uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],
geboren op [geboortedag] 1989, van Tadzjiekse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. S.N. Ali)
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. L.F. Ludwig).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
Eiser heeft op 23 augustus 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 31 oktober 2025 afgewezen als ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep op 2 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Abrahamian als tolk in de Russische taal en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
2. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard dat hij tijdens zijn studie kennis heeft gemaakt met de Partij van de Islamitische Wedergeboorte en dat hij enkele activiteiten voor deze partij heeft uitgevoerd. In 2015 is deze partij verboden verklaard tot een terroristische extremistische organisatie. Hierdoor werd eiser tweemaal door de lokale politie ondervraagd naar zijn politieke overtuiging.
.
Eiser heeft het land verlaten en is naar Turkije vertrokken. Vanuit Turkije wilde hij naar Rusland, maar hij is daar aangehouden en overgedragen aan de Tadzjiekse douane. Vervolgens is hij door de autoriteiten vastgehouden, ondervraagd over zijn activiteiten in Turkije en mishandeld. Na drie dagen heeft de familie van eiser hem vrij gekregen door middel van het betalen van een geldsom. Enkele jaren later is eisers broer gebeld door de lokale politie die zeiden dat eiser zich moest komen melden. Eiser heeft hierop het land verlaten en is naar Nederland gereisd.
Het bestreden besluit
2. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende twee relevante asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;2. problemen met de autoriteiten wegens politieke overtuiging.
De minister acht het eerste asielmotief geloofwaardig. Het tweede asielmotief wordt daarentegen niet geloofwaardig geacht. De minister werpt in dit kader aan eiser tegen dat hij onvoldoende documenten heeft overgelegd zonder daarvoor een goede verklaring te geven. Daarnaast vormen de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel. Volgens de minister heeft eiser namelijk op meerdere punten wisselend, tegenstrijdig en summier verklaard. De minister vindt verder dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Daartoe merkt de minister onder andere op dat eiser in meerdere landen, zoals Turkije en Estland, heeft geprobeerd een nieuw leven op te bouwen zonder asiel aan te vragen. Van iemand die internationale bescherming nodig heeft, mag immers worden verwacht dat hij zich zo snel mogelijk meldt. Tot slot heeft eiser volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat hij voor wat betreft het geloofwaardig geachte asielmotief (identiteit, nationaliteit en herkomst) een vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Tadzjikistan. De minister heeft de asielaanvraag afgewezen als ongegrond en een terugkeerbesluit opgelegd.
Wat vindt eiser in beroep
3. Allereerst verwijst eiser naar de inhoud van de zienswijze die als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. Eiser voert verder aan dat de problemen met de autoriteiten wegens zijn politieke overtuiging ten onrechte ongeloofwaardig zijn geacht. Hij heeft consistent en voldoende gedetailleerd verklaard over zijn politieke activiteiten en betrokkenheid bij oppositiegroepen. De minister motiveert onvoldoende waarin zijn verklaringen tegenstrijdig of summier zouden zijn, noch welke kennis van hem werd verwacht. Daarnaast voert eiser aan dat hij weliswaar niet kan verklaren waarom hij precies door de autoriteiten wordt vervolgd, maar dat hij wel aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling van hen staat en daarvoor vreest. Eiser benadrukt dat zijn reisbewegingen en het ontbreken van officiële documenten niet afdoen aan die vrees, aangezien hij lokaal werd gezocht en autoriteiten in dergelijke gevallen geen documenten verstrekken.
Problemen met de autoriteiten wegens politieke overtuiging
4. Niet in geschil is dat eiser dit asielmotief niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die het asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of de asielmotieven alsnog geloofwaardig zijn. Dat is volgens de minister niet het geval onder meer omdat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
Politieke activiteiten in Tadzjikistan
5. De minister stelt dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over zijn politieke activiteiten. Eiser verklaarde eerst dat hij tijdens zijn studie enkele jaren actief was voor de Partij van de Islamitische Wedergeboorte, onder meer door promotiemateriaal te verspreiden, een partij kantoor te bezoeken en hierover vaak met vrienden, collega's en thuis te hebben gesproken. Op een latere vraag of hij lid was of activiteiten verrichtte, antwoordde hij echter: “Nee toen niet, maar nu wel.” Omdat deze latere verklaring niet strookt met zijn eerdere verklaring, volgt de minister eiser niet in zijn stelling dat hij politiek actief is geweest voor deze partij.
