RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.42019
V-nummer: [v-nummer]
[verzoeker] , geboren op [geboortedag] 1998, met de Marokkaanse nationaliteit,
verzoeker
(gemachtigde: mr. J.S. Jordan),
en
(gemachtigde: mr. Y.D. Ancion).
Procesverloop
Bij besluit van 19 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan verzoeker een terugkeerbesluit uitgereikt en tegen hem een inreisverbod voor de duur van twee jaren uitgevaardigd.
Verzoeker heeft tegen dit besluit op 24 juli 2026 beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter op deze datum ook verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend op 14 oktober 2026 en verzoeker heeft op diezelfde datum een reactie op het verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter als onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen.
Spoedeisend belang
3. De voