ECLI:NL:RBDHA:2026:3072

ECLI:NL:RBDHA:2026:3072

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 26-01-2026
Datum publicatie 17-02-2026
Zaaknummer NL24.48790
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

De minister heeft eisers verblijfsvergunning ingetrokken omdat hij volgens de minister een gevaar vormt voor de openbare orde. De reden hiervoor is, kort gezegd, dat eiser is veroordeeld voor meerdere misdrijven. De minister heeft daarbij een zwaar inreisverbod van tien jaar opgelegd. Volgens de minister zijn de intrekking van de verblijfsvergunning en het opleggen van het inreisverbod niet in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De belangenafwegingen die betrekking hebben op het gezinsleven van eiser en zijn kinderen én zijn privéleven (gewaarborgd in artikel 8 van het EVRM) heeft de minister in het nadeel van eisers uit laten vallen. De rechtbank komt tot het oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser een actueel gevaar voor de openbare orde vormt. De intrekking van de vergunning is niet onevenredig. Verweerder heeft alle betrokken belangen voldoende meegewogen. Hij mocht in redelijkheid het algemeen belang zwaarder laten wegen dan eisers belangen. Eiser kan geen rechten ontlenen aan het Unierecht. Eiser krijgt dus geen gelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.48790

(gemachtigde: mr. A.W. Eikelboom),

en

(gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat).

1. Eiser heeft de Congolese nationaliteit. In 1999 is hij op vijfjarige leeftijd naar Nederland gekomen. Sinds 2002 beschikt hij over een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd.

Verweerder trekt de verblijfsvergunning in omdat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. De reden hiervoor is, kort gezegd, dat eiser is veroordeeld voor meerdere misdrijven. Verweerder legt daarbij een zwaar inreisverbod van tien jaar op. Volgens verweerder zijn de intrekking van de verblijfsvergunning en het opleggen van het inreisverbod niet in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De belangenafwegingen die betrekking hebben op het gezinsleven van eiser en zijn kinderen én zijn privéleven (gewaarborgd in artikel 8 van het EVRM) vallen in het nadeel van eiser uit. Eiser is het niet eens met de beslissing.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser een actueel gevaar voor de openbare orde vormt. De intrekking van de vergunning is niet onevenredig. Verweerder heeft alle betrokken belangen voldoende meegewogen. Hij mocht in redelijkheid het algemeen belang zwaarder laten wegen dan eisers belangen. Eiser kan geen rechten ontlenen aan het Unierecht. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 13 november 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken. Verweerder heeft daarbij ook een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn, een zwaar inreisverbod voor tien jaar en een besluit tot signalering van tien jaar opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 14 november 2025 een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. I.C van Krimpen, als waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

3. Eiser is burger van de Democratische Republiek Congo (hierna: ‘Congo’) en is geboren op [datum] 1994. Eiser is op vijfjarige leeftijd met zijn moeder, broer en zussen naar Nederland gekomen. Hij heeft in Nederland vier kinderen met drie verschillende vrouwen. Op 9 juli 1999 heeft eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gekregen en vanaf 9 juli 2002 verblijft hij in Nederland op grond van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Eiser heeft zich in de periode van 16 november 2006 tot en met 11 april 2022 schuldig gemaakt aan de volgende misdrijven:

- achtmaal schuldig aan (poging tot) (zware) mishandeling;- tweemaal schuldig aan openlijke geweldpleging;- tweemaal schuldig aan het bezit/de handel in (vuur)wapens en munitie;- eenmaal schuldig aan overtreding van de Opiumwet;- eenmaal schuldig aan poging tot doodslag;- driemaal schuldig aan (poging tot) diefstal;- driemaal schuldig aan het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs;

- driemaal schuldig aan vernieling;- eenmaal schuldig aan het rijden onder invloed in een personenauto/motor;- eenmaal schuldig aan de diefstal van een auto;- eenmaal schuldig aan het opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing.

In de periode na het bestreden besluit is eiser gedagvaard voor huiselijk geweld, geweld tegen beroepsbeoefenaars, bedreiging met geweld en belaging. Deze feiten zouden zijn gepleegd op respectievelijk 27 juli 2024, tussen 6 juni 2024, 27 juli 2024 en op 29 mei 2024. De voorlopige hechtenis voor deze feiten is geschorst op 14 november 2024. Op 18 februari 2025 is eiser door de rechtbank Overijssel veroordeeld voor het meermaals rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs en rijden onder invloed van drugs. Tijdens de behandeling van deze beroepszaak op zitting verbleef eiser weer in voorlopige hechtenis, omdat de schorsing was opgeheven vanwege het niet voldoen aan zijn meldplicht.