De rechtbank is van oordeel dat deze tegenwerping geen stand kan houden en overweegt daartoe als volgt. Uit het gehoorverslag blijkt dat de hoormedewerker twee vragen in één zin heeft gesteld: “Bent u lid geweest van een partij of hebt u activiteiten verricht voor een partij?” Eiser antwoordde hierop: “Nee, toen niet, maar nu wel.” Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij de vraag zo heeft begrepen dat die enkel over het lidmaatschap ging (het eerste deel van de vraag), en dat zijn antwoord in dat licht is gegeven en ook zo moet worden begrepen. De rechtbank kan dit goed volgen. Gelet op hoe eiser de vraag heeft begrepen, is er geen sprake van een tegenstrijdigheid. Sterker nog, zijn antwoord sluit goed aan bij een latere verklaring in het gehoor dat hij eerst geen lid was, maar later wel (vanaf december 2024). De rechtbank merkt hierbij ook op dat de hoormedewerker tijdens het gehoor had kunnen doorvragen of eiser had kunnen confronteren met de vermeende tegenstrijdigheid om zo duidelijkheid te krijgen. Nu ook dit is nageleten, houdt deze tegenwerping – in onderling verband bezien met hoe de vraag is gesteld, begrepen en beantwoord, en het feit dat dit antwoord in overeenstemming is met zijn latere verklaring – geen stand.
Inzicht en kennis over de Partij van de Islamitische Wedergeboorte
6. De minister stelt dat eiser summier heeft verklaard over de Partij van de Islamitische Wedergeboorte en weinig kennis over deze partij heeft. Van een volwassen man die zegt deze partij al langere tijd te steunen en daarvoor activiteiten te verrichten, mag worden verwacht dat hij hierover meer kan vertellen.
De rechtbank is van oordeel dat ook deze tegenwerping geen stand kan houden en overweegt daartoe als volgt. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat hij het liefst meer had willen vertellen en verklaren, maar dat hij tijdens het gehoor in het algemeen het gevoel kreeg om dingen in grote lijnen te vertellen en niet teveel in details te treden. De rechtbank stelt vast dat de gehoormedewerker het volgende heeft opgemerkt: “Ik ga u even onderbreken. U geeft veel details en dat is goed, maar ik wil u vragen om in grote lijnen te vertellen wat ertoe heeft geleid dat u uw land hebt verlaten.”Hoewel de rechtbank inziet dat de gehoormedewerker dit heeft uitgesproken naar aanleiding van eisers antwoorden over zijn vertrekredenen, kan de rechtbank zich goed voorstellen dat bij eiser nadien het gevoel is ontstaan om in zijn verklaringen kort te blijven en niet te veel in details te treden. De rechtbank stelt verder vast dat in het kader van de Partij van de Islamitische Wedergeboorte aan eiser tijdens het gehoor de volgende vragen zijn gesteld, die hij als volgt heeft beantwoord:
IND: “U verklaarde eerder dat het programma van de islamitische wedergeboorte
naar uw mening het meest reële programma was op het vlak van het sociale
leven. Kunt u dit toelichten?”
Eiser: “Op het gebied van onderwijs is de kwaliteit op een laag niveau, zo zijn er
allerlei andere zaken. Overal, op elk gebied is corruptie, dan ben je gewoon
aan het leven en dan na een bepaald aantal jaar zie je nog geen verbetering.
Dan probeer je, ook al is het minimaal, probeer je je aan iets vast te klampen
in de hoop dat er iets ten goede verandert.”
IND: “Wat was het aan deze partij van de islamitische wedergeboorte dat u dacht dat
zij iets konden veranderen?”
Eiser: “Het onderwijsniveau beter maken, dat je van macht wisselt na vier jaar en niet
langer, dat iemand niet jarenlang aan de macht zit, ook de terugkeer van het
parlement. Veel mensen in Tadzjikistan steunden deze partij, maar de
verkiezingen vonden niet eerder plaats. Er waren veel vervalsingen. Als je dan
naar mensen luisterde, zowel jongeren als ouderen, was het duidelijk dat die
partij de meeste steun ontving en niet de partij van de huidige machthebbers.”
