RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de rechtbank en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser], geboren [geboortedag] 2002, van Surinaamse nationaliteit,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.22359 (beroep)
NL25.22360 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
eiser en verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. A.S. Bodha)
en
(gemachtigde: mr. E. Atabinen).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag. Hij heeft daarom beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, ertoe strekkende dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Hierna legt de rechtbank/voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 4 staat een samenvatting van het gesprek dat de rechtbank heeft gevoerd met [naam 1], de zus van eiser. Onder 5 staat het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank/voorzieningenrechter volgt vanaf 6. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank/voorzieningenrechter en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [de persoon]”. [de persoon] is de moeder van eiser.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 14 juni 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 april 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 3 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de moeder van eiser en de gemachtigde van de minister.
De rechtbank heeft de zus van eiser, [naam 1], in de gelegenheid gesteld haar mening te geven over de voorliggende zaak. [naam 1] heeft op 1 september 2026 van deze gelegenheid gebruik gemaakt door middel van een kindgesprek met de behandelend rechter en griffier. Een samenvatting van dit kindgesprek is opgenomen onder 4. Als bijlage bij deze uitspraak is een uitleg van deze uitspraak voor [naam 1] opgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond
3. Eiser en zijn moeder hebben als volgt verklaard. In maart 2022 is moeder met de jongere zus en twee jongere broers van eiser vanuit Suriname naar Nederland gekomen. Eisers moeder, zus en broers hebben rechtmatig verblijf hier. De moeder van eiser heeft verklaard dat zij niet genoeg geld had voor de overkomst van al haar kinderen en dat zij voornemens was eiser op een later moment naar Nederland te laten komen. Eiser heeft verklaard dat hij in Suriname altijd in gezinsverband heeft gewoond met zijn moeder en zus en broers. Na hun vertrek is eiser dakloos geraakt. Hij kreeg te eten bij een vriendin van zijn moeder. In ruil daarvoor stuurde zijn moeder pakketten met levensmiddelen en kleding, die de vriendin doorverkocht en waarvan zij de opbrengst hield. Eiser mocht niet bij deze vriendin blijven slapen. Soms sliep hij bij vrienden en soms had hij geen slaapplek. Dan sliep hij op straat. Af en toe kreeg hij wat hulp van de vader van zijn broertjes. In januari 2024 is eiser met een visum naar Nederland gekomen. Sindsdien verblijft hij bij zijn moeder en zijn zus en broers.
Samenvatting kindgesprek
4. [naam 1] heeft verteld dat zij twaalf jaar is en op de middelbare school zit. Zij woont met haar moeder, haar jongere broertjes en met eiser samen. Het gaat goed thuis. Ze gaat wel eens met eiser op stap, naar buiten of naar de film. Ze hebben het dan gezellig samen. [naam 1] weet pas kort dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland, de vriendin van eiser heeft het haar een paar dagen voor het kindgesprek verteld. Op de vraag wat zij vindt van de het feit dat eiser geen verblijfsvergunning heeft, wees [naam 1] op een vel smileys de smiley aan waar ‘ongerust’ bij staat. Toen zij in 2022 met haar moeder en broertjes naar Nederland verhuisde vond ze dat spannend en voelde ze zich niet op haar gemak. Dat had ook te maken met het feit dat eiser niet meekon. [naam 1] had het gevoel hem te hebben achtergelaten, het voelde niet compleet zonder hem. Toen hij naar Nederland kwam vond ze dat fijn en leuk. [naam 1] wees hierbij naar de smiley waar ‘tevreden’ bij staat. Ze zou het niet goed vinden als eiser terug zou gaan naar Suriname. Ze denkt dat het dan niet goed met haar zou gaan op school, omdat ze er steeds aan zou denken dat haar broer niet meer bij haar is. Ze zou dan ook niet goed weten wie ze zou moeten bellen als ze iemand nodig heeft. Eiser helpt haar met schoolwerk en koopt ook dingen voor haar die ze nodig heeft, zoals schoenen of kleren. Als zij een wens zou mogen doen, zou ze wensen dat eiser in Nederland verblijf zou krijgen. Aan het eind van het gesprek viel [naam 1] stil en wreef ze veel in haar ogen. Ze maakt zich veel zorgen hierover.
Het bestreden besluit
5. De minister heeft het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag ongegrond verklaard. Volgens de minister is eisers aanvraag terecht afgewezen. Eiser beschikt namelijk niet over een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Hij komt ook niet in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Eiser voldoet namelijk niet aan het jongvolwassenenbeleid, zodat op grond van dat beleid geen familieleven tussen eiser en zijn moeder kan worden aangenomen. Daarnaast bestaan er ook geen bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiser en zijn moeder op grond waarvan familieleven kan worden aangenomen. Eiser komt verder niet in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Ook heeft eiser geen recht op vrijstelling op grond van de hardheidsclausule.