Het bestreden besluit

4. Verweerder heeft eisers verblijfsvergunning ingetrokken omdat hij een gevaar voor de openbare orde vormt. Eiser is veroordeeld voor een misdrijf waarop een gevangenisstraf van drie jaar of meer staat en de som van de straffen is hoog genoeg om te voldoen aan één van de normen van één van de glijdende schalen van artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit (Vb). Daarnaast is volgens verweerder aan het Unierechtelijk openbare-ordecriterium voldaan. Eiser is door zijn persoonlijke gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Eiser heeft met twee van zijn minderjarige kinderen familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM en zijn banden met Nederland vallen ook onder privéleven in de zin van die bepaling. Het belang van de Nederlandse overheid bij de bescherming van de openbare orde weegt zwaarder dan eisers familieleven in Nederland. Ook het opgebouwde privéleven van eiser weegt minder zwaar dan het belang van de bescherming van de openbare orde. De intrekking is ook niet in strijd met het unierechtelijk evenredigheidsbeginsel of het nationale evenredigheidsbeginsel.

Omdat de belangenafweging in eisers nadeel uitvalt heeft hij ook geen recht op een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM. Eiser komt verder niet in aanmerking voor een verblijfsrecht op grond van het Unierecht. Hij heeft niet onderbouwd waar de invulling van de band met zijn kinderen uit bestaat en dat hij bij hun zorg en opvoeding betrokken is. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt of dat hem uitstel van vertrek moet worden verleend op medische gronden. Omdat eiser een gevaar voor de openbare orde vormt, wordt aan hem een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn, een inreisverbod voor tien jaar en een besluit tot signalering voor tien jaar opgelegd.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is. De rechtbank zal hierna aan de hand van de beroepsgronden uitleggen hoe zij tot haar oordeel is gekomen.

Had verweerder moeten toetsen of eiser op basis van een andere grondslag een asielvergunning had moeten krijgen?

6. Eiser voert aan dat verweerder bij deze intrekking had moeten toetsen aan het unierechtelijk openbare orde begrip in het kader van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Eiser heeft een vergunning gekregen op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d (oud) van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Hij had destijds echter ook recht op een vergunning voor verblijf bij zijn moeder en had dus ook een vergunning op grond artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f, van de Vw (oud) kunnen krijgen. Op basis van die vergunning had verweerder nu moeten toetsen aan de Gezinsherenigingsrichtlijn.

De rechtbank kan in deze procedure geen oordeel meer geven over de gronden waarop aan eiser een asielvergunning is verleend. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 juni 2019 volgt dat met de verlening van de vergunning voor onbepaalde tijd daar niet meer over kan worden geprocedeerd. Omdat de verleende vergunning in rechte vast staat kan de rechtbank niet beoordelen of bij een andere vergunning een andere openbare orde toets had moeten worden gebruikt.

Vormt eiser door zijn persoonlijke gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast?

7. Eiser voert aan dat zijn gedrag geen voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Er zijn kortere gevangenisstraffen opgelegd dan de wettelijk strafmaxima. Daarnaast is er geen rekening gehouden met verzachtende omstandigheden zoals de psychische gesteldheid en het traumatisch verleden van eiser. Ook neemt verweerder ten onrechte aan dat sprake is van een actuele bedreiging. Verweerder stelt ten onrechte dat eiser geen verantwoordelijkheid voor zijn daden heeft genomen. Eiser werkt aan zijn psychische gesteldheid, verslavingsproblematiek en grensoverschrijdend gedrag en heeft positieve stappen laten zien. Verweerder hecht te veel gewicht aan recente dagvaardingen en miskent dat eiser het grootste deel van zijn leven in vrijheid heeft doorgebracht.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser door zijn persoonlijke gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging is die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat eiser ernstige misdrijven heeft gepleegd. Eiser heeft vanaf 2006 veel misdrijven gepleegd en heeft niet geleerd van de straffen die hij opgelegd heeft gekregen. Eiser is meerdere keren veroordeeld voor mishandeling en openlijk geweld. In 2018, 2020 en 2022 was sprake van huiselijk geweld tegenover zijn ex-partner. Dit zijn ernstige misdrijven. Verweerder heeft daarbij terecht betrokken dat de slachtoffers pijn en angst hebben ervaren en deze geweldsdelicten bijdragen aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Dat aan eiser lagere straffen zijn opgelegd dan de wettelijke strafmaxima doet niet af aan de ernst van de door eiser gepleegde strafbare feiten. Dat de strafbare feiten eiser niet zwaar worden aangerekend blijkt daar op zichzelf niet uit. De door eiser genoemde verzachtende omstandigheden komen ook niet terug in de strafrechtelijke stukken in het dossier en heeft eiser zelf ook niet onderbouwd.

Verweerder heeft zich ook op het standpunt mogen stellen dat eiser een actueel gevaar voor de openbare orde vormt. Ook hierbij geldt dat eiser al gedurende een periode van achttien jaar misdrijven pleegt en niet heeft geleerd van zijn veroordelingen. Ook na het uitbrengen van het voornemen tot intrekking op 8 december 2023 heeft eiser nog strafbare feiten gepleegd. Verweerder heeft ook mogen betrekken dat eiser nog altijd geen verantwoordelijkheid voor zijn daden neemt. Daarbij is voornamelijk van belang dat eiser weigert om mee te werken aan onderzoeken om vast te tellen of sprake was van een mogelijke stoornis bij de gepleegde strafbare feiten. In 2011, 2014, 2018, 2020 en in 2023 heeft eiser geweigerd om mee te werken aan zulke onderzoeken. Omdat eiser zich nog altijd niet wil laten diagnosticeren, kunnen deskundigen niet vaststellen of recidivegevaar wordt veroorzaakt door eventuele psychische problemen of adviseren welke behandeling eiser nodig heeft om zulk recidivegevaar tegen te gaan. Dat eiser is doorverwezen naar verschillende zorginstanties, doet hier niet aan af. Niet is gebleken dat er een diagnose is gesteld en eiser een effectieve behandeling heeft ondergaan die heeft geleid tot vermindering van recidivegevaar. De beroepsgrond slaagt dus niet.

Is de intrekking van eisers verblijfsvergunning in strijd met het evenredigheidsbeginsel?

8. Eiser voert aan dat verweerder ook in het kader van het evenredigheidsbeginsel ten onrechte stelt dat eiser een ernstig gevaar vormt. Daarnaast is de intrekking van de verblijfsvergunning, anders dan verweerder stelt, geen noodzakelijk middel om het doel te bereiken. Verweerder heeft niet toegelicht waarom er in dit concrete geval geen andere middelen of maatregelen zijn die de maatschappij net zo goed kunnen beschermen. Eiser heeft positieve stappen gezet om zijn leven te verbeteren. Verweerder heeft ook een eigen plicht om onderzoek te doen naar eisers psychische gesteldheid, traumatische verleden en belastende jeugd. Er zijn signalen dat eiser verminderd toerekeningsvatbaar is.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de intrekking van de verblijfsvergunning evenredig heeft mogen vinden. Het doel van de intrekking is de samenleving te beschermen tegen het ernstige gevaar dat eiser vormt. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat er geen andere middelen of maatregelen zijn die de samenleving net zo goed beschermen. Eiser is meerdere malen veroordeeld voor ernstige feiten en is ook na het voornemen in de fout gegaan. Ook de waarschuwende werking die een voornemen kan hebben, heeft eiser dus niet weerhouden van het plegen van strafbare feiten. Verder heeft eiser ter zitting verklaard dat hij zijn psychische gesteldheid niet wil laten onderzoeken, omdat hij het op zijn eigen manier wil doen. Met de enkele doorverwijzingen naar zorginstanties heeft eiser niet aangetoond dat hij positieve stappen heeft gezet. Hieruit blijkt niet dat eiser nu effectieve hulp krijgt of heeft gekregen, dan wel dat eiser zich daarvoor heeft ingezet. Dat verweerder niet aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan volgt de rechtbank ook niet. Aan die onderzoeksplicht heeft verweerder ten eerste invulling gegeven door eiser op 21 mei 2024 over de intrekking te horen. Eisers verklaringen tijdens dat gehoor heeft verweerder betrokken in het bestreden besluit. Daarnaast heeft verweerder er in het voornemen meermaals op gewezen dat eiser zijn situatie in de zienswijze kan onderbouwen. De informatie die eiser vervolgens in die fase van de procedure heeft overgelegd, heeft voor verweerder geen aanleiding hoeven vormen om nader onderzoek te doen. Verweerder heeft zich dus op het standpunt mogen stellen dat de belangen van verweerder zwaarder wegen dan die van eiser. Daarbij heeft verweerder ook mogen betrekken dat uit de beoordeling in het kader van artikel 8 van het EVRM ook niet blijkt dat de intrekking van de verblijfsvergunning onevenredig is. De rechtbank zal dat hierna bespreken.

