RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [v-nummer], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56363
(gemachtigde: mr. J. Sinnema),
en
(gemachtigde: mr. I. van Es).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 3 november 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 11 november 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL25.56365, op 9 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij als kind Syrië heeft verlaten vanwege de algemene oorlogssituatie in Syrië. Eisers vader is daarbij in 2012 omgekomen door een mortier. Volgens eiser was het pech dat hij ergens stond waar de mortier was gevallen; hij was volgens eiser niet de enige die door de mortier is overleden. Eiser verklaart dat hij niet kan terugkeren naar Syrië vanwege de algemene onveilige situatie, vanwege de vrees voor de militaire dienstplicht en vanwege de vrees om gerekruteerd te worden door verschillende groeperingen. Ook vreest eiser om te worden gezien als verrader omdat eisers vader volgens hem werd gezien als verrader. Volgens eiser werd zijn vader gezien als verrader omdat hij bleef wonen onder het regime van Assad en is overleden in het gebied van het regime van Assad.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Volgens de minister zijn de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De andere drie motieven zijn niet op geloofwaardigheid beoordeeld. Die motieven betreffen enkel een vrees en zijn derhalve toekomstgericht. De aannemelijkheid van de gestelde vrees wordt beoordeeld in het kader van (eventuele) terugkeer naar Syrië.
Heeft de minister kunnen concluderen dat eiser geen gegronde vrees voor gedwongen rekrutering heeft?
5. Eiser stelt dat de minister ten onrechte niet motiveert waar in het ambtsbericht staat dat er in het geheel geen militaire dienstplicht is in Syrië. Verder stelt de minister volgens eiser ten onrechte dat hij geen individuele, concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd waaruit blijkt dat hij te vrezen heeft voor gedwongen rekrutering vanuit andere partijen. Eiser vreest voor alle partijen. Iedere man krijgt hier mee te maken bij terugkeer. Eiser is erg jong en daardoor juist geschikt om te worden gerekruteerd. In het door de Koerden bestuurde DAANES-gebied in het noordoosten bestaat nog wel dienstplicht en werden dienstplichtontduikers gearresteerd. Er zijn weinig of geen bronnen met betrekking tot militaire dienst of gedwongen rekrutering. Eiser stelt daarom dat het in het kader van de samenwerkingsplicht op de weg van de minister ligt om hier nader onderzoek naar te doen.
De minister stelt dat er in Syrië geen sprake meer is van verplichte militaire dienst of rekrutering. Op 8 december 2024 is het regime van Assad gevallen en de dienstplicht daarna opgeheven. Ook informatie van de EUAA (European Union Agency for Asylum) bevestigt dat de dienstplicht is beëindigd door de overgangsregering. Voor dienstweigeraars en deserteurs was het regime Assad de enige dader van vervolging. Het risico dat verband hield met het regime is inmiddels weggenomen. Daarnaast kondigde de coalitie onder leiding van HTS een algemene amnestie aan voor dienstplichtigen in het Syrische leger. Dat eiser opgeroepen zou kunnen worden voor de dienstplicht, wordt dan ook niet gevolgd. Er zijn op dit moment geen concrete aanknopingspunten dat eiser daadwerkelijk verplicht zal worden om te dienen in het leger. Dat eiser verwijst naar het Algemeen Ambtsbericht Syrië 2025 om rekrutering door Koerdische strijdkrachten in het noordoosten te staven, verandert dit standpunt niet. Immers wordt van eiser verwacht dat hij terugkeert naar Aleppo, dat (ver) buiten het door Koerdische strijders gecontroleerde gebied ligt. Eisers vrees voor de militaire dienstplicht is daarom niet aannemelijk.
Daarnaast overweegt de minister dat eiser geen individuele, concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd waaruit blijkt dat hij te vrezen heeft voor gedwongen rekrutering vanuit andere partijen. Zo stelt eiser dat er vele groeperingen zijn in Syrië en dat eiser voor alle groeperingen bang is; eiser stelt dat men in het algemeen het risico loopt om hiermee te maken te krijgen. Eiser stelt dat alle jongeren die terugkeren naar Syrië worden gedwongen om deel te nemen. Deze verklaringen komen niet overeen met de reeds aangehaalde openbare informatie. Daaruit blijkt dat er op dit moment geen sprake is van verplichte militaire dienst of rekrutering. Hiermee heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk gezocht wordt voor rekrutering door een groepering.
De rechtbank oordeelt dat de minister niet ten onrechte concludeert dat eiser geen gegronde vrees voor gedwongen rekrutering heeft. De minister heeft met objectieve bronnen onderbouwd dat de dienstplicht is opgeheven en dat rekrutering op vrijwillige basis plaatsvindt. Eiser heeft hier geen informatie tegenover gezet waaruit het tegendeel blijkt. De verwijzing naar een incident genoemd in het nieuwe ambtsbericht is in dit kader onvoldoende. Bij gebrek aan dergelijke informatie is er geen aanleiding voor het oordeel dat de minister hier nader onderzoek naar had moeten doen.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat de minister terecht stelt dat eiser geen individuele, concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd waaruit blijkt dat hij te vrezen heeft voor gedwongen rekrutering vanuit andere partijen. Eiser blijft steken op algemeenheden; zijn stelling dat er vele groeperingen zijn in Syrië en dat men in het algemeen het risico loopt om met rekrutering te maken te krijgen is onvoldoende en volgt bovendien, zoals de minister terecht stelt, niet uit de beschikbare openbare informatie. De rechtbank is van oordeel dat de minister daarbij terecht overweegt dat van eiser wordt verwacht dat hij terugkeert naar Aleppo en dat die stad (ver) buiten het door Koerdische strijders gecontroleerde gebied ligt. Eisers verwijzing naar het ambtsbericht slaagt dan ook niet. Niet aannemelijk is dat eiser persoonlijk gezocht wordt voor rekrutering door een groepering.
Heeft de minister kunnen concluderen dat eiser geen gegronde vrees als gevolg van de algehele veiligheidssituatie heeft?
6. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van de hoogste mate van willekeurig geweld in Syrië. Ook heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat het überhaupt mogelijk is om uitspraken te doen over de veiligheidssituatie in Syrië, nu uit het ambtsbericht blijkt dat die situatie nog continu verandert en de minister om die reden al opdracht heeft gegeven een nieuw ambtsbericht uit te brengen. Eiser verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 30 juli 2025. Eiser bestrijdt daarbij de verwijzing naar ACLED tabellen nu deze niet op de hele werkelijkheid zijn gebaseerd.
Eiser betwist daarbij dat de humanitaire omstandigheden in Syrië temporeel beperkt zijn en stelt dat deze door de minister ten onrechte niet zijn betrokken bij zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c van de Kwalificatierichtlijn (Kri). Onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) stelt eiser dat de minister niet alle relevante omstandigheden heeft betrokken bij de beoordeling, zoals de humanitaire omstandigheden die (indirect) voortkomen uit het aanhoudende willekeurige geweld.
Voorts stelt eiser dat de minister ten onrechte overweegt dat hoewel sprake is van een slechte en complexe humanitaire situatie, niet gesproken kan worden van een situatie als bedoeld in het arrest Sufi en Elmi. De Afdeling oordeelt in haar uitspraak van 16 juli 2025 dat natuurverschijnselen als droogte en overstromingen, geen betekenis toekomt binnen artikel 15, aanhef en onder c, Kri aangezien de strijdende partijen geen invloed hebben op natuurverschijnselen. Deze omstandigheden moeten daarentegen wel betrokken worden binnen de beoordeling of terugkeer naar het land van herkomst strijd oplevert met art. 3 EVRM, zoals uiteengezet in het EHRM-arrest Sufi en Elmi.
Tot slot stelt eiser dat de minister het overlijden van zijn vader ten onrechte niet aanmerkt als individuele omstandigheid in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, Kri. Ook gebeurtenissen uit het verleden dienen meegewogen te worden, zij vormen immers een indicatie voor de toekomst voor bloed- en aanverwanten. Eiser loopt bovendien een groter risico op schade vanwege de toegenomen criminaliteit in Aleppo. Dit is een omstandigheid waar wel degelijk rekening mee moet worden gehouden.