Voldoet eiser aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid?
6. Eiser voert aan dat hij vrijstelling had moeten krijgen van het mvv-vereiste op grond van familieleven met zijn moeder. Hij stelt dat hij wel voldoet aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid. Eiser heeft in Suriname altijd samengewoond met zijn moeder, tot aan haar vertrek naar Nederland in maart 2022. De enige reden dat eiser niet mee is gegaan, is dat zijn moeder geen geld had voor zijn overtocht. Zijn moeder heeft hem altijd financieel onderhouden. Eiser wijst op de verzendbewijzen van de pakketten die zijn moeder aan haar vriendin heeft gestuurd. Eiser mag met alle bewijsstukken zijn standpunt aannemelijk maken. Door alleen objectieve stukken te accepteren maakt de minister het eiser onnodig moeilijk. In samenhang bezien met de WhatsApp-berichten, waaruit blijkt dat eiser en moeder een hechte band hebben, is het aannemelijk dat de pakketten levensmiddelen bevatten voor eiser. Niet logisch is dat moeder wel pakketten voor haar vriendin zou versturen en niet voor haar eigen zoon. Uit deze WhatsApp-berichten volgt daarnaast dat eiser structureel contact had met zijn moeder. Als deze niet goed leesbaar waren, zoals de minister stelt, dan had het op de weg van de minister gelegen om eiser hierop te wijzen. Dat eiser niet staat ingeschreven op het adres van zijn moeder in de Brp kan tot slot niet aan hem worden tegengeworpen. Het is niet mogelijk voor eiser om dit te doen, omdat hij geen verblijfsvergunning heeft. Eiser wijst op de e-mail van de gemeente Amsterdam hierover. Eiser heeft feitelijk wel onderdak bij zijn moeder. De minister had dit kunnen nagaan door een huisbezoek af te leggen.
De rechtbank overweegt als volgt. De minister verleent vrijstelling van het mvv-vereiste als uitzetting van de betrokken vreemdeling in strijd komt met het recht op familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Het jongvolwassenenbeleid, zoals dat gold ten tijde van eisers aanvraag, houdt in dat de minister aanneemt dat familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM bestaat tussen ouders en hun meerderjarige kinderen, zonder dat sprake moet zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, uitsluitend als het meerderjarige kind:
Jongvolwassen is;
met de ouder(s) in gezinsverband samenleeft;
niet in zijn eigen onderhoud voorziet; en
geen zelfstandig gezin heeft gevormd.
Als aan een of meer van deze voorwaarden niet is voldaan, is het jongvolwassenenbeleid niet van toepassing.
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet aan eiser kan tegenwerpen dat hij geen Brp-inschrijving heeft bij zijn moeder. Uit de webpagina van de Rijksoverheid over de Brp volgt dat dit niet mogelijk is als de persoon die zich wil inschrijven geen geldige verblijfsstatus heeft. De rechtbank overweegt verder dat er, bij gebrek aan de mogelijkheid om een Brp-inschrijving te overleggen, inderdaad geen objectief bewijs is voor eisers samenwonen met zijn moeder. De rechtbank vindt de samenwoning echter wel aannemelijk, gelet op de verklaringen van eiser, zijn moeder en [naam 1]. Bovendien betwist de minister niet dat eiser in Suriname tot aan het vertrek van zijn moeder altijd met haar heeft samengewoond. Ter zitting is dit voorgehouden aan de gemachtigde van de minister en is gevraagd of de minister aanwijzingen ziet in het dossier waaruit zou volgen dan het nu anders zou zijn. De gemachtigde van de minister heeft toen toegelicht dat de minister geen aanwijzingen ziet dat eiser ergens anders dan bij zijn moeder zou wonen, maar dat er ook geen objectieve onderbouwing is voor de stelling dat eiser bij zijn moeder woont. Hoewel dat laatste klopt, ziet de rechtbank niet in welk objectief bewijs eiser zou kunnen leveren van zijn samenwoning. De gemachtigde van de minister kon op zitting ook niet toelichten wat de minister hierin verwacht van eiser.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in zijn eigen onderhoud voorziet. De rechtbank legt dit hieronder uit.