Heeft verweerder de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM in het nadeel van eiser mogen laten uitvallen?

9. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte stelt dat het besluit verenigbaar is met artikel 8 van het EVRM. Hij moet vanwege zijn langdurig verblijf worden gezien als ‘settled migrant’, waardoor voor verblijfsbeëindiging ‘very serious reasons’ nodig zijn. Verweerder heeft dat miskend. Verweerder heeft geen “fair balance” gevonden tussen eisers belangen en die van de Staat aan de hand van de relevante “guiding principles” in de jurisprudentie van het EHRM. Ten aanzien van de aard en de ernst van het misdrijf verwijst eiser naar zijn gronden gericht tegen het Unierechtelijk openbare ordecriterium. Ook stelt hij dat verweerder geen rekening heeft gehouden met zijn gezondheidstoestand en dat van belang is dat eiser niet eerder is gewaarschuwd. Ten aanzien van het tijdsverloop sinds de misdragingen en eisers gedrag voert eiser aan dat hij inmiddels positieve stappen heeft laten zien, waaronder werk als ZZP-er in de bouw. Eiser voert verder aan dat de hogere belangen van zijn kinderen onvoldoende zijn vastgesteld en ten onrechte niet centraal zijn gesteld in de beoordeling. Omdat twee van eisers dochters onder toezicht staan, had verweerder contact met jeugdzorg moeten opnemen om hun belangen vast te stellen. Omdat er een omgangsregeling bestaat tussen eiser en de kinderen, is het weigeren van verblijf al snel in strijd met artikel 8 van het EVRM. De mogelijkheid om via moderne communicatiemiddelen contact te onderhouden is geen toereikende vervanging van rechtstreeks fysiek contact. Ten aanzien van de duur van eisers verblijf in Nederland voert eiser aan dat daaraan zeer veel gewicht moet worden toegekend. Eiser verblijft hier al 25 jaar en heeft hier sterke sociale en culturele banden. Verweerder heeft bij de weging van het privéleven ten onrechte niet betrokken dat er zeer veel familieden van eiser in Nederland wonen. Eisers belaste jeugd heeft zijn banden met Nederland verder versterkt en eiser heeft een sterk zorgnetwerk dat hem helpt positieve stappen te zetten. Met Congo heeft eiser geen banden en ontbreekt het aan een sociaal vangnet om op terug te vallen. Er is dus sprake van een ‘certain degree of hardship’, waar verweerder onvoldoende gewicht aan heeft toegekend.

De rechtbank moet beoordelen of verweerder de belangenafweging in het kader van eisers recht op bescherming van familie- en privéleven deugdelijk heeft verricht. De rechtbank moet toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en zo ja, of hij zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en privéleven van de vreemdeling in Nederland enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het besluit. Bij een belangenafweging waarin openbare-ordeaspecten een rol spelen, zoals in dit geval, moeten de door eiser genoemde criteria uit de rechtspraak van het EHRM (‘guiding principles’) worden betrokken. Hiertoe behoren onder meer de aard en de ernst van het gepleegde misdrijf, het tijdsverloop sinds het gepleegde misdrijf en de gedragingen van de betrokken vreemdeling gedurende die tijd en de hechtheid van de sociale, culturele en familiebanden van de betrokken vreemdeling met het gastland en het land van herkomst. Verweerder moet in de belangenafweging inzichtelijk maken welk gewicht de verschillende belangen hebben, voordat hij die belangen tegen elkaar afweegt. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt verder dat ‘very serious reasons’ zijn vereist om iemand uit het land te zetten waar hij het grootste deel van zijn kindertijd en jeugd heeft doorgebracht. De rechtbank is van oordeel dat uit het bestreden besluit voldoende volgt dat aan die maatstaf is voldaan en overweegt daartoe als volgt.

