aan dat hij niet wisselend en ongerijmd heeft verklaard over zijn problemen als gevolg van zijn politieke overtuiging. Eiser verwijst in dit kader naar hetgeen hij heeft aangevoerd over zijn referentiekader.
Ten tweede voert eiser aan dat hij op 20 november 2025 documenten heeft overgelegd van de Finse autoriteiten, waaruit blijkt dat hij asiel heeft aangevraagd in Finland op 25 juli 2023 vanwege de ontstane problemen in Cambodja. Ook blijkt uit het Finse asieldossier van eisers dochter dat eiser problemen heeft in Cambodja. Eisers dochter en haar echtgenoot hebben in een zeer vergelijkbare situatie gezeten als eiser. Volgens eiser heeft verweerder de Finse documenten ten onrechte niet bij zijn beoordeling betrokken.
Ten derde voert eiser aan dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat eisers verklaringen zijn beoordeeld in de context van de situatie in Cambodja. In het bestreden besluit wordt immers op geen enkele wijze ingegaan op de in de zienswijze naar voren gebrachte landeninformatie, terwijl hierin uitvoerig is gemotiveerd welke risico's er verbonden zijn aan het niet-stemmen en de deelname aan demonstraties. Bovendien heeft verweerder miskend dat eiser op het moment van de ontstane problemen niet in Cambodja was. Eiser was bij zijn dochter in Finland. Hiertoe heeft eiser twee schriftelijke verklaringen overgelegd van zijn zoon en andere dochter, die nog in Cambodja wonen.
Ten vierde voert eiser aan dat het op de weg van verweerder ligt om inzichtelijk te maken in hoeverre de overige voorwaarden a, b, d en e uit artikel 31, zesde lid, van de Vw al dan niet aan eiser zijn tegengeworpen, wat de invloed is van het wel of niet voldoen aan deze voorwaarden en of eiser het voordeel van de twijfel moet worden gegund. Eiser beroept zich hierbij op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 8 augustus 2025.
De rechtbank volgt eiser niet. De beroepsgrond slaagt daarom niet. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Allereerst is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt kon stellen dat van eiser niet mag worden verwacht dat hij exacte data kan benoemen, maar wel dat hij consistent en eenduidig over bepaalde gebeurtenissen moet kunnen verklaren. Volgens verweerder is eiser hierin niet geslaagd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met een enkele verwijzing naar zijn referentiekader niet onderbouwd waarom hij niet wisselend en ongerijmd heeft verklaard over zijn problemen.
Ten tweede stelt de rechtbank vast dat de verklaringen van eisers dochter in het Finse asieldossier dateren uit 2015. Tijdens het nader gehoor heeft eiser echter verklaard dat hij in 2013 in Cambodja is gaan demonsteren, maar dat hij daarna niet meer heeft gedemonstreerd. Daarbij heeft eiser verklaard dat ondanks dat het bekend was in Cambodja dat eisers familie de oppositie steunde, eiser geen problemen heeft ondervonden met de autoriteiten in het verleden en ook niet op het moment dat hij legaal het land verliet. Derhalve ziet de rechtbank niet in hoe de verklaringen uit het asieldossier van eisers dochter eisers gestelde problemen sinds 2023 onderbouwen. Daarnaast overweegt de rechtbank dat hoewel eiser stelt dat zijn dochter en haar echtgenoot in een vergelijkbare situatie hebben gezeten, de asielaanvraag van eisers dochter in 2015 is ingewilligd naar aanleiding van de problemen en demonstraties in die tijd. Verweerder mocht eisers asielaanvraag ex nunc en op zijn eigen merites beoordelen.
Ten derde oordeelt de rechtbank dat verweerder de verklaringen van eiser voldoende zijn beoordeeld in het kader van openbare landeninformatie. Eiser heeft in zijn zienswijze onder andere verwezen naar een brief van Vluchtelingenwerk. Verweerder heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat hoewel uit deze brief blijkt dat de Cambodjaanse regering zich richt op dissidenten in het buitenland en aanhangers van oppositiepartijen, evenals hun familieleden in Cambodja, eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Cambodjaanse regering zich ook specifiek richt op eiser en zijn familieleden. Bovendien blijkt nergens uit dat de Cambodjaanse autoriteiten erachter zijn gekomen dat eiser naar de demonstratie is geweest. Wat betreft de gestelde risico’s van niet-stemmen heeft verweerder verwezen naar meerdere openbare bronnen waaruit volgt dat stemmen niet verplicht is in Cambodja, waaronder ‘IPU Parline Global data on national parliaments’. Wel blijkt dat voor de verkiezingen in juni 2023 bepaald is dat de kieswet van Cambodja gewijzigd zou worden, zodat iedereen die niet stemt uitgesloten zal worden van deelname als kandidaat in toekomstige verkiezingen. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat hieruit niet blijkt dat eiser een risico loopt op vervolging. Voor zover eiser stelt dat mensen het risico lopen op boetes en sancties als zij het verkiezingsproces verstoren of belemmeren, heeft verweerder zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het risico op een boete of sanctie geen gronden raakt van het Vluchtelingenverdrag en dat dat bij terugkeer ook geen ernstige schade zal opleveren.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom en op welke grond aan hem het voordeel van de twijfel gegund dient te worden. Eiser verwijst naar een uitspraak van deze rechtbank, maar legt verder niet uit hoe dit ziet op de geloofwaardigheidsbeoordeling in zijn zaak.
De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd waarom er geen aanleiding bestaat om eiser een reguliere verblijfsvergunning te geven?
8. Eiser voert aan dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom er geen aanleiding bestaat om eiser een reguliere verblijfsvergunning te geven. Verweerder heeft miskend dat eiser en zijn echtgenote woonachtig zijn bij hun dochter in plaats van op de COA-locatie. Ook heeft verweerder tijdens het nader gehoor zeer beperkte vragen gesteld over de relatie tussen eiser en zijn meerderjarige dochter, terwijl hij in het kader van zijn ambtshalve toets aan artikel 8 van het EVRM juist vragen hierover moet stellen. Eiser heeft een pasje van het COA overgelegd, waaruit blijkt dat eisers echtgenote een 'grijs bed' heeft.
De rechtbank volgt eiser niet. In het bestreden besluit heeft verweerder voldoende uitgelegd wanneer verweerder familie-en gezinsleven aanneemt en welke voorwaarden daaraan zijn gekoppeld. Eisers enkele stelling dat verweerder tijdens het nader gehoor weinig vragen hierover heeft gesteld, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de hoorambtenaar voldoende vragen gesteld over de afhankelijkheid tussen hem en zijn meerderjarige dochter om te kunnen concluderen dat er geen sprake is van familie-en gezinsleven. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
9. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Broekhof, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Clemens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.