De minister overweegt dat in heel Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Uit het Algemeen Ambtsbericht (AAB) Syrië van mei 2025 blijkt dat er weliswaar sprake is van incidentele geweldsuitbarstingen en gevechten, maar dat deze van incidentele aard zijn. In het Ambtsbericht van 2026 stelt de minister een verbetering vast ten opzichte van de situatie zoals die volgt uit het eerdere ambtsbericht. Verder is het aantal burgerslachtoffers als gevolg van willekeurig geweld relatief laag. Hoewel er burgerslachtoffers zijn gevallen bij geweldsescalaties en incidenten, blijkt uit het Ambtsbericht 2025 dat hierbij veelal sprake was van gericht geweld, bijvoorbeeld als gevolg van wraakacties. Uit het Ambtsbericht 2025 blijkt ook dat het voor de overgangsregering een uitdaging is om haar autoriteit in alle gebieden te vestigen. De veiligheidssituatie is daarom weliswaar fragiel, maar er is slechts in lage mate sprake van willekeurig geweld als gevolg van een gewapend conflict.
De minister overweegt daarnaast dat uit de 15c-bijlage bij de Kamerbrief over het landenbeleid t.a.v. Syrië van 10 juni 2025 blijkt dat de indicatoren die eiser noemt kenbaar zijn betrokken bij het tot stand komen van het land gebonden asielbeleid voor Syrië. Eiser wordt daarom niet gevolgd in zijn standpunt dat het 15c-beleid onvoldoende is gemotiveerd. In zoverre eiser wil stellen dat er sprake is van structurele onderrapportage door ACLED, wordt opgemerkt dat het AAB Syrië 2025 van veel meer bronnen dan enkel ACLED gebruik maakt. Onder andere wordt in het AAB Syrië 2025 verwezen naar een scala aan rapporten, nieuwsartikelen over specifieke incidenten en analyses van openbare of vertrouwelijke bronnen. De ter zitting ingenomen stelling dat het aantal doden fluctueert en weer zou kunnen toenemen is een speculatie die op de toekomst gericht is en bovendien niet nader onderbouwd is.
Ten aanzien van de humanitaire omstandigheden in Syrië overweegt de minister dat humanitaire omstandigheden die in verband staan met willekeurig geweld en het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade die partij is bij een gewapend conflict in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken. Humanitaire omstandigheden zijn niet doorslaggevend of bepalend in de globale beoordeling van een uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kri. De humanitaire situatie moet dus enkel globaal worden betrokken bij de beoordeling, en alleen wanneer dit een gevolg is van het handelen of nalaten van een strijdende partij in een actief gewapend conflict. Als een actor niet meer actief is in het desbetreffende conflict of als het handelen of nalaten van een actor betreft dat buiten de relevante (verslag)periode heeft plaatsgevonden, dan zijn de humanitaire omstandigheden die voortvloeien uit dit handelen of nalaten niet ongelimiteerd in tijd relevant voor de 15c beoordeling, en zijn ze dus temporeel beperkt.
Daarnaast overweegt de minister dat uit de arresten van het EHRM van 28 juni 2011 volgt dat als een humanitaire situatie zich niet afspeelt in de context van een gewapend conflict, artikel 3 van het EVRM slechts wordt geschonden in 'very exceptional cases where the humanitarian grounds against removal are compelling'. Hoewel sprake is van een slechte en complexe humanitaire situatie, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat in Syrië in het algemeen dergelijke uitzonderlijke omstandigheden bestaan of dat sprake is van een situatie als bedoeld in dit arrest.
