RECHTBANK DEN HAAG
[eiser], geboren op [geboortedag 1] 2005, van onbekende nationaliteit
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.46181 (beroep)
NL26.46182 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
alias [eiser], geboren op [geboortedag 2] 2002, van onbekende nationaliteit,
eiser en verzoeker, hierna: eiser (gemachtigde: mr. H. Loth),
en
(gemachtigde: mr. R.I. Schreinemachers).
1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring van eisers asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijkverklaring van eisers asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 staan de van belang zijnde omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 4 staat het bestreden besluit. Onder 5 staat het juridisch kader. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 6 augustus 2026 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser al internationale bescherming is verleend in Griekenland.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, ertoe strekkende dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten.
Eiser heeft op 14 september 2026 aanvullende gronden ingediend. Op 16 september 2026 heeft de minister op deze aanvullende gronden gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank/voorzieningenrechter heeft het beroep op 17 september 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, D. El Haddouche als tolk in de taal Arabisch (Palestijns-Jordaans) en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond
3. Eiser is afkomstig uit de Palestijnse gebieden. Op 3 maart 2023 heeft hij een asielvergunning in Griekenland gekregen met een geldigheidsduur van drie jaar. Deze asielvergunning is inmiddels verlopen. Eiser is doorgereisd naar Duitsland, waar hij in september 2023 aankwam. Daar heeft eiser een nieuwe asielaanvraag ingediend. De Duitse autoriteiten hebben eisers aanvraag afgewezen. Op 7 maart 2026 is eiser naar Nederland gekomen en heeft hij hier een asielaanvraag ingediend.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser al internationale bescherming geniet in Griekenland. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij in Griekenland geen bescherming kan krijgen of dat de overheid hem daar niet kan of wil helpen. Daarnaast zijn het arrest Ibrahim van het Hof en IB 2026/1 niet op eiser van toepassing, omdat hij niet heeft onderbouwd dat hij bijzonder kwetsbaar is. Uit eisers verklaringen volgt namelijk dat hij soms werk had, dat hij geholpen werd door mensen en dat hij bij de moskee eten en een slaapplek kreeg. Daaruit volgt dat eiser mogelijkheid heeft gehad tot werk, dat hij een sociaal netwerk had en dat hij toegang had tot voeding en onderdak. Eiser heeft verder verklaard dat hij op straat en in het park heeft geleefd, maar ook dat hij een periode in een hotel heeft gezeten. Verder heeft hij verklaard dat hij in september 2023 naar Duitsland is gereisd, waarvoor hij een bedrag van € 300,- heeft betaald. Dit bevestigt dat eiser een bron van inkomsten had.
Het juridische kader
5. Per 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact inwerking getreden. In dat kader is onder meer de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) met de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 (de Uitvoerings- en implementatiewet) gewijzigd. Artikel IX, zesde lid, onder b, van de Uitvoerings- en implementatiewet, gaat over het overgangsrecht wat betreft afdoeningsgronden. Op grond van dit artikel zijn de artikelen van de Vw 2000 en het Vb 2000 zoals deze golden tot 12 juni 2026 op eisers aanvraag van toepassing, omdat deze aanvraag is ingediend vóór 12 juni 2026. In deze uitspraak hebben de verwijzingen naar de Vw 2000 en het Vb 2000 dan ook betrekking op de wetsversie die geldig was tot 12 juni 2026.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 een aanvraag tot het verlenen van een asielvergunning niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet. Het uitgangspunt hierbij is in het algemeen dat de minister mag uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van een vreemdeling in een lidstaat waar hij of zij internationale bescherming geniet, in overeenstemming is met de bepalingen van het Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM(het zogenoemd interstatelijk vertrouwensbeginsel). Het is dan in beginsel aan de vreemdeling om dit vermoeden te weerleggen.
Uit het arrest Ibrahim volgt dat de lidstaten geen gebruik kunnen maken van de bevoegdheid om een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk te verklaren als de vreemdeling bij terugkeer naar de lidstaat die hem internationale bescherming heeft geboden, het risico loopt om te worden behandeld in strijd met artikel 4 van het Handvest. In dit arrest heeft het Hof overwogen dat, ondanks het uitgangspunt van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, niet kan worden uitgesloten dat statushouders in een lidstaat het risico lopen om te worden behandeld in strijd met artikel 4 van het Handvest. De tekortkomingen vallen alleen onder artikel 4 van het Handvest als ze een ‘bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid’ bereiken. Deze drempel wordt bereikt wanneer de onverschilligheid van de autoriteiten van de betrokken lidstaat ertoe leidt dat iemand die volledig afhankelijk is van overheidssteun vanwege zijn bijzondere kwetsbaarheid, buiten zijn eigen wil en keuzes om, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, waardoor hij niet kan voorzien in zijn belangrijkste basisbehoeften en waardoor zijn gezondheid zou worden geschaad of zijn leefomstandigheden mensonwaardig zouden worden.
De Afdeling heeft in haar uitspraken van 28 juli 2021 geoordeeld dat de minister ten aanzien van Griekenland niet zonder meer kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Meer concreet kan de minister er niet zonder meer van uitgaan dat de leefomstandigheden die statushouders bij terugkeer in Griekenland te verduren krijgen niet de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid van het arrest Ibrahim bereiken. In die uitspraken is vermeld dat een Griekse wetswijziging van maart 2020 (onder andere) tot gevolg heeft dat terugkerende statushouders niet meer in aanmerking komen voor huisvesting en toelagen, en dat de druk op voorzieningen voor statushouders is toegenomen. Hierdoor zijn duizenden statushouders dakloos geworden. Daarnaast moeten terugkerende statushouders die niet meer in het bezit zijn van hun Griekse verblijfsvergunning (ADET) maanden wachten tot deze opnieuw wordt afgegeven waardoor zij geen belastingnummer (AFM) en geen sociaalzekerheidsnummer (AMKA) kunnen bemachtigen. Dit bemoeilijkt vervolgens de toegang tot huisvesting, sociale voorzieningen, zorg en de arbeidsmarkt. De Afdeling heeft op basis hiervan overwogen dat de Griekse autoriteiten weliswaar niet onverschillig staan tegenover de situatie van statushouders, maar dat zij in de praktijk vaak niet kunnen voorkomen dat statushouders in een situatie terechtkomen waarin zij niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen. De Afdeling heeft daarom geconcludeerd dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat hij ten aanzien van Griekenland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan en dat de leefomstandigheden die statushouders bij terugkeer naar Griekenland te verduren krijgen niet de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid van het arrest Ibrahim bereiken.
Naar aanleiding van deze uitspraken van de Afdeling heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken de situatie van statushouders in Griekenland nader onderzocht. Op 24 juni 2022 is het eerste ‘verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland’ gepubliceerd. Naar aanleiding van dit feitenonderzoek heeft de minister in IB 2022/84 een vaste gedragslijn neergelegd op grond waarvan hij kon beoordelen of in voorkomend geval een asielaanvraag van een Griekse statushouder niet-ontvankelijk kon worden verklaard. Op 3 september 2024 is het tweede ‘verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland’ gepubliceerd. Inmiddels is de vaste gedragslijn van de minister neergelegd in IB 2026/31. De IB 2026/31 is sinds 25 augustus 2026 de opvolger van IB 2026/1.
Tot slot volgt uit de arresten Ebilum en Quotal van het Hof dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om zelfstandig de geloofwaardigheid en/of de zwaarwegendheid van het asielrelaas en daarmee de behoefte aan internationale bescherming te beoordelen. Indien de rechtbank beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens kan de rechtbank hierover een bindende beoordeling geven.
Heeft verweerder het juiste beleid toegepast?
