RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster],
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister),
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.44054
V-nummer: [v-nummer]
geboren op [geboortedag] 1979, van Ugandese nationaliteit, verzoekster,
(gemachtigde: mr. I. Hagg),
en
(gemachtigde: mr. S.H. de Vries).
Procesverloop
Bij besluit van 29 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van verzoekster niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk hiervoor verantwoordelijk is.
Verzoekster heeft op 4 augustus 2026 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat zij niet wordt overgedragen aan Frankrijk totdat op het beroep is beslist. Op dezelfde datum heeft verzoekster beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met het beroep, op 30 september 2026 op zitting behandeld. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Ook was ter zitting P. Oransaye aanwezig, als tolk in de taal Engels.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de voorzieningenrechter, indien beroep is ingesteld, een voorlopige voorziening treffen wanneer onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van verzoekster de rechtbank verzocht om de behandeling van het beroep aan te houden. Verzoekster heeft namelijk twee gesprekken met de politie gehad over het doen van aangifte van mensenhandel. Een derde gesprek vindt plaats op 7 oktober 2026, nadat de zitting heeft plaatsgevonden en het onderzoek is gesloten. Pas daarna wordt duidelijk of verzoekster aangifte kan doen van mensenhandel. Verzoekster heeft het standpunt ingenomen dat de verzochte voorlopige voorziening kan worden toegewezen, als de rechtbank besluit om de zaak aan te houden.
3. De rechtbank heeft aanleiding gezien om het onderzoek in de zaak in beroep te heropenen. Verzoekster krijgt de gelegenheid om de rechtbank te informeren over de status van de aangifte van mensenhandel.
4. De voorzieningenrechter wijst om die reden het verzoek toe, schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoekster niet mag worden overgedragen aan Frankrijk totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.
5. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoekster gemaakte kosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt € 934,00 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.C. Van der Roest, voorzieningenrechter,
in aanwezigheid van mr. L. Jongejans, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.