RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer [V-nummer], eiser
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid), verweerder.
De zaak in het kort
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.21000
(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigden: mr. Y.M. van der Lei en mr. I.A. van der Vegt),
en
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen (a) het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag van 10 maart 2020, (b) het besluit van 13 november 2023 (bestreden besluit 1) en (c) het besluit van 24 april 2026 (bestreden besluit 2). Daarnaast beoordeelt de rechtbank eisers verzoek om schadevergoeding.
2. Bij bestreden besluit 1 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen. Ook heeft verweerder in dat besluit bepaald dat eiser geen verblijfsvergunning regulier krijgt en dat hij moet terugkeren naar Nigeria. Bij bestreden besluit 2 heeft verweerder de motivering van bestreden besluit 1 aangevuld en gewijzigd. Verweerder blijft erbij dat eiser geen verblijfsvergunning krijgt en dat hij moet terugkeren naar Nigeria.
3. Eiser is het niet eens met de bestreden besluiten. Volgens hem gelooft verweerder ten onrechte niet dat hij homoseksueel is en dat hij om die reden gevaar loopt bij terugkeer naar Nigeria, zowel van de kant van de autoriteiten als van zijn medeburgers. Volgens eiser gelooft verweerder ten onrechte ook niet dat eiser moest vluchten nadat hij had geprobeerd een buurjongen te verkrachten. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder ten onrechte niet gelooft dat hij gevaar loopt van de kant van de leden van het Ogboni-genootschap omdat hij de rol van zijn overleden vader in dat genootschap niet wil overnemen. Verder voert eiser aan dat hij een verblijfsvergunning regulier moet krijgen omdat hij [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2016, heeft erkend als zijn dochter en een deel van de zorg voor haar op zich heeft genomen. Ten slotte vindt eiser dat hij een schadevergoeding moet krijgen omdat de asielprocedure te lang heeft geduurd.
4. Op 5 maart 2025 heeft de rechtbank een tussenuitspraak gedaan (ECLI:NL:RBDHA:2025:4368; de tussenuitspraak) en vandaag doet zij een einduitspraak. De rechtbank oordeelt in deze einduitspraak dat verweerder terecht niet gelooft dat eiser (a) homoseksueel is, (b) heeft geprobeerd zijn buurjongen te verkrachten, (c) zijn vader moet opvolgen in het Ogboni-genootschap en (d) de biologische vader is van [minderjarige]. De rechtbank oordeelt verder dat verweerder niet verplicht was om eiser vanwege zijn band met [minderjarige] een verblijfsvergunning te verlenen. De asielprocedure van eiser heeft erg lang geduurd, maar hij heeft geen recht op schadevergoeding. In deze uitspraak legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen is gekomen.
Het verloop van de procedure
5. Het verloop van de procedure tot 5 maart 2025 is weergegeven in rubriek 1 van de tussenuitspraak. De rechtbank zal dat hier niet herhalen.
6. Verweerder heeft eiser op 13 februari 2026 aanvullend gehoord. Eiser heeft correcties en aanvullingen op het rapport van dat gehoor ingebracht.
7. Na een nieuw voornemen te hebben uitgebracht, waarop eiser zijn zienswijze heeft gegeven, heeft verweerder bestreden besluit 2 genomen. Vervolgens heeft eiser op 26 mei 2026 en 3 juni 2026 aanvullende beroepsgronden ingediend.
8. De rechtbank heeft de zaak op 6 augustus 2026 opnieuw op zitting behandeld. Eiser, zijn gemachtigde en de tolk [naam tolk] zijn op de zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde Van der Vegt.
9. De rechtbank heeft de Staat in het geding geroepen omdat eiser zich op het standpunt stelt dat hij recht heeft op schadevergoeding vanwege de lange duur van zijn asielprocedure.
Het oordeel van de rechtbank
Beslissing
Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk
10. In overweging 4.1 van de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op eisers asielaanvraag. Uit overweging 4.2 van de tussenuitspraak volgt dat eiser recht heeft op een proceskostenvergoeding, omdat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit destijds terecht is ingesteld.
