RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres 1] , V-nummer [V-nummer 1] , eiseres, en haar dochter [eiseres 2], V-nummer [V-nummer 2] , samen eiseressen
De zaak in het kort
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.30841
(gemachtigde: mr. H.E. Visscher),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
1. Eiseres had een winkel in Colombia. Een crimineel die banden heeft met een paramilitaire organisatie wilde deze winkel gebruiken om geld wit te wassen, maar eiseres weigerde daaraan mee te werken. Vervolgens is eiseres bedreigd, waarna zij met haar dochter is gevlucht. De dochter van eiseres was toen nog minderjarig.
2. Verweerder gelooft de verklaringen van eiseres en hij vindt het aannemelijk dat zij te vrezen heeft voor de paramilitairen, maar hij heeft de asielaanvragen van eiseressen afgewezen. Volgens verweerder zijn de paramilitairen waar eiseressen bang voor zijn niet in heel Colombia actief en kunnen eiseressen daarom op een andere plaats in Colombia gaan wonen.
3. Naar het oordeel van de rechtbank kan het besluit waarbij de asielaanvragen van eiseressen zijn afgewezen niet in stand blijven. In deze uitspraak legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het verloop van de procedure
4. Eiseressen hebben op 18 november 2024 asiel aangevraagd (de asielaanvragen).
5. Bij besluit van 9 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de asielaanvragen afgewezen.
7. Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
8. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Eiseressen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en een tolk. Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
9. Op 16 september 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het feit dat het bestreden besluit is genomen namens de staatsecretaris van Justitie en Veiligheid en niet namens de minister van Asiel en Migratie. Op 2 oktober 2026 hebben partijen hun standpunt hierover naar voren gebracht. Partijen hebben niet kenbaar gemaakt dat zij behoefte hebben aan een nieuwe zitting, waarna de rechtbank het onderzoek op 13 oktober 2026 opnieuw heeft gesloten.
Het oordeel van de rechtbank
Conclusie en gevolgen
Het bestreden besluit is onbevoegd genomen, maar de rechtbank passeert dat gebrek
10. Partijen zijn het erover eens dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet bevoegd was om het bestreden besluit te nemen, omdat de minister van Asiel en Migratie vanaf 2 juli 2024 bevoegd is om te beslissen op asielaanvragen. De rechtbank passeert dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
11. Eiseressen krijgen een proceskostenvergoeding omdat het bestreden besluit inhoudelijk gezien onrechtmatig is (zie overweging 16). De rechtbank ziet geen reden om eiseressen een extra proceskostenvergoeding toe te kennen vanwege het door henzelf niet aangevoerde bevoegdheidsgebrek.
Het bestreden besluit is onrechtmatig en kan daarom niet in stand blijven
10. In de voornemens tot afwijzing van de asielaanvragen heeft verweerder onder meer het volgende overwogen.
“ Niet is gebleken dat de groepering Frente Carlos Patiño de las FARC-EP landelijk opereert. Deze tak van de FARC-EP is enkel aanwezig in de departementen Cauca en Valle de Cauca. Wel is er sprake van het feit dat de Frente Carlos Patiño de las FARC-EP en de FARC-EP op sommige punten samenwerken. Om deze reden is er ook gekeken naar de aanwezigheid van de FARC-EP. Uit het Algemeen Ambtsbericht [Colombia 2022; toevoeging rechtbank] blijkt dat de dissidente FARC niet meer de reikwijdte en het netwerk in het land heeft die de FARC-EP voor het vredesakkoord had. (…) Daarnaast blijkt uit openbare bronnen dat de FARC-EP in meerdere departementen niet actief is.”
11. In het bestreden besluit heeft verweerder mede verwezen naar het algemeen ambtsbericht Colombia 2024. Eiseressen voeren terecht aan dat daaruit niet zonder meer volgt dat het standpunt van verweerder juist is. Op bladzijde 24 van dat ambtsbericht staat namelijk onder meer het volgende.
“ De EMC, die zichzelf de Fuerzas Armadas Revolucionarias de Colombia – Ejército Popular (FARC-EP: Revolutionaire Strijdkrachten van Colombia – Volksleger) noemt heeft een nationaal bereik met een interregionaal coördinatiesysteem en heeft ongeveer 3.500 leden, van wie er ongeveer 2.200 gewapend zijn. (…)
De EMC heeft zich de laatste jaren uitgebreid en heeft een nationaal bereik. Tijdens de verslagperiode was de EMC aanwezig in het zuiden, oosten en westen van Colombia, met bolwerken in de departementen Guaviare, Meta, Caquetá, Vaupés en Guainía. Ook in grensgebieden was de EMC actief: in het departement Amazonas, op de grens met Brazilië en Peru; Putumayo, op de grens met Ecuador en Casanare, Arauca en Norte de Santander, op de grens met Venezuela. In Cauca, Valle del Cauca en Nariño waren enkele van de meest gewelddadige facties actief. (…) In oktober 2023 bracht de Fundación Ideas para la Paz (FIP) in kaart waar de verschillende facties van de EMC actief waren. Deze Spaanstalige kaart is hieronder opgenomen.”
12. In het algemeen ambtsbericht Colombia 2024 wordt de FARC-EP dus omschreven als een organisatie met een nationaal bereik en een interregionaal coördinatiesysteem, met enkele duizenden leden, onder wie gewapende leden. Verweerder heeft het beroep van eiseressen op deze informatie onvoldoende weerlegd. Verweerder wijst er, op zichzelf terecht, op dat op de in het ambtsbericht bedoelde Spaanstalige kaart gebieden zijn aan te wijzen waar de FARC-EP in oktober 2023 niet actief was. Gezien de omschrijving van de FARC-EP als een organisatie met een nationaal bereik en een interregionaal coördinatiesysteem kan op grond van deze kaart echter niet met de vereiste mate van zekerheid worden afgeleid dat er in Colombia in 2023 of 2024 gebieden waren waar eiseressen zich konden vestigen zonder gevaar te lopen.
13. Verweerder merkt op dat ook uit de verklaringen van eiseressen volgt dat zij zich zonder problemen elders in Colombia kunnen vestigen. Het is op zichzelf juist dat eiseressen na het ontstaan van de problemen nog op verschillende adressen in Colombia hebben gewoond, maar zij stellen dat zij zich daar min of meer schuil hielden en niet duurzaam veilig waren. Wat hiervan ook zij, op grond van het door verweerder gevoerde beleid inzake Colombia is primair van belang of de FARC-EP een landelijk opererende organisatie is en dat heeft verweerder met de gegeven motivering onvoldoende weerlegd. De hierop betrekking hebbende beroepsgronden slagen.
14. De informatie waar verweerder zich in het bestreden besluit op beroept, is inmiddels een paar jaar oud. Dat ligt niet aan verweerder, maar laat onverlet dat het in de rede ligt dat verweerder, als hij de asielaanvragen opnieuw beoordeelt, ook onderzoekt of inmiddels recentere informatie beschikbaar is. Bij deze beoordeling zal verweerder ook het standpunt van eiseressen moeten betrekken dat zij als Afro-Colombianen te maken hebben met serieuze discriminatie, die het voor hen moeilijker maakt om zich op een voor hen onbekende plaats in Colombia te vestigen dan voor anderen. Verweerders opmerking ter zitting dat recentere informatie geen wezenlijk ander beeld geeft, is niet verder toegelicht en daarmee onvoldoende inzichtelijk.
15. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. Het is aan verweerder om de actuele situatie nader te onderzoeken en de asielaanvragen op basis daarvan opnieuw te beoordelen. De rechtbank heeft partijen op de zitting gevraagd of zij de voorkeur geven aan een tussenuitspraak als het beroep gegrond zou zijn, maar dat was niet het geval. De rechtbank zal dit standpunt respecteren en verweerder opdragen om met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op de asielaanvragen te beslissen.
16. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseressen gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,00 en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen op de asielaanvragen;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseressen tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van O. Sharifi, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.