Gelet op wat eiser heeft verklaard, overweegt de rechtbank dat niet valt in te zien waarom deze verklaringen als summier zouden moeten worden aangemerkt. Eiser heeft in zijn antwoord een aantal redenen gegeven. Mocht de minister dit te summier vinden dan had hij kunnen doorvragen. Daarbij weegt mee dat eiser bij de Partij van de Islamitische Wedergeboorte uitsluitend vrijwilliger was en geen lid. De minister betwist dit laatste niet. Eiser is pas later lid geworden van een politieke partij genaamd The Forum of Tajik Freethinkers, een politieke alliantie waarbij de Partij van de Islamitische Wedergeboorte zich heeft aangesloten. Mede tegen die achtergrond, en in combinatie met het feit dat eiser wel degelijk inzicht heeft gegeven, kan het hem niet zonder meer worden tegengeworpen dat hij summier heeft verklaard.
[naam 1]
7. De minister stelt dat eiser algemeen en summier heeft verklaard over [naam 1]. Zijn verklaringen hierover geven geen inzicht in zijn gestelde politieke activiteiten, zijn betrokkenheid en zijn overwegingen, en er blijkt weinig kennis uit. Dit mag wel van hem verwacht worden. Dit geldt volgens de minister des te meer nu eiser stelt de groep gedurende enige tijd te hebben gesteund en het met een bepaalde overtuiging eens te zijn.
De rechtbank overweegt als volgt. In het kader van [naam 1] zijn aan eiser tijdens het gehoor de volgende vragen gesteld, die hij als volgt heeft beantwoord:
IND: “U verklaarde ook over [naam 1] en u zei dat u die groep ook steunde. Wat
kunt u mij vertellen over [naam 1]?”
Eiser: “Dat is ook interessant, want in 2012 zijn ze geregistreerd in Rusland. De
oprichter daarvan was een zakenman, [naam 2]. In 2015 hebben ze
hem in Istanbul neergeschoten. Toen sprak hij ook over hervormingen in
Tadzjikistan en hij was heel zelfverzekerd, veel mensen steunden hem. In
2014 is die partij verboden verklaard.”
IND: “Op welke manier steunde u deze groep?”
Eiser: “Als toeschouwer, ik was supporter. Concreet en direct heb ik met niemand van
die groep gesproken toentertijd.”
IND: “Hebt u naderhand wel iemand gesproken van deze groep?”
Eiser: “Ja, hier wel. Ik heb met ene [naam 3] gesproken. Hij is één van de leiders van
de politieke partijen die hier in Nederland geregistreerd is. Hij krijgt ook van
Nederland bescherming.”
IND: “Hebt u op dit moment banden met deze partij?”
Eiser: “Nee, ik heb alleen een telefonisch gesprek gehad. Mij werd toen gevraagd of ik
in Den Haag mee kon doen aan een actie als steun voor diegenen in Turkije.
Voordat ik mezelf gemeld had en daar kwam, was het eigenlijk al voorbij.”
IND: “Steunt u deze groep nog steeds?”
Eiser: “Alle politieke partijen hebben mijn steun, omdat iets ze allemaal verenigt.”
IND: “Wat is dat wat ze allemaal verenigt?”
Eiser: “Gewoon tegen de onrechtvaardigheid die er allemaal in Tadzjikistan is, tegen
de verbanning waardoor mensen niet kunnen terugkeren naar Tadzjikistan.”
Uit de antwoorden van eiser volgt dat zijn verhouding tot [naam 1] bestaat uit het zijn van een supporter, waarbij hij de groep steunt als onderdeel van een geheel van partijen die zijn steun genieten vanwege hetgeen hen verenigt. Verder volgt niet dat eiser op enige andere wijze bij de groep is betrokken of daarmee banden heeft. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser kan worden tegengeworpen dat zijn verklaringen over [naam 1] te algemeen en summier zijn.
Problemen met de lokale politie
8. De minister stelt dat eiser ongerijmd heeft verklaard over de problemen met de lokale politie. Eiser heeft verklaard dat de Partij van de Islamitische Wedergeboorte in 2025 verboden en tot terroristische extremistische organisatie is verklaard, waarna hij tweemaal is opgeroepen door de lokale politie omdat zij wisten van zijn politieke overtuiging en activiteiten. In het gehoor heeft eiser echter verklaard dat hij in 2008, 2009 en 2010 actief was voor de partij. Eiser heeft immers zelf het jaar 2010 nogmaals benadrukt. Er is in het gehoor niet benoemd dat hij na deze tijd nog actief is geweest. Het valt dan ook niet in te zien waarom de politie hem vijf jaar later in 2015, ná het verbod op de partij, nog zou oproepen vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten.
De rechtbank overweegt als volgt. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij van 2008 tot en met 2010 actief was voor de partij in aanloop naar het verkiezingsjaar 2010, en dat hij in 2010 extra actief was. Dat wil volgens hem echter niet zeggen dat hij daarna niet meer actief is geweest. Hij is tot 2015 actief gebleven voor de partij, zoals ook is opgenomen in de correcties en aanvullingen. De rechtbank stelt vast dat eiser in de correcties en aanvullingen van 28 oktober 2025, één dag na het gehoor, het volgende heeft opgenomen: “Ik heb verklaard dat in 2008, 2009, 2010 tot 2015 actief ben geweest voor deze partij.” De minister heeft hierover in zijn besluitvorming gesteld dat deze correctie zonder enige toelichting is gedaan en daarom niet zonder meer wordt gevolgd. De rechtbank kan de minister daarin niet volgen. Correcties en aanvullingen zijn immers juist bedoeld om tijdens het gehoor afgelegde verklaringen te corrigeren. Verder merkt de minister in het besluit op dat eiser het jaar 2010 zelf nogmaals heeft benadrukt. De rechtbank kan dit echter niet in het gehoor terugvinden. De minister kon op zitting desgevraagd ook niet aangeven waar dit uit zou blijken. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser ongerijmd zou hebben verklaard over het feit dat de politie eiser in 2015 zou oproepen vanwege eisers politieke overtuiging en activiteiten.
Problemen met de autoriteiten
9. De minister stelt dat eiser ongerijmd heeft verklaard over de problemen met de autoriteiten. Het is niet te rijmen dat eiser stelt dat de autoriteiten naar hem op zoek zijn, terwijl hij in april 2017 na een overdracht van Rusland aan de Tadzjiekse douane weliswaar drie dagen is ondervraagd, maar in juni van datzelfde jaar gewoon persoonlijk zijn rijbewijs heeft vernieuwd en opgehaald. Bovendien is eiser nog geen drie maanden na die ondervraging in juli 2017 zonder enige belemmering naar Kazachstan uitgereisd. Vervolgens is hij in 2021 weer Tadzjikistan in gereisd, om in maart 2022 weer naar Kazachstan te reizen. Omdat eiser al deze reizen volledig legaal en zonder enig ingrijpen van de autoriteiten of de binnenlandse veiligheidsdienst heeft kunnen maken, valt niet in te zien dat de autoriteiten naar hem op zoek waren.
De rechtbank overweegt als volgt. Zonder nadere motivering ziet de rechtbank niet in waarom legaal in- en uitreizen onverenigbaar is met het gestelde gegeven dat eiser door de lokale politie wordt gezocht. Zoals eiser terecht heeft opgemerkt, heeft hij meermaals verklaard dat hij door de lokale politie wordt gezocht en dat de landelijke en lokale systemen in het land niet goed op elkaar aansluiten. Hierdoor is het mogelijk dat men lokaal wordt gezocht, terwijl dit niet direct in de landelijk systeem zichtbaar is of de uitreiscontrole belemmert. Zonder nadere onderbouwing kan het probleemloos in- en uitreizen eiser dan ook niet zonder meer worden tegengeworpen.
Eiser stelt verder dat zijn broer in maart 2022 –vijf jaar na het incident op de luchthaven – is gebeld door de lokale politie met het verzoek om langs te komen voor een gesprek. Het is volgens de minister echter niet te volgen dat eiser hier zo'n zwaar gewicht aan hangt, temeer daar hij niet weet wie zijn broer daadwerkelijk aan de telefoon heeft gehad en enkel afgaat op de mededeling dat het om de lokale politie zou gaan. Daarbij vindt de minister het ongerijmd dat, gelet op eisers verklaringen, de politie de eerste twee keer in 2015 bij eiser aan de deur kwam en dus op de hoogte was van zijn familie en zijn verblijfplaats. Het valt dan ook niet in te zien waarom zijn broer zou worden gebeld.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. Gelet op het relaas van eiser, waarin hij heeft verklaard dat hij niet verbleef op zijn officiële woon- of verblijfplaats, valt zonder een nadere onderbouwing van de minister niet in te zien waarom het ongerijmd zou zijn dat eisers broer telefonisch is benaderd. Immers, nu eiser zich in een situatie bevond waarin hij ondergedoken zat en dus niet op zijn reguliere adres, is het op zich niet bevreemdend dat er contact wordt gezocht met directe familieleden.
Wanneer eiser gevraagd wordt waarom hij in- en uitreisde terwijl hij vreesde voor de autoriteiten, stelt hij dat er viereneenhalf jaar verstreken waren en dat hij dacht dat er misschien wel iets veranderd zou zijn. Deze verklaring strookt volgens de minister niet met het feit dat eiser na het telefoontje is vertrokken om vervolgens enkele maanden later in januari 2023 weer terug te keren, omdat hij zijn gezin nog wilde zien. Eiser heeft in 2023 nog een maand in Tadzjikistan verbleven zonder enige problemen van de lokale politie of autoriteiten. Zijn terugkeer doet volgens de minister dan ook afbreuk aan de door hem gestelde vrees.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. In juli 2017 is eiser vertrokken naar Kazachstan. Vervolgens is hij in december 2021 teruggekeerd naar Tadzjikistan. In maart 2022 reisde hij opnieuw naar Kazachstan. In januari 2023 keerde hij weer terug in Tadzjikistan voor een maand, naar eigen zeggen om afscheid te nemen van zijn familie, waarna hij naar Estland is vertrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister kunnen vinden dat eisers terugkeer naar Tadzjikistan afbreuk doet aan de door hem gestelde vrees. De rechtbank kan begrijpen dat eiser zijn gezin mist en afscheid wil nemen. Dit persoonlijke motief weegt echter niet zwaar genoeg om weg te nemen dat een dergelijke terugkeer afbreuk kan doen aan de geloofwaardigheid van zijn vrees.
Verder heeft de minister kunnen constateren dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij nu nog steeds wordt gezocht door de autoriteiten. De minister heeft daarbij eisers verklaringen kunnen betrekken dat het gezin en de overige familieleden van eiser nog in Tadzjikistan wonen, daar geen problemen hebben ondervonden met de autoriteiten en dat eiser ook niets meer van zijn broer heeft vernomen over eventuele telefoontjes. Ook heeft de minister kunnen meewegen dat eiser zijn vermoeden dat hij wordt gezocht uitsluitend baseert op gebeurtenissen uit het verleden, terwijl andere of verdere aanwijzingen dat de autoriteiten hem zoeken ontbreken.
Tussenconclusie
10. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit op een groot aantal onderdelen niet deugdelijk is gemotiveerd. Gelet op wat hiervoor, en in het bijzonder onder 5.1 tot en met 9.3, is overwogen, kunnen veel tegenwerpingen van de minister over de verklaringen van eiser geen stand houden. Dit heeft gevolgen voor de beoordeling of eisers verklaringen al dan niet een samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister zal zich daarom opnieuw over deze vraag moeten buigen. Het beroep is gegrond.
Activiteiten sinds eiser in Nederland is.
11. De minister stelt dat eiser ongerijmd heeft verklaard over zijn lidmaatschap
bij the Forum of Tajik Freethinkers en de Nationale Alliantie van Tadzjikistan.
Volgens de minister heeft eiser geen inzicht gegeven in zijn overwegingen om lid te worden van the Forum of Tajik Freethinkers en toont hij weinig kennis over de partij. Daarbij heeft hij wisselend verklaard over de doelstelling van de partij. Enerzijds stelde hij dat deze op een seculiere grondslag is gebaseerd, met oog voor minderheden en vrouwenrechten. Anderzijds verklaarde hij dat het doel is om de huidige machthebbers omver te werpen, een corrupte vrije staat te stichten met een verhoogde levensstandaard, en de grondwet na te leven.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. Eiser heeft in de aanvraagfase een brief overlegd die zijn lidmaatschap sinds december 2024 bij the Forum of Tajik Freethinkers onderbouwt. Tijdens het gehoor heeft hij verklaard dat de partij in 2015 tijdens een online vergadering is opgericht en geregistreerd in Oostenrijk. Ook heeft hij toegelicht dat hij in Nederland via een bijeenkomst op YouTube met de partij in contact is gekomen, waarna hij persoonlijke gesprekken heeft gevoerd met de leiders en lid is geworden. Verder heeft eiser verklaard waarom hij pas in Nederland lid is geworden. Naar het oordeel van de rechtbank valt, zonder nadere onderbouwing, niet in te zien wat aan deze verklaringen summier is.