11. In zijn brief van 19 maart 2025 stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat bij het vaststellen van deze vergoeding wegingsfactor 0,5 moet worden toegepast. Omdat de rechtbank pas in deze einduitspraak formeel beslist op het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, moet het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) worden toegepast zoals dat thans luidt. Dit leidt tot een iets hogere proceskostenvergoeding dan verweerder in zijn brief van 19 maart 2025 aan eiser heeft aangeboden. Indien verweerder al een bedrag aan proceskosten aan eiser heeft betaald, mag hij dat bedrag aftrekken van (verrekenen met) de proceskostenvergoeding die de rechtbank in deze einduitspraak vaststelt. De rechtbank stelt de proceskosten van eiser voor het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit vast op € 467,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,00 en wegingsfactor 0,5. Voor het verschijnen ter zitting wordt in het kader van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit geen vergoeding toegekend, omdat verweerder ten tijde van de zitting alsnog had beslist op de asielaanvraag en omdat eiser al een vergoeding krijgt voor het verschijnen op dezelfde zitting in het kader van het beroep tegen bestreden besluit 1 (zie overweging 14 hieronder)).
Het beroep tegen bestreden besluit 1 is gegrond
12. In overweging 9.1 van de tussenuitspraak heeft de rechtbank geconcludeerd dat bestreden besluit 1 niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en niet berust op een deugdelijke motivering, omdat verweerder (a) het proces-verbaal van het huisbezoek in [locatie 4] ten onrechte heeft betrokken bij de besluitvorming (overweging 7.1 tot en met 7.6 van de tussenuitspraak) en (b) de door eiser gestelde problemen met het Ogboni-genootschap ten onrechte niet heeft onderzocht en beoordeeld (overweging 8.1 tot en met 8.3 van de tussenuitspraak). De rechtbank blijft daarbij. Zij zal daarom het beroep gegrond verklaren voor zover dat is gericht tegen bestreden besluit 1 en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
13. De rechtbank heeft een tussenuitspraak gedaan om te komen tot een definitieve beslechting van het geschil tussen partijen (overweging 7.6, 8.4 en 9.2 van de tussenuitspraak). Dit heeft ertoe geleid dat verweerder bestreden besluit 2 heeft genomen. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank dat het beroep ongegrond is voor zover dat is gericht tegen bestreden besluit 2 (overweging 15 tot en met 39 van deze uitspraak). Met bestreden besluit 2 heeft verweerder ook de gebreken in bestreden besluit 1 hersteld. Verweerder legt namelijk het proces-verbaal van het huisbezoek in [locatie 4] niet langer ten grondslag aan de afwijzing van eisers asielaanvraag (zie ook overweging 33 hieronder) en verweerder heeft de door eiser gestelde problemen met het Ogboni-genootschap alsnog onderzocht en beoordeeld (zie overweging 28 tot en met 32 hieronder). De rechtbank zal daarom bepalen dat de rechtsgevolgen van bestreden besluit 1 geheel in stand blijven (artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb).
14. Omdat het beroep gegrond is voor zover dat is gericht tegen bestreden besluit 1, veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten die eiser heeft gemaakt in het kader van zijn beroep tegen dat besluit. Deze kosten stelt de rechtbank met toepassing van het Bpb vast op € 1.868,00 (1 punt voor de beroepsgronden tegen bestreden besluit 1 en 1 punt voor het verschijnen op de zitting van 5 februari 2025, met een waarde per punt van € 934,00 en wegingsfactor 1).
Het beroep tegen bestreden besluit 2 is ongegrond
Verweerder heeft terecht aangenomen dat eiser kon worden gehoord over zijn asielmotieven
15. In rubriek 5 van de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij om gezondheidsredenen niet kon verklaren over zijn redenen om asiel aan te vragen. De rechtbank blijft bij dit oordeel en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen.
16. Het betoog van eiser dat hij tijdens het aanvullend gehoor op 13 februari 2026 niet in staat was om te worden gehoord slaagt evenmin. In het MedTadvies van 13 januari 2026 heeft een arts gemotiveerd geconcludeerd dat eiser in staat is om te worden gehoord. Eiser heeft het tegendeel niet onderbouwd met medische gegevens of overtuigende argumenten. Ook uit het verslag van het aanvullend gehoor op 13 februari 2026 kan de rechtbank niet afleiden dat eiser toen niet in staat was om te worden gehoord. De hierop betrekking hebbende beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Verweerder heeft voldoende rekening gehouden met eisers referentiekader
17. In rubriek 6 van de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder voldoende rekening heeft gehouden met eisers referentiekader. De rechtbank blijft bij dit oordeel en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen en dus ook bij de volgende passage uit overweging 6.2 van de tussenuitspraak: Ook van een man van weinig woorden mag, als hij (met name) vanwege zijn gestelde homoseksualiteit asiel aanvraagt in Nederland, in beginsel worden verwacht dat hij deze aanvraag kan toelichten met verklaringen die inzicht geven in zijn seksuele geaardheid, zijn gevoelens daarover en de problemen in het land van herkomst. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder in dit verband onredelijk hoge eisen heeft gesteld. De hierop betrekking hebbende beroepsgrond slaagt dus niet.
Verweerder gelooft terecht niet dat eiser homoseksueel is
18. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser onvoldoende duidelijk heeft verklaard over de gevoelens die hij had toen hij zijn seksuele geaardheid ontdekte en over zijn gevoelens voor de mannen met wie hij naar eigen zeggen een relatie heeft gehad. Eiser is het daar niet mee eens.
19. Zoals de rechtbank hierboven heeft overwogen, mag verweerder van iemand die vanwege zijn gestelde homoseksuele geaardheid asiel aanvraagt in beginsel verwachten dat hij deze aanvraag kan toelichten met verklaringen die inzicht geven in onder meer zijn eigen gevoelens over zijn seksuele geaardheid. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat eiser daar onvoldoende in is geslaagd. Eiser was naar eigen zeggen ongeveer vijftien jaar oud toen hij seksueel werd benaderd door buurman [persoon A]. Eiser wilde daar eerst niets van weten, maar hij ging overstag toen [persoon A] hem veel geld aanbood, dat eiser goed kon gebruiken. Eiser werd niet blij van de eerste seksuele contacten, maar gaandeweg begon hij hier plezier in te krijgen en ontwikkelden zich zijn gevoelens voor [persoon A] en eisers besef van zijn eigen homoseksualiteit. Op zich is het natuurlijk mogelijk dat dit zo is gegaan, maar verweerder vindt deze verklaringen terecht oppervlakkig, omdat eiser hier niet meer over heeft kunnen verklaren. Eiser betwist dat eigenlijk ook niet, maar voert aan dat dit wordt verklaard door zijn referentiekader en zijn geestelijke gezondheidssituatie. Die argumenten heeft de rechtbank in de tussenuitspraak en hierboven beoordeeld en verworpen. Wat verweerder vooral terecht niet gelooft, is dat eiser zich naar eigen zeggen helemaal niet bezig hield met de consequenties als zijn relatie met [persoon A] ontdekt zou worden. Eiser had op school en in de kerk geleerd dat het totaal onacceptabel was om als man seks te hebben met andere mannen en hij wist ook dat ontdekking zou kunnen leiden tot grote problemen met medeburgers en de overheid, maar eiser dacht daar naar eigen zeggen nooit verder over na. Eiser verklaart bijvoorbeeld niet dat [persoon A] en hij bang waren om ontdekt te worden, dat zij daar met elkaar over spraken of wat zij deden om ontdekking te voorkomen. Dat gelooft verweerder terecht niet.
20. Uit het voorgaande volgt eigenlijk al dat verweerder de gestelde homoseksuele geaardheid van eiser en zijn gestelde relatie met [persoon A] terecht niet gelooft. Eiser weet verder ook weinig te vertellen over deze relatie. Als [persoon A] en eiser zoveel om elkaar gaven als eiser verklaart, is het bovendien opmerkelijk dat [persoon A] van de ene op de andere dag onaangekondigd verdween zonder terug te komen en zonder nog iets van zich te laten horen.
21. Ook over zijn volgende gestelde relaties heeft eiser met weinig diepgang kunnen verklaren. Zo kan eiser weinig verklaren over zijn gevoelens voor [persoon B] en nog minder over zijn gestelde relatie met een man uit [locatie 1]. Wel heeft eiser een schriftelijke verklaring overgelegd van een man uit [locatie 2]. Volgens eiser hebben zij het fijn samen, maar is deze man veel te oud om eisers levenspartner te worden. Verweerder wijst er terecht op dat deze verklaring van eiser moeilijk valt te rijmen met de schriftelijke verklaring van de betreffende man, waarin staat dat hij en eiser graag samen een toekomst willen opbouwen.
22. Het is aannemelijk dat eiser in Nederland heeft deelgenomen aan verschillende activiteiten die (mede) zijn gericht op homoseksuele mannen. Verweerder stelt zich echter terecht op het standpunt dat dit niet opweegt tegen het gegeven dat eiser niet overtuigend heeft verklaard over zijn gevoelens, over zijn relaties met mannen en over de directe aanleiding voor zijn vlucht uit Nigeria, die volgens eiser verband houdt met zijn homoseksualiteit en het abrupte einde van zijn relatie met [persoon A]. Vanaf overweging 24 gaat de rechtbank verder op dit laatste punt in.
23. De conclusie is dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat eiser zijn gestelde homoseksualiteit niet aannemelijk heeft gemaakt. De hierop betrekking hebbende beroepsgronden slagen niet.
Verweerder gelooft terecht niet dat eiser heeft geprobeerd zijn buurjongen te verkrachten
24. Eiser voert aan dat [persoon A] in mei 2015 plotseling vertrok en niet meer terugkwam. Eiser miste hem enorm en voelde een dringende behoefte om zijn seksuele behoeften te bevredigen. Hij wilde dat doen met een buurjongen van tien jaar oud, omdat eiser dacht dat die daar wel in mee zou gaan. Eiser drong zich aan de jongen op in een badhuis, maar de jongen begon te roepen dat hij werd verkracht. De buurtgenoten snelden toe en eiser moest halsoverkop vluchten.
25. Verweerder volgt deze verklaringen niet, in de eerste plaats omdat hij eisers gestelde seksuele geaardheid en de relatie met [persoon A] niet gelooft. Daarnaast vindt verweerder het niet aannemelijk dat eiser dit enorme risico zou nemen. Het badhuis was openbaar toegankelijk en had geen deur, zodat het risico op ontdekking groot was, met alle gevolgen van dien.
26. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder. Verweerder gelooft terecht niet dat eiser homoseksueel is en dat hij een relatie had met [persoon A], zodat verweerder ook de gestelde aanleiding voor de poging tot verkrachting terecht niet gelooft. Daarnaast volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat niet aannemelijk is dat eiser dit enorme risico zou nemen, ook niet als zijn behoefte aan seksueel contact groot was. De hierop betrekking hebbende beroepsgrond slaagt niet.
27. De rechtbank overweegt ten overvloede dat, als verweerder deze gebeurtenis wel had geloofd, dit serieuze vragen had opgeroepen. Poging tot verkrachting van een tienjarige is immers een ernstig misdrijf, ook als die poging wordt gedaan door een zestienjarige. Het wel geloofwaardig achten van deze gestelde gebeurtenis had de verlening van een verblijfsvergunning asiel aan eiser dan ook niet zonder meer dichterbij gebracht.