6. Uit het bestreden besluit blijkt dat de minister IB 2026/1 heeft toegepast. Op het moment van beslissen, was IB 2026/1 niet meer van toepassing. Want per 25 augustus 2026 is IB 2026/1 vervangen door IB 2026/31. Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister toegelicht dat IB 2026/31 een uitwerking is van IB 2026/1. De rechtbank volgt deze toelichting niet. In IB 2026/31 staat namelijk expliciet vermeld: ‘Dit IB vervangt IB 2026/1. Dit IB is zowel van toepassing op aanvragen van voor 12 juni 2026 als aanvragen van na die datum.’ Daarnaast verschilt IB 2026/31 op inhoudelijk en tekstueel niveau van IB 2026/1. Zo stelt IB 2026/1 als voorwaarde voor zelfredzaam dat de vreemdeling ‘niet kwetsbaar’ is, terwijl IB 2026/31 als voorwaarde stelt dat er ‘geen sprake is van omstandigheden die de zelfredzaamheid van de vreemdeling (significant) belemmeren’. Daarnaast wordt in IB 2026/31 als voorwaarde gesteld dat de vreemdeling geacht kan worden ‘zich gedurende de aanvraag periode voor een verlenging van de verblijfsvergunning in Griekenland zonder geldige vergunning staande te houden’, een voorwaarde die in IB 2026/1 niet expliciet gesteld wordt. Ook ten aanzien van het horen van de vreemdeling verschillen IB 2026/1 en 2026/31 van elkaar. De minister heeft, door het niet juist toepassen van het beleid, het besluit onzorgvuldig voorbereid. In zoverre is het beroep gegrond. In het kader van de finale geschilbeslechting en omdat de rechtbank de bevoegdheid heeft om, als zij van oordeel is dat zij beschikt over alle feitelijke en juridische gegevens een bindende uitspraak kan doen over het verzoek om internationale bescherming, zal de rechtbank ook inhoudelijk toetsen.
Is het gehoor zorgvuldig afgenomen?
7. Eiser voert aan dat het gehoor niet zorgvuldig is afgenomen. Hij is tijdens het gehoor namelijk onvoldoende bevraagd op omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling van eisers zelfredzaamheid in Griekenland.
De rechtbank overweegt dat uit zowel IB 2026/1, waar de minister aan heeft getoetst, als uit IB 2026/31, dat van toepassing is, volgt dat moet worden doorgevraagd op de situatie in Griekenland na vergunningverlening, omdat dit iets zegt over de vraag of de vreemdeling zich zelfstandig heeft kunnen handhaven. Verder moet worden gevraagd naar de reden van vertrek uit Griekenland.
De rechtbank is van oordeel dat eiser onvoldoende zorgvuldig is gehoord. De rechtbank overweegt dat eiser tijdens het nader gehoor is medegedeeld dat het nader gehoor diende om eisers asielrelaas en de redenen voor zijn vertrek uit zijn land van herkomst vast te stellen. Tijdens het nader gehoor is eiser ook uitgebreid bevraagd over zijn asielrelaas. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze wijze van horen onvoldoende duidelijk dat de minister voornemens was zijn aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren en eiser terug te sturen naar Griekenland. Daarnaast is eiser weliswaar bevraagd over de omstandigheden waaronder hij in Griekenland geleefd heeft, maar er is niet expliciet gevraagd naar omstandigheden die maken dat eiser niet teruggestuurd zou kunnen worden. Er is ook niet doorgevraagd op de situatie van eiser in Griekenland. Als eiser verklaart dat hij ongeveer vier à vijf maanden op straat heeft geleefd, wordt er verder niet doorgevraagd hoe eiser in die periode zichzelf staande heeft kunnen houden. Verderop in het nader gehoor wordt wel gevraagd waar eiser heeft verbleven in die tijd, maar wordt niet gevraagd hoe hij zichzelf heeft kunnen redden. Verder is er, in weerwil van IB 2026/31, niet gevraagd naar de reden van vertrek uit Griekenland. Ook is eiser niet gevraagd of hij bekend is met vluchtelingenhulporganisaties in Griekenland en of hij deze eerder heeft benaderd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser onvoldoende de mogelijkheid heeft gehad om alles naar voren te brengen wat relevant kan zijn voor de beoordeling of hij kan terugkeren naar Griekenland.
Deze beroepsgrond slaagt.
Komt eiser bij terugkeer terecht in een situatie als bedoeld in het arrest Ibrahim?
