RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.60222
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Agayev)
en
(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 7 oktober 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder. De gemachtigde van eiser is niet verschenen en heeft na de zitting schriftelijk beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten op 15 oktober 2026.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
1. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
2. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, vanwege het onderduikrisico en omdat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
3. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden terecht zijn tegengeworpen en, voor zover nodig, voldoende zijn toegelicht in de maatregel. De gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat en dat eiser de voorbereiding van het vertrek ontwijkt of belemmert.
Voortvarend handelen
5. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt, omdat onvoldoende is gebleken welke concrete uitzettingshandelingen verweerder heeft verricht.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser naar Somalië. Uit het dossier blijkt dat op 6 oktober 2026 een beslissing op eisers asielaanvraag is genomen, waarna verweerder op 7 oktober 2026 een vertrekgesprek heeft gevoerd met eiser. Verder heeft verweerder toegelicht dat hij voornemens is om op 23 oktober 2026 een lp-traject te starten. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder meer of andere uitzettingshandelingen had moeten verrichten. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat op eiser de verplichting rust om volledig en actief mee te werken aan zijn lp-traject. Eiser heeft tijdens het vertrekgesprek geweigerd medewerking te verlenen aan het invullen en ondertekenen van de lp-aanvraag. Daarom is de aanvraag ambtshalve door verweerder ingevuld. De gevolgen van deze weigerachtige houding komen voor rekening en risico van eiser.
Zicht op uitzetting
7. Eiser stelt dat zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar Somalië ontbreekt. Hij beschikt niet over een geldig reisdocument en stelt dat verweerder de door Somalië uitgevaardigde paspoorten niet erkent. Verder voert eiser aan dat de aanvraag voor een lp bij de Somalische autoriteiten nog moet worden opgestart.
8. De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Somalië. Niet is gebleken van aanknopingspunten die erop wijzen dat voor eiser bij volledige medewerking geen lp zal worden afgegeven. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn standpunt dat zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar Somalië ontbreekt.
Lichter middel
9. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of met een minder ingrijpende maatregel, zoals een meldplicht, kon worden volstaan. Daarbij voert eiser aan dat de belangenafweging onvoldoende individueel en concreet is gemotiveerd en dat onvoldoende gewicht is toegekend aan de omstandigheid dat zijn vrouw in Nederland verblijft.
10. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Gelet op de gronden die aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag liggen, bestaat een risico dat eiser zal onderduiken. Verweerder heeft ook, met verwijzing naar de door eiser afgelegde verklaringen, voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast om dit risico te ondervangen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder van belang dat eiser eerder met onbekende bestemming is betrokken en dat hij in het vertrekgesprek van 8 oktober 2026 heeft aangegeven dat hij geen enkele reden ziet om terug te keren naar Somalië. Verder is verweerder in de maatregel ingegaan op de door eiser gestelde omstandigheid dat hij een vrouw heeft die in Nederland verblijft. Verweerder heeft terecht overwogen dat de huwelijksrelatie niet onderbouwd is en dat ook niet is gebleken van een afhankelijkheidsrelatie. Verweerder heeft daarom terecht geconcludeerd dat de door eiser gestelde relatie de maatregel niet onevenredig bezwarend maakt.
Ambtshalve toetsing
11. Ook de ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat de maatregel van vreemdelingenbewaring op enig moment in de te beoordelen periode onrechtmatig was.
Conclusie
12. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 16 oktober 2026 door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Biyikli, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.