Verweerder gelooft eisers problemen met het Ogboni-genootschap terecht niet
28. Eiser voert aan dat zijn vader hem van jongs af aan dwong om maandelijks mee te gaan naar bijeenkomsten van het Ogboni-genootschap. Zowel eisers vader als andere leden van dit genootschap hebben tegen eiser gezegd dat hij zijn vader na diens overlijden zou moeten opvolgen. Eisers vader is begin 2014 overleden. De leden van het Ogboni-genootschap hebben eiser daarna steeds opgezocht, hem gemaand de rol van zijn vader over te nemen en eiser is ook door hen bedreigd en mishandeld. Eiser wil zijn vader niet opvolgen en hij vreest bij terugkeer naar Nigeria voor mishandeling of erger door leden van het Ogboni-genootschap.
29. Verweerder gelooft dit niet. Eiser heeft verschillende keren verklaard dat zijn vader nog leeft. Dit valt niet te rijmen met de gestelde vrees voor het Ogboni-genootschap in verband met de opvolging van zijn overleden vader. Verder vindt verweerder dat eiser vaag en onaannemelijk heeft verklaard over het Ogboni-genootschap en dat eisers verklaringen over dit genootschap niet stroken met informatie uit openbare bronnen.
30. Het proces-verbaal van verhoor van 10 maart 2018 (eiser heeft eerst een Dublinprocedure doorlopen, die uiteindelijk niet tot zijn overdracht heeft geleid) vermeldt onder meer het volgende, waarbij V staat voor een vraag aan eiser en A voor zijn antwoord.
“V: Wat zijn de personalia van uw ouders?
A: (…)
V: Waar wonen zij ?
A: Vader in [locatie 3] en mijn moeder is overleden.
(…)V: Heeft u broers en zussen? (…)
A: Ik heb zussen. (…)
V: Waar wonen zij ?
A: Zij wonen bij mijn vader in Nigeria.
(…)V: Vond je vader het goed dat Je vertrok uit Nigeria?
A: Hij wist het niet.(…)V: Hoe kwam je aan het geld?
A: Het was mijn vaders geld.
V: Heeft hij dat aan jou gegeven?
A: Ik heb het gepakt.”
31. Het verslag van het aanmeldgehoor op 12 maart 2018 vermeldt onder meer het volgende.
Weet je waar je ouders zijn op dit moment?
Mijn vader heb ik alleen nog maar, want mijn moeder is overleden.
Het is allang geleden dat ik van hem heb gehoord.(…)
Weet je vader dat je inmiddels in Nederland bent?
Nee.
Wanneer heb jij je vader voor het laatst gezien?
Dat herinner ik mij niet meer. Toen ik vertrok uit Nigeria was ik niet meer bij hem.
(…)Waar woont je vader?
In [locatie 3].
(…)Heb je broers en zussen (…)?
Ja. Ik heb drie zusjes.
(…)
Waar wonen zij?
Bij mijn vader.”
32. Tijdens het aanvullend gehoor op 13 februari 2026 is eiser geconfronteerd met deze verklaringen. Eiser heeft toen ontkend dat hij zo heeft verklaard, naar voren gebracht dat hij destijds geen correcties en aanvullingen heeft ingebracht, dat hij pas in 2021 voor het eerst een advocaat heeft gezien en dat sprake moet zijn geweest van miscommunicatie. Deze verklaringen hoefde verweerder niet te volgen. Hoewel verklaringen altijd met een zekere behoedzaamheid beoordeeld moeten worden, er inderdaad geen correcties en aanvullingen zijn ingebracht en een misverstand of vergissing altijd mogelijk is, heeft eiser op verschillende data tijdens verschillende gehoren meermalen verklaard dat zijn vader nog leeft en dat zijn zussen bij hem wonen. Van een eenmalige mogelijke vergissing is duidelijk geen sprake. Gelet op deze herhaaldelijk en consistent afgelegde verklaringen mocht verweerder eiser daaraan houden. Verweerder meent terecht dat de gestelde vrees voor het Ogboni-genootschap in verband met het overlijden van zijn vader niet valt te rijmen met de verklaringen die eiser in 2018 over zijn vader heeft afgelegd. Reeds hierom heeft verweerder de gestelde problemen met het Ogboni-genootschap terecht ongeloofwaardig geacht. Wat partijen verder naar voren hebben gebracht over deze problemen, hoeft de rechtbank daarom niet te beoordelen. Overigens kan de rechtbank verweerder ook volgen in zijn standpunt dat eiser, in aanmerking genomen dat hij naar eigen zeggen vanaf zeer jonge leeftijd maandelijks met zijn vader mee moest, onvoldoende concreet heeft kunnen verklaren wat daar gebeurde. De hierop betrekking hebbende beroepsgronden slagen niet.