Tot slot overweegt de minister dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt waarom het overlijden van zijn vader bijdraagt aan het risico voor hem om bij terugkeer slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Immers is het overlijden van eisers vader 13 jaar geleden gebeurd en is de situatie in Syrië compleet veranderd. Wat betreft de toename in criminaliteit overweegt de minister dat uit de 15c-bijlage bij de Kamerbrief over het landenbeleid t.a.v. Syrië van 10 juni 2025 blijkt dat met de door eiser genoemde omstandigheden rekening is gehouden bij het toekennen van het relatief lager niveau van willekeurig geweld voor Syrië. Eiser licht bovendien niet toe hoe hij groter risico loopt op schade vanwege de toegenomen criminaliteit in Aleppo en heeft daarmee daarom niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk risico loopt bij terugkeer naar Syrië
De rechtbank overweegt dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats reeds heeft geoordeeld in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, geen aanleiding te zien voor het oordeel dat de minister de situatie in Syrië ten onrechte kwalificeert als een 15c-situatie in de laagste gradatie. Net als in die zaak volstaat eiser met een generieke verwijzing naar die uitspraak en de rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding om tot een ander oordeel dan de meervoudige kamer te komen. In zoverre eiser stelt dat er sprake is van structurele onderrapportage door ACLED, volstaat de rechtbank met een verwijzing naar de motivering van de minister en de opmerking dat in het AAB Syrië 2025 van veel meer bronnen dan enkel ACLED gebruik wordt maakt. Er is wel degelijk sprake is van een groot aantal bronnen voor het AAB Syrië 2025 dat aan de basis lag van het 15c-beleid ten aanzien van Syrië.
Ten aanzien van de humanitaire omstandigheden oordeelt de rechtbank dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat humanitaire omstandigheden slechts relevant zijn voor de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn wanneer deze direct of indirect voortkomen uit handelen of nalaten van een van de strijdende partijen. Uit het AAB Syrië van mei 2025 blijkt dat de humanitaire situatie in Syrië weliswaar zeer slecht is, maar dat deze slechte situatie grotendeels wordt veroorzaakt door de jarenlange oorlog door, economische sancties tegen en de nalatigheid van de voormalige regering-Assad, en niet of slechts in zeer beperkte mate samenhangt met het nog resterende gewapende conflict. Hoewel humanitaire omstandigheden in zijn algemeenheid een rol kunnen spelen bij de beoordeling heeft de minister in lijn met de uitspraak van de Afdeling gesteld dat de omstandigheden veroorzaakt door een niet-actieve actor in beginsel geen rol spelen bij het bepalen van de gradatie van willekeurig geweld in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Gezien de uitspraak van de Afdeling volgt de rechtbank de motivering van de minister en acht ze deze voldoende deugdelijk.
Voorts ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een situatie als uiteengezet in de arresten van het EHRM van 28 juni 2011. Eiser volstaat met een generieke verwijzing naar deze arresten en de minister heeft daarom kunnen stellen dat hoewel sprake is van een slechte en complexe humanitaire situatie, eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in Syrië in het algemeen dergelijke uitzonderlijke omstandigheden bestaan waarmee de lat van deze arresten wordt gehaald.
Tot slot oordeelt de rechtbank dat de minister terecht stelt dat het overlijden van eisers vader geen individuele omstandigheid is die bijdraagt aan het risico voor hem om bij terugkeer slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Mocht eiser al gevolgd kunnen worden in de verklaringen die hij heeft gegeven en problemen ondervinden van zijn stam, dan zou dit immers geen willekeurig maar gericht geweld zijn. De gestelde toename in criminaliteit is ook geen individuele omstandigheid die bijdraagt aan het risico voor hem om bij terugkeer slachtoffer te worden van willekeurig geweld; het betreft hier een algemene omstandigheid. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk risico loopt bij terugkeer naar Syrië.
Heeft de minister terecht geconcludeerd dat eiser geen gegronde vrees heeft om bij terugkeer als verrader te worden aangezien?
7. Eiser stelt dat omdat het een eerste asielaanvraag betreft, de minister zorg had moeten dragen voor de vertaling van de overlijdensakte. De overlijdensakte vermeldt het motief van overlijden van de vader van eiser. Eiser heeft in beroep alsnog een vertaling overgelegd.
Volgens eiser werpt de minister voorts ten onrechte tegen dat eiser zijn relaas bij het aanmeldgehoor niet in overeenstemming is met hetgeen op de overlijdensakte staat vermeld en hij bij het nader gehoor heeft verklaard. Eiser geeft aan dat hetgeen in het aanmeldgehoor is vermeld met betrekking tot de dood van zijn vader ten onrechte wordt tegengeworpen nu dat niet het gehoor betrof over het asielrelaas. Bovendien knipt de minister een deel uit het voornemen waarin wordt tegengeworpen dat eiser veel dingen niet weet door wie en waarom zijn vader als verrader is gezien. Eiser geeft aan dat zijn moeder vijf maanden geleden nog is bedreigd. De minister heeft de correctie op pagina zes van de correcties en aanvullingen ten onrechte niet bij de besluitvorming betrokken en eiser verwijst tot slot naar het UNHCR handboek en EUAA principe van Guilty by association. Het overlijden van de vader van eiser zal voor eiser een risico op schending van artikel 3 EVRM opleveren bij terugkeer.
De minister stelt dat de kopie van de overlijdensakte is voorgelegd aan een registertolk en dat deze niet heeft kunnen vaststellen dat er een “motief” vermeld staat op de overlijdensakte. Eiser wordt daarom niet gevolgd in zijn stelling dat op de kopie staat dat eiseres vader is omgebracht omdat hij gezien werd als verrader. Ook merkt de minister op dat eisers uitleg in de zienswijze kenbaar in strijd is met zijn uitleg tijdens het aanmeldgehoor. Eiser heeft eerst immers verklaard dat zijn vader is overleden omdat het pech was dat hij ergens stond waar een mortier was gevallen. De minister overweegt vervolgens dat eiser bovendien niet aannemelijk heeft weten te maken door wie en waarom zijn vader en daarom ook hijzelf zouden worden gezien als verrader. Eiser kan niet benoemen of zijn vader daadwerkelijk het regime steunde en waarom hij dan wordt gezien als verrader. Ook kan eiser niet benoemen waarom hij te vrezen zou hebben wegens de dood van zijn vader bij terugkeer naar Syrië; eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij, 13 jaar na het overlijden van zijn vader, zou worden gezien als verrader of waarom hij persoonlijk te vrezen zou hebben van bijvoorbeeld leden van zijn stam. Eisers vrees is gebaseerd op aannames.
De rechtbank overweegt dat het aan eiser is om zijn asielrelaas te staven en het daarom op de weg van eiser had gelegen om de overlijdensakte te laten vertalen. Of het al dan niet gaat om een eerste asielaanvraag is daarbij niet relevant. De minister is eiser op dit punt tegemoetgekomen door het document voor te leggen aan een registertolk en er is daarom geen sprake van een zorgvuldigheidsgebrek.
De rechtbank overweegt voorts dat de minister in algemene zin de verklaringen van eiser in het aanmeldgehoor mag meenemen. Hoewel het aanmeldgehoor niet bedoeld is om het asielrelaas vast te stellen, betekent dit niet dat de antwoorden van eiser niet betrokken kunnen worden bij de beoordeling van het asielrelaas of dat deze geen relevantie hebben wanneer eiser op een later tijdstip strijdig met de eerdere verklaring verklaart.
De rechtbank oordeelt tot slot dat de minister terecht concludeert dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij risico loopt om bij terugkeer naar Syrië te worden gezien als verrader. Hoewel uit de in beroep overgelegde vertaling van de overlijdensakte blijkt van een motief voor de dood van zijn vader (gedood door het regime Assad) heeft eiser eerst zelf verklaard dat dit simpelweg pech was, hetgeen tegenstrijdig is met elkaar. Er is daarom geen reden om aan te nemen dat de vader van eiser vermoord is omdat hij gezien werd als verrader. In het verlengde daarvan is er geen aanleiding om aan te nemen dat eiser wordt gezien als verrader; eiser stelt immers enkel dat dit het geval is omdat zijn vader als zodanig werd gezien. In zoverre eiser betoogt dat zijn vader niet is omgebracht omdat hij een verrader was, maar wel als zodanig werd gezien blijkt dit evenmin uit de overgelegde vertaling en heeft de minister kunnen overwegen dat bij gebrek aan onderbouwing niet valt in te zien dat eiser, 13 jaar na het overlijden van zijn vader, zou worden gezien als verrader of waarom hij persoonlijk te vrezen zou hebben van bijvoorbeeld leden van zijn stam. Voor het overige behoeft dit punt daarom geen bespreking.
Conclusie en gevolgen
8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.