Verweerder is in het besluit ingegaan op de genoemde ‘guiding principles’ en heeft de relevante feiten in kaart gebracht. Daarbij geldt allereerst dat verweerder zich, zoals eerder geoordeeld onder 7 t/m 7.2 van deze uitspraak, op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser een gevaar de openbare orde vormt. Daarmee wordt al ingegaan op de aard en ernst van de gepleegde misdrijven, het tijdsverloop sinds deze misdrijven en de gedragingen van eiser in dat tijdvak. Ook is naar het oordeel van de rechtbank hiermee voldoende duidelijk dat er ‘serious reasons’ waren voor verweerder om tot intrekking over te gaan. Verder is verweerder ingegaan op de duur van eisers verblijf in Nederland, de banden van eiser met Nederland (waaronder alle familieleden in Nederland) en met Congo. Dat verweerder heeft verzuimd contact op te nemen met jeugdinstanties over de belangen van eisers minderjarige kinderen volgt de rechtbank niet. In tegenstelling tot de situatie in het door eiser aangehaalde arrest, loopt in eisers geval namelijk geen gelijktijdige familierechtelijke procedure over omgang. Het stond eiser verder vrij om informatie over zijn kinderen in deze procedure in te brengen. Dat verweerder onvoldoende is ingegaan op eisers gezondheidstoestand volgt de rechtbank ook niet. Eiser heeft immers geen onderbouwende stukken overgelegd die hier op zien. Dat verweerder eiser onvoldoende gewaarschuwd heeft voor vreemdelingenrechtelijke consequenties van zijn handelen volgt de rechtbank niet. Het voornemen heeft dit effect blijkens de daarna gepleegde strafbare feiten ook niet gehad, waardoor het ontbreken van een eerdere waarschuwing geen betekenis heeft voor de verrichte belangenafweging.

Verweerder heeft verder inzichtelijk gemaakt waarom onder de gegeven omstandigheden aan de belangen van eiser – ondanks zijn lange verblijf in Nederland –onvoldoende gewicht toekomen. Hij heeft het belang van de bescherming van de openbare orde zwaarder mogen wegen dan eisers belang om zijn familie- en privéleven in Nederland te kunnen uitoefenen. Eisers stelling dat aan het belang van het beschermen van de openbare orde minder gewicht moet worden toegekend omdat hij positieve stappen stelt te hebben gezet, volgt de rechtbank ook niet. Eiser heeft enkele e-mails overgelegd waaruit blijkt dat hij is doorverwezen naar een aantal hulporganisaties, maar heeft niet onderbouwd dat hij een effectieve behandeling heeft ondergaan. Ten aanzien van eisers familieleven met zijn dochters heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat dit familieleven van (zeer) beperkte aard is en minder intensief dan gebruikelijk. Eiser heeft in het jonge leven van zijn kinderen namelijk niet met hen samengewoond, heeft langere tijd vastgezeten waardoor hij niet voor hen kon zorgen en heeft ook niet kunnen onderbouwen wat de invulling is die hij wél aan het gezinsleven met zijn kinderen geeft. Daarmee blijft ook onduidelijk waarom contact op afstand deze invulling niet kan vervangen. Dat aan de belangen van de kinderen onvoldoende gewicht toekomt in de belangenafweging volgt de rechtbank daarom niet.

Verweerder heeft in zijn beoordeling verder mogen betrekken dat eiser door zijn veroordelingen meerdere periodes niet aan de Nederlandse samenleving heeft deelgenomen. Tijdens de periodes dat hij vrij was heeft eiser niet of zeer beperkt deelgenomen aan de Nederlandse economie en maatschappij. Eiser heeft ruim tien jaar een uitkering ontvangen en nooit een stabiele arbeidsrelatie opgebouwd. Ten aanzien van eisers belaste verleden begrijpt de rechtbank, net als verweerder, dat dit hem geen goed heeft gedaan. Verweerder heeft zich daarbij echter wel op het standpunt mogen stellen dat eiser zelf geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn eigen daden en niet de verantwoordelijkheid heeft genomen om zich te laten onderzoeken. Dat eiser stelt sterke banden met Nederland te hebben omdat hij is doorverwezen naar zorginstanties en hij in een zorginstelling met persoonlijke begeleiding woont, volgt de rechtbank niet omdat eiser niet heeft onderbouwd van welke zorg hij afhankelijk is. De rechtbank volgt ook verweerders standpunt dat van eiser mag worden verwacht hij in staat is een privéleven in Congo op te bouwen. Daaronder verstaat de rechtbank ook het opnieuw contact zoeken met zijn familie aldaar. Eiser is nog relatief jong en is opgegroeid in een Congolese familie, waardoor hij kennis heeft van de Congolese cultuur en de taal die daar gesproken wordt. Eisers stelling dat hij bij terugkeer wordt blootgesteld aan een ‘certain degree of hardship’, heeft hij onvoldoende concreet gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft eiser een Unierechtelijk verblijfsrecht?