De Afdeling heeft in haar uitspraak van 29 mei 2024 als volgt overwogen, over enerzijds specifiek het vereiste dat de betrokken vreemdeling niet in zijn eigen onderhoud voorziet en anderzijds het jongvolwassenenbeleid in zijn algemeen (onderstreping rechtbank):
“Vereiste ‘niet in zijn eigen onderhoud voorziet’
(…)
“8.6. Naar het oordeel van de Afdeling volgt uit voorgaande weergave van de huidige stand van zaken in de rechtspraak van het EHRM dat de staatssecretaris in zijn beoordeling van familie- of gezinsleven in het kader van het jongvolwassenenbeleid als vereiste mag stellen dat een meerderjarig kind niet in zijn eigen onderhoud voorziet, als hij bij de toepassing van dat vereiste alle individuele omstandigheden betrekt in het licht van de vraag of een kind na het bereiken van de meerderjarige leeftijd feitelijk is blijven behoren tot het gezin van zijn ouder(s). Anders dan de staatssecretaris heeft opgemerkt in zijn nader stuk en ter zitting, betekent dit dat hij in zijn beoordeling van het vereiste dat het meerderjarig kind niet in zijn eigen onderhoud voorziet ook kenbaar moet betrekken wat betrokkenen aanvoeren als aanleiding en reden voor het voorzien in eigen onderhoud, ook als dit niet een vluchtgerelateerde omstandigheid is. Dit type omstandigheden kan namelijk ook informatie geven voor het antwoord op de vraag of het meerderjarig kind daadwerkelijk financieel onafhankelijk is van zijn ouder(s).
Overige omstandigheden en contra-indicaties
Naast de omstandigheden die de staatssecretaris betrekt bij de beoordeling van de vier cumulatieve vereisten uit het jongvolwassenenbeleid kunnen overige omstandigheden van belang zijn in het licht van de vraag of een kind na het bereiken van de meerderjarige leeftijd feitelijk is blijven behoren tot het gezin van zijn ouder(s). Zoals de Afdeling hiervoor onder 8.3 heeft benoemd, is de vaststelling van familie- of gezinsleven immers een feitenkwestie. Dit betekent dat de staatssecretaris in reguliere zaken net als in nareiszaken zogenoemde contra-indicaties mag tegenwerpen. Dit zijn omstandigheden na het vertrek van referent uit zijn land van herkomst die erop wijzen dat geen of niet langer familie- of gezinsleven bestaat indien zich geen bijkomende elementen van afhankelijkheid voordoen. Ook bij het tegenwerpen van dit soort omstandigheden moet de staatssecretaris deugdelijk gemotiveerd ingaan op overige individuele omstandigheden van de betrokkenen die daarmee verband houden. Hij mag een zogenoemde contra-indicatie niet tegenwerpen als die contra-indicatie alleen het gevolg is van een vluchtsituatie. Als het meerderjarig kind noodgedwongen zelfstandig is geworden, door bijvoorbeeld een vluchtsituatie, mag de staatssecretaris dit tegenwerpen als dat kind zich zelfstandig en moeiteloos handhaaft. Volgens WI 2023/2, pagina 16, vijfde alinea, beoordeelt de staatssecretaris alleen in nareiszaken of een meerderjarig kind zich inmiddels zelfstandig en moeiteloos kan handhaven. Die beoordeling kan echter in reguliere zaken ook van belang zijn om bij de vaststelling van familie- of gezinsleven zonder bijkomende elementen van afhankelijkheid rekening te houden met bijvoorbeeld een vluchtachtergrond van betrokkenen en om inzicht te geven in de mate van zelfstandigheid van een meerderjarig kind. Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1417, onder 5.3, in een nareiszaak, volgt dat sprake is van zelfstandig en moeiteloos handhaven als een meerderjarig kind zelfstandig is gaan wonen en dat kind er ten tijde van de gezinsherenigingsaanvraag in is geslaagd zijn leven zelfstandig vorm te geven. Als een meerderjarig kind alleen noodgedwongen de noodzakelijke stappen heeft ondernomen om zichzelf staande te kunnen houden, is dat geen zelfstandig of moeiteloos handhaven.”
Zoals hierboven geciteerd, volgt uit de uitspraak van de Afdeling dat de minister alle individuele omstandigheden moet betrekken in het licht van de vraag of een kind na het bereiken van de meerderjarige leeftijd feitelijk is blijven behoren tot het gezin van zijn ouder(s). Bij de aanvraag heeft eiser verklaard over de omstandigheden waaronder hij leefde in Suriname. Tot aan het vertrek van zijn moeder heeft hij altijd met haar samengewoond. Na haar vertrek had hij geen vaste verblijfplaats. Soms sliep hij bij vrienden, soms sliep hij op straat. Hij leidde daar een zwervend bestaan. De minister heeft deze verklaringen van eiser ten onrechte niet in het bestreden besluit betrokken. Dit levert een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek op.