Verweerder heeft eiser terecht geen verblijfsvergunning asiel verleend
33. Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien, heeft verweerder in bestreden besluit 2 terecht geconcludeerd dat eiser geen recht heeft op een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Dat verweerder bevooroordeeld was en de bevindingen van het door de rechtbank in de tussenuitspraak onrechtmatig geoordeelde huisbezoek in [locatie 4] in zijn achterhoofd had bij deze beoordeling, zoals eiser stelt, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft deze gestelde vooringenomenheid als gevolg van het huisbezoek niet onderbouwd. Verweerder heeft duidelijk toegelicht dat hij de betreffende overwegingen uit bestreden besluit 1 heeft laten vallen en verweerder heeft verschillende andere argumenten gegeven waarom hij eiser niet gelooft. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is in zoverre ongegrond.
Verweerder hoefde eiser geen verblijfsvergunning regulier te verlenen
34. Eiser voert aan hij begin 2016 in Algerije een vrouw uit Nigeria heeft ontmoet. In Nederland kwam hij haar opnieuw tegen en zij vertelde eiser toen dat hij de vader is van haar jongste dochter [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2016. Hoewel eiser betwijfelt dat hij haar biologische vader is, heeft hij besloten dat hij er voor [minderjarige] wil zijn. Eiser heeft [minderjarige] erkend als zijn dochter en zij heeft zijn achternaam. Eiser draagt mede de zorg voor [minderjarige]. Om de week is [minderjarige] van vrijdag tot zondag bij eiser, zij hebben tussendoor vrijwel dagelijks contact en eiser draagt ook financieel bij aan de zorg voor [minderjarige].
35. Verweerder gelooft niet dat eiser de biologische vader is van [minderjarige]. Eiser heeft verklaard dat hij zich niet aangetrokken voelt tot vrouwen en bovendien heeft de moeder van [minderjarige] verklaard dat zij al zwanger was toen zij uit Nigeria vertrok. Zij is dus niet zwanger geraakt in Algerije. Volgens verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij een zodanige band heeft met [minderjarige] dat hem op grond daarvan een verblijfsvergunning regulier moet worden verleend.
36. De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij het beantwoorden van de vraag of aan een vreemdeling op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden een verblijfsvergunning moet worden verleend een zekere beoordelingsruimte heeft. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt dat hij aan eiser geen verblijfsvergunning regulier hoeft te verlenen. Verweerder acht het terecht niet aannemelijk dat eiser de biologische vader is van [minderjarige]. Verweerder heeft enkele passages uit het asieldossier van de moeder van [minderjarige] overgelegd, waaruit inderdaad volgt dat zij naar eigen zeggen al zwanger was toen zij Nigeria verliet. Eiser betwist dat niet en hij betwijfelt volgens zijn verklaringen zelf ook of hij de vader van [minderjarige] is. Er is ook geen onderzoek gedaan waaruit blijkt dat eiser de biologische vader van [minderjarige] is.