10. Eiser voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen Unierechtelijk verblijfsrecht heeft op grond van het arrest Chavez-Vilchez. Eiser heeft op dit moment een omgangsregeling met zijn twee jongste dochters waarvoor hij daadwerkelijk zorgtaken verricht.

De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat eiser geen verblijfsrecht heeft op grond van het arrest Chavez-Vilchez. Niet is gebleken dat tussen eiser en zijn dochters een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat zij gedwongen zouden zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd. Eiser is niet samen met de moeder van zijn dochters en heeft niet of slechts korte tijd met zijn dochters samengewoond. Daarnaast heeft eiser gesteld dat er een omgangsregeling is en dat hij zorgtaken verricht, maar hij heeft dit niet onderbouwd. Dat eiser voor zijn dochters zorgtaken verricht blijkt niet uit de e-mails van Meesterwerk en jeugdzorg. De beroepsgrond slaagt niet.

Subsidiaire beschermingsstatus

11. Eiser heeft in de beroepsgronden van 2 januari 2025 aangevoerd dat hij bij terugkeer naar Congo een reëel risico loopt op ernstige schade en recht heeft op een subsidiaire beschermingsstatus. Ter zitting heeft eiser die beroepsgrond laten vallen. Deze beroepsgrond behoeft dus geen bespreking meer.

Heeft verweerder een terugkeerbesluit en een inreisverbod mogen uitvaardigen?

12. Eiser voert aan dat opleggen van een terugkeerbesluit en inreisverbod voor de duur van tien jaar in strijd is met artikel 8 van het EVRM en dat niet is voldaan aan het Unierechtelijk openbare orde criterium. De persoonlijke omstandigheden van eiser zijn dusdanig dat het onthouden van een vertrektermijn niet proportioneel is. Het opleggen van een zwaar inreisverbod is ook in strijd met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Ook als geen sprake van een schending van artikel 8 van het EVRM, dient verweerder rekening te houden met het familieleven in Nederland. Verweerder heeft ook onvoldoende toegelicht waarom in dit geval een inreisverbod met een duur van tien jaar is uitgevaardigd, terwijl artikel 6.5a, vierde lid, aanhef en onder a van het Vb ook op de situatie van eiser van toepassing is.

De rechtbank heeft eerder in deze uitspraak overwogen dat bij intrekking van de verblijfsvergunning is voldaan aan het Unierechtelijk openbare ordecriterium en geoordeeld dat verweerder de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in eisers nadeel heeft mogen laten uitvallen. Ook is vastgesteld dat intrekking van de verblijfsvergunning niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank ziet, zonder nadere toelichting van eiser die ontbreekt op dit punt, geen aanleiding om daar in het kader van het terugkeerbesluit en inreisverbod anders over te oordelen. Verweerder heeft dus op deze grond niet af hoeven zien van het opleggen van een terugkeerbesluit en inreisverbod.

De verwijzing naar artikel 6.5a, vierde lid, aanhef en onder a, van de Vw slaagt ook niet. Daarin staat dat een inreisverbod voor ten hoogste vijf jaar wordt uitgevaardigd als de vreemdeling is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van zes maanden. Dat artikel is hier echter niet van toepassing. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Vw van toepassing is. Daaruit volgt dat de duur van het inreisverbod ten hoogste tien jaar is als de vreemdeling een ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt, waarvan sprake is als de vreemdeling is veroordeeld naar aanleiding van een geweldsdelict. Dat is hier geval. Verweerder heeft daarom een inreisverbod voor de duur van tien jaar mogen opleggen.

Omdat verweerder een inreisverbod voor de duur van tien jaar heeft mogen opleggen heeft verweerder ook een besluit tot signalering voor de duur van tien jaar mogen opleggen.

Conclusie

13. Het beroep is ongegrond. Het bestreden besluit blijft in stand. Omdat eiser geen gelijk krijgt is er geen reden om verweerder te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.V.A. Corstens, voorzitter, mr. W.B. Klaus en mr. L.M. Nieuwenhuijs, leden, in aanwezigheid van mr. J.P. Ankum, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. B.V.A. Corstens
  • mr. W.B. Klaus
  • mr. L.M. Nieuwenhuijs

Griffier

  • mr. J.P. Ankum

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?