Verder overweegt de rechtbank het volgende. Op de vraag waarom eiser voor deze organisatie (Forum of Tajik Freethinkers) heeft gekozen, heeft hij laten weten dat de partij oog heeft voor minderheden, seculier is en niet is gebonden aan één religie, en dat de diversiteit in termen van religie en etniciteit hem aanspreekt. Op de vraag wat de doelstellingen van de partij zijn, heeft hij verklaard dat deze bestaan uit het omverwerpen van de huidige machthebbers, het stichten van een vrije, niet-corrupte staat met een verhoogde levensstandaard, en het naleven van de grondwet. Deze antwoorden zijn niet wisselend en bijten elkaar niet. Dat eiser zich aangetrokken voelt tot de organisatie vanwege haar seculiere grondslag, sluit immers geenszins uit dat de doelstellingen van de organisatie zijn gericht op het respecteren van de grondwet en het omverwerpen van het huidige regime. Zonder nadere onderbouwing valt dan ook niet in te zien waarom deze verklaringen wisselend zouden zijn.
Ten aanzien van de Nationale Alliantie overweegt de rechtbank als volgt. Eiser stelt lid te zijn geworden van deze groep sinds februari 2025 en heeft in de aanvraagfase een brief overlegd die zijn lidmaatschap onderbouwt. De minister acht het ongerijmd dat eiser vanwege zijn politieke overtuiging het land ontvlucht is en in Nederland weer aansluit bij een partij die verboden is in Tadzjikistan. De rechtbank kan dit niet volgen. Het is immers geenszins onlogisch dat een vreemdeling die stelt vanwege zijn politieke overtuiging uit zijn land te zijn gevlucht, in vrijheid in Nederland juist aansluiting zoekt bij groepen of gelijkgestemden om diezelfde overtuiging kracht bij te zetten.
Daartegenover staat dat eiser enerzijds heeft verklaard hier in Nederland geen activiteiten te kunnen verrichten omdat de autoriteiten in Tadzjikistan niet achter zijn lidmaatschap mogen komen, aangezien zijn familie hierdoor in de problemen kan komen. Tegelijkertijd heeft hij verklaard wél dergelijke risico's te nemen door video's te delen op Facebook en deel te nemen aan Zoom-vergaderingen waarin hij herkent zou kunnen worden, met als gevolg dat de autoriteiten alsnog achter zijn activiteiten kunnen komen en zijn familie naar eigen zeggen in gevaar brengt. De minister heeft deze verklaringen wel ongerijmd kunnen vinden. Dit laatste neemt echter niet weg dat de minister, gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 11.1 tot en met 11.3, zich opnieuw dient te beraden op de vraag of – en zo ja, op welke wijze – het gedrag van eiser in Nederland heeft bijgedragen aan het al dan niet ontbreken van een samenhangend en aannemelijk asielrelaas. Ook hierom is het beroep gegrond.
12. Gelet op het bovenstaande heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en daarmee ook onvoldoende gemotiveerd. Omdat het beroep al om deze reden gegrond is, ziet de rechtbank geen aanleiding de overige beroepsgronden te bespreken. De rechtbank ziet echter nog wel aanleiding om het volgende op te merken.
Bij een nieuw te nemen besluit zal de minister zich onder meer moeten buigen over de vraag of eiser, gelet op zijn gestelde lidmaatschap, te vrezen heeft voor vervolging. Eiser heeft kort voor de zitting, vijf minuten voor de aanvang daarvan, nog stukken ingediend over de positie van critici in Tadzjikistan, alsmede over de oppositiebewegingen [naam 1] en de Partij van de Islamitische Wedergeboorte. Gelet op de late indiening hiervan heeft het debat daarover op de zitting niet kunnen plaatsvinden. Nu de minister hoe dan ook een nieuw besluit op de aanvraag moet nemen, draagt de rechtbank de minister ook op om deze ingediende stukken bij de beoordeling te betrekken.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Daarmee is het besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de asielaanvraag te nemen. Dit omdat het eerst aan de minister is om een nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling te maken. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat niet vaststaat of het gebrek met een enkele motivering en zonder nader onderzoek te herstellen is.
14. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
15. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van mr. H. El Ouahabi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.