37. De rechtbank volgt verweerder ook in zijn standpunt dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij een zodanig sterke band met [minderjarige] heeft dat hem om die reden verblijf moet worden toegestaan. Eiser stelt dat hij om de week in het weekend voor [minderjarige] zorgt, maar verweerder wees er ter zitting van 6 augustus 2026 terecht op dat dit alleen de verklaring van eiser zelf is; steunbewijs is niet overgelegd. Uit de overgelegde screenshots van overboekingen blijkt niet dat eiser substantieel en regelmatig bijdraagt in de kosten van het levensonderhoud van [minderjarige]. Sterker nog, deze screenshots lijken in de richting te wijzen dat eiser ook regelmatig geld ontvangt in plaats van betaalt. Hiervoor heeft eiser ter zitting van 6 augustus 2026 desgevraagd geen verklaring gegeven, behalve dat er meer overboekingen zijn. Die zijn echter niet overgelegd. Ook het gestelde dagelijkse contact tussen [minderjarige] en eiser is niet onderbouwd met controleerbare gegevens. Eiser heeft zijn gestelde intensieve band met [minderjarige] ook niet met andere stukken aannemelijk gemaakt. De conclusie is dat verweerder de belangen van [minderjarige] en eiser bij het verlenen van een verblijfsvergunning regulier aan eiser niet ten onrechte onvoldoende zwaarwegend heeft geacht. De hierop betrekking hebbende beroepsgrond slaagt niet.
38. Gelet op het voorgaande heeft verweerder in bestreden besluit 2 terecht geconcludeerd dat eiser geen recht heeft op een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is ook in zoverre ongegrond.
Conclusie
39. Het beroep is ongegrond voor zover dat is gericht tegen bestreden besluit 2. Er is geen reden om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft gemaakt voor dit onderdeel van zijn beroep.
Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen
40. In deze einduitspraak beslist de rechtbank op het beroep van eiser dat verband houdt met zijn asielaanvraag van 10 maart 2020. Eiser voert terecht aan dat zijn asielprocedure erg lang heeft geduurd. Hij heeft naar het oordeel van de rechtbank echter geen recht op schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
41. In haar uitspraak van 19 juni 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:3586) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State haar vaste rechtspraak herhaald dat de redelijke termijn in asielzaken begint met de ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank en dat als uitgangspunt geldt dat de behandeling van het beroep twee jaar mag duren. In bijzondere situaties kan dit korter of langer zijn. Uitgangspunt voor de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn is € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden, waarbij de duur van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
42. Uit deze rechtspraak volgt dat de aanvraagfase van een asielprocedure niet relevant is voor het antwoord op de vraag of de redelijke termijn is overschreden; het gaat om de duur van de beroepsfase. Overigens is bestreden besluit 1 niet de eerste afwijzing van eisers asielaanvraag van 10 maart 2020. Verweerder heeft deze aanvraag op 10 juni 2021 voor het eerst afgewezen. Dat besluit is op 30 juni 2022 vernietigd, waarna de aanvraagfase weer is opengevallen (zie rubriek 1 van de tussenuitspraak).
43. Eiser heeft op 20 juli 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op zijn asielaanvraag. Op 13 november 2023, bijna vier maanden daarna, heeft verweerder bestreden besluit 1 genomen. Daarmee was het doel van eisers beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit bereikt. In de tussenuitspraak, die minder dan twee jaar na het instellen van het beroep is gedaan, heeft de rechtbank geoordeeld dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk is omdat verweerder inmiddels op de asielaanvraag heeft beslist. Weliswaar beslist de rechtbank pas vandaag formeel op het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit, maar de veronderstelde spanning en frustratie van eiser – die ten grondslag ligt aan de rechtspraak over de redelijke termijn in asielzaken – was wat betreft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit voorbij op 13 november 2023 en in ieder geval op 5 maart 2025, dus binnen twee jaar na het instellen van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank ziet daarom geen grond voor schadevergoeding vanwege de duur van de beroepsprocedure voor zover die betrekking heeft tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
44. Het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit is op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb mede gericht tegen bestreden besluit 1. Het beroep tegen bestreden besluit 1 was dus aanhangig vanaf 13 november 2023. De rechtbank beslist vandaag, twee jaar en ruim elf maanden later, op dat beroep. Daarmee is de redelijke termijn met ruim elf maanden overschreden. Toch ziet de rechtbank om de volgende redenen geen grond voor schadevergoeding.
45. Na de tussenuitspraak wilde verweerder eiser op 9 april 2025 aanvullend horen. Dat bleek niet mogelijk te zijn, omdat eiser daartoe om medische redenen niet in staat was. Deze situatie heeft geruime tijd voortgeduurd. Uiteindelijk is eiser op 13 februari 2026 aanvullend gehoord. Deze vertraging in de procedure met ruim tien maanden kan niet aan de rechtbank (en daarmee aan de Staat) worden toegerekend.
46. Als deze periode van ruim tien maanden buiten beschouwing wordt gelaten, blijft een overschrijding van de redelijke termijn met één maand over. In de gegeven omstandigheden vormt deze beperkte overschrijding van de redelijke termijn geen grond voor schadevergoeding. Daarbij is ten eerste van belang dat de rechtbank op 5 maart 2025, ruim voordat de redelijke termijn is verstreken, een tussenuitspraak heeft gedaan die eiser duidelijkheid gaf over het oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van bestreden besluit 1. Dat de rechtbank pas vandaag formeel uitspraak doet op het beroep tegen bestreden besluit 1, maakt dat niet anders.
47. Ten tweede had de rechtbank op 5 maart 2025 ook een einduitspraak kunnen doen, maar zij heeft met name in het belang van eiser gekozen voor finale geschilbeslechting. Eiser was het daarmee eens, zoals blijkt uit het bericht van 25 maart 2025, waarin zijn gemachtigde schrijft dat de rechtbank terecht heeft gemeend de regie te moeten houden. Het is onvermijdelijk dat een tussenuitspraak leidt tot een langere duur van de beroepsprocedure, al was het maar omdat de beroepsprocedure op 5 maart 2025 voorbij was geweest als de rechtbank op die datum een einduitspraak in plaats van een tussenuitspraak had gedaan. Mede bezien in het licht van de hierboven besproken vertraging van ruim tien maanden is de beroepsprocedure na de tussenuitspraak voortvarend voortgezet en de rechtbank geeft vandaag haar oordeel over de rechtmatigheid van bestreden besluit 2, binnen zes maanden na het nemen van dat besluit.
48. Ten derde acht de rechtbank van belang dat de asielzaak van eiser relatief bewerkelijk is. Hij stelt homoseksueel te zijn, verschillende relaties met mannen te hebben (gehad), een poging tot verkrachting van een buurjongen te hebben gedaan, in Nederland verschillende activiteiten te hebben ontplooid om uiting te geven aan zijn seksuele geaardheid, voor een dochter te zorgen die misschien niet zijn biologische kind is, maar wel mede door hem wordt verzorgd en hij doet een beroep medische problemen die volgens hem maken dat hij niet of minder goed kon verklaren. Deze combinatie van factoren maakt de beoordeling van het beroep relatief bewerkelijk.
49. Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien, ziet de rechtbank onvoldoende grond voor schadevergoeding, hoe betreurenswaardig het ook is dat de asielprocedure van eiser zo lang heeft geduurd (en ook met deze einduitspraak nog niet voorbij is, omdat tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak hoger beroep openstaat). Er is geen reden voor een vergoeding van de proceskosten die eiser in verband met zijn verzoek om schadevergoeding heeft gemaakt.
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit;
- verklaart het beroep gegrond voor zover dat is gericht tegen bestreden besluit 1;
- vernietigt bestreden besluit 1;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van bestreden besluit 1 geheel in stand blijven;
- verklaart het beroep ongegrond voor zover dat is gericht tegen bestreden besluit 2;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Roozeboom, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze einduitspraak of met de tussenuitspraak, dan kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.