De rechtbank is verder van oordeel dat eiser met de verzendbewijzen van de postpakketten, in combinatie met zijn eigen verklaringen en die van zijn moeder, aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in zijn eigen onderhoud voorzag. Dat eiser ter zitting verklaard heeft dat hij na het vertrek van zijn moeder af en toe werkte in de bouw in Suriname maakt dit oordeel niet anders. Zoals volgt uit de hierboven geciteerde uitspraak van de Afdeling kan dit een contra-indicatie zijn dat niet langer familie- of gezinsleven bestaat. Als het meerderjarig kind noodgedwongen zelfstandig is geworden, door bijvoorbeeld een vluchtsituatie, mag de staatssecretaris dit alleen tegenwerpen als dat kind zich zelfstandig en moeiteloos handhaaft.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser in Suriname noodgedwongen stappen naar zelfstandigheid gezet. Eiser verkeerde niet in een vluchtsituatie, maar de scheiding van zijn gezin kwam niet voort uit vrije wil. De moeder van eiser heeft immers op de zitting verklaard dat het niet mogelijk was voor haar om eiser in 2022 met de rest van het gezin over te laten komen, omdat zij dit niet kon betalen. De beslissing om hem achter te laten is haar zwaar gevallen. Op de zitting heeft zij hierover verklaard dat het voor haar voelde alsof zij een stukje van haar hart had achtergelaten in Suriname en dat ze slecht sliep, omdat ze zich zorgen maakte om eiser.
De minister kan eisers werkzaamheden in de bouw daarom alleen aan hem tegenwerpen als eiser zich zelfstandig en moeiteloos heeft gehandhaafd in Suriname. Zoals hierboven al overwogen heeft eiser verklaard dat hij een zwervend bestaan leidde. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij ook afhankelijk was van wat de vriendin van zijn moeder en soms de vader van zijn broertje hem gaven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser zich daarmee niet zelfstandig en moeiteloos gehandhaafd in Suriname.
Deze beroepsgrond slaagt. Anders dan de minister is de rechtbank gelet op het voorgaande van oordeel dat eiser wel degelijk voldoet aan de vereisten van het jongvolwassenenbeleid. Er bestaat daarmee wel familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiser en zijn moeder. Gelet hierop heeft de minister ten onrechte geen belangenafweging onder artikel 8 van het EVRM gemaakt in het bestreden besluit. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen. De overige beroepsgronden behoeven hierom geen bespreking meer.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om zelf een beslissing over aanvraag van eiser te nemen. Dit omdat de minister een belangenafweging moet maken onder artikel 8 van het EVRM.
8. Ten overvloede geeft de rechtbank de minister het volgende mee voor de te maken belangenafweging. Uit de stukken en het besprokene op de zitting is naar voren gekomen dat de moeder van eiser werkzaam is in de zorg bij [de persoon], met een vast contract voor 28 uur per week (drie om vier dagen per week). Zij heeft sinds haar komst naar Nederland eerst het diploma Verzorgende behaald en volgt nu naast haar werk en de zorg voor haar gezin aan het [school] de opleiding tot verpleegkundige, die nog zo’n twee jaar in beslag zal nemen. Het is een feit van algemene bekendheid dat in de zorg een groot personeelstekort bestaat en dat dit de hele Nederlandse maatschappij raakt. Mede in het licht hiervan is het werk en de opleidingsinspanning die eisers moeder verricht zeer te prijzen. Zij heeft op de zitting verklaard dat het mede dankzij de praktische ondersteuning van eiser is dat zij erin slaagt om werk, opleiding en zorg voor het gezin te combineren. Zo brengt en haalt eiser de jongere kinderen naar en van school. Uit het kindgesprek met [naam 1] is naar voren gekomen dat eiser [naam 1] ondersteunt met huiswerk en met verschillende praktische zaken. Uit al deze omstandigheden rijst het beeld van een gezin dat een flink steentje bijdraagt aan de Nederlandse samenleving. De rechtbank geeft de minister mee om dit positieve beeld in het voordeel van eiser en de gezinsleden mee te wegen in de te maken belangenafweging.
9. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene
wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
10. Nu met deze uitspraak op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek hiertoe daarom af. Omdat het verzoek wel terecht is ingediend, wordt dit
meegenomen bij de berekening van de proceskostenvergoeding.
11. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden. Ook krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De rechtbank/voorzieningenrechter stelt deze proceskostenvergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank, in de zaak NL25.22359:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een
nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
De voorzieningenrechter, in de zaak NL25.22360:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
De rechtbank, in beide zaken:
- bepaalt dat de minister de proceskosten van eiser moet vergoeden tot een bedrag van
€ 2.802,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.