8. Eiser voert aan dat de minister het toetsingskader van het arrest Ibrahim niet goed heeft toegepast. De minister heeft namelijk niet aan de hand van de individuele omstandigheden van eiser onderzocht of eiser bij terugkeer terechtkomt in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie. De minister heeft zich beperkt tot de algemene vaststelling dat eiser niet kwetsbaar is omdat hij een alleenstaande volwassen man is. Eiser wijst in dit kader ook op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 3 september 2026.
De rechtbank is van oordeel dat de minister het toetsingskader van Ibrahim niet goed heeft toegepast. De minister heeft namelijk niet kenbaar onderzocht of eiser bij terugkeer vanwege bijzondere kwetsbaarheid het risico loopt om te worden behandeld in strijd met artikel 4 van het Handvest doordat hij in een staat van zeer verregaande materiële deprivatie terechtkomt, maar heeft zich beperkt tot de vaststelling dat eiser zelfredzaam is. Zoals hierboven genoemd heeft de Afdeling in dit kader al overwogen dat de Griekse autoriteiten in de praktijk vaak niet kunnen voorkomen dat statushouders in een situatie terechtkomen waarin zij niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften – zoals wonen, eten en zich wassen – en die dus in strijd is met artikel 4 van het Handvest. De rechtbank ziet dit terug in de verklaringen van eiser. Eiser heeft weliswaar verklaard dat hij opvang heeft gehad bij de moskee en ook enige tijd in een hotel heeft verbleven, maar hij heeft óók verklaard dat hij vier à vijf maanden op straat en in parken heeft geslapen. Dat betekent dat eiser meer dan de helft van zijn verblijf in Griekenland op straat heeft geleefd. De minister heeft dit niet kenbaar in het bestreden besluit betrokken. Daarnaast heeft eiser verklaard analfabeet te zijn, wat relevant is voor de beoordeling van het bestaan van bijzondere kwetsbaarheid. De minister heeft dit laatste ook niet kenbaar in het bestreden besluit betrokken.
Bij het verweerschrift heeft de minister een hogerberoepschrift ingediend tegen de uitspraak van zittingsplaats Haarlem. Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister toegelicht dat hieruit volgt dat de situatie in Griekenland verbeterd is en dat zelfredzame Griekse statushouders zich daar kunnen handhaven. De rechtbank is van oordeel dat de minister met dit hogerberoepschrift nog steeds niet goed gemotiveerd heeft dat eiser bij terugkeer naar Griekenland niet terecht zal komen in een situatie die in strijd is met artikel 4 van het Handvest. De rechtbank legt dit hierna uit.
Het hogerberoepschrift gaat over de algemene situatie in Griekenland, terwijl de minister een individuele beoordeling dient te maken ten aanzien van de situatie van eiser. In het hogerberoepschrift wordt vastgesteld dat verbetering van de situatie van Griekse statushouders complex is en van vele factoren afhankelijk is, maar dat met name het beschikken over documenten en de inrichting van de bureaucratie een rol speelt hierin. Vervolgens wordt een aantal initiatieven genoemd die de toegang tot werkgelegenheid, de regelgeving en de wijze van verkrijging van documenten zouden moeten verbeteren. De genoemde initiatieven betreffen echter voornamelijk toekomstige, abstracte of onzekere ontwikkelingen (cursivering door de rechtbank):
“De Griekse Asieldienst zou momenteel werken aan een hervorming van de wetgeving die het mogelijk zou maken om aanvragen voor een ADET-verlenging via een speciaal online platform in te dienen. Ook wordt gewerkt aan het definiëren van specifieke standaarden voor deze certificaten (…). Statushouders zouden dit certificaat kunnen gebruiken bij het reactiveren van hun sociale zekerheidsnummer (…).”
“Er is meer bereidheid, zowel vanuit de politiek als vanuit het bedrijfsleven, om statushouders te laten integreren in de arbeidsmarkt en om hierin te investeren. Voormalig minister van Migratie en Asiel Dimitros Kairidis, aangesteld in juni 2023 en opgevolgd in juni 2024 door Nikolaos Panagiotopoulos, zou hier een belangrijke rol in spelen. De overheid werkte samen met UNHCR, IOM en ngo’s bij projecten bedoeld om de arbeidsintegratie van statushouders te bevorderen.”
“Bronnen benoemden enkele toekomstige wetwijzigingen – het kon echter niet
worden geverifieerd wat de status was van de toekomstige wetswijzigingen en
wanneer deze geïmplementeerd zouden worden:
- Verwachte wetswijziging voor wat betreft het aantal dagen die een statushouder in een opvangfaciliteit mag verblijven na het verkrijgen van een status – dit zou gewijzigd worden van dertig naar zestig dagen.
- Veranderingen om de uitgifte van ADETs te versnellen en om de certificaten die statushouders ontvangen zodra hun aanvraag tot een ADET is geregistreerd uniform te maken en specifieke kenmerken toe te voegen, zoals een pasfoto.
- Er zouden plannen zijn om de termijn waarbinnen een statushouder zich moet aanmelden voor het HELIOS-programma te verlengen van twaalf naar vierentwintig maanden.”
De concrete initiatieven die genoemd worden in het hogerberoepschrift komen neer op het bestaan van “diverse” ngo’s die “werken aan de arbeidsintegratie van statushouders”, een “coverage- programma” waar onder andere statushouders een beroep op kunnen doen voor het verkrijgen van huisvesting, en het Helios+-programma, waar eiser niet onder valt omdat hij langer dan 24 maanden geleden zijn status heeft gekregen in Griekenland. De rechtbank is van oordeel dat ook deze concrete initiatieven onvoldoende onderbouwing bieden voor het standpunt dat eiser bij terugkeer niet vanwege bijzondere kwetsbaarheid in een situatie terecht zal komen als bedoeld in het arrest Ibrahim, gelet op wat de Afdeling heeft geoordeeld in haar uitspraken van 28 juli 2021 en eisers verklaringen. De minister zal een op eisers situatie toegespitste, individuele, beoordeling moeten maken of hij bij terugkeer naar Griekenland het risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd komt met artikel 4 van het Handvest en daarbij deze verklaringen van eiser moeten betrekken. Omdat de minister, zoals hierboven overwogen, eiser onvoldoende heeft gehoord over zijn situatie in Griekenland, zal de minister eiser eerst opnieuw moeten horen alvorens deze beoordeling te maken.
Deze beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
9. De minister heeft de aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over eisers aanvraag te nemen. De rechtbank overweegt hiertoe dat de rechtbank op dit moment niet beschikt over alle feitelijke en juridische gegevens. Eiser is een staatloze Palestijn uit Gaza en zou op die grond in aanmerking kunnen komen voor subsidiaire bescherming. Eiser heeft echter al internationale bescherming in Griekenland en, zoals hierboven overwogen, is onduidelijk hoe de situatie daar voor hem is en of eiser terug kan keren naar Griekenland. De rechtbank kan daardoor nu geen bindende uitspraak doen. De minister dient eiser dan ook eerst nader te horen over zijn situatie in Griekenland, de redenen voor zijn vertrek en een eventuele terugkeer naar Griekenland. Bij een eventueel nieuw te nemen besluit dient de minister ook het analfabetisme van eiser te betrekken en wat dat betekent voor de vraag of eiser in een situatie van materiele deprivatie terecht zal komen bij terugkeer naar Griekenland.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor tien weken.
Nu op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor de gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek hiertoe wordt daarom afgewezen.
Omdat het beroep gegrond is en het verzoek om een voorlopige voorziening wel terecht was ingediend, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank/voorzieningenrechter stelt deze proceskostenvergoeding vast aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank, in de zaak NL26.46181:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 6 augustus 2026;
- draagt de minister op binnen tien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
De voorzieningenrechter, in de zaak NL26.46182:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
De rechtbank/voorzieningenrechter, in beide zaken:
- bepaalt dat de minister de proceskosten van eiser moet vergoeden tot een bedrag van € 2.802,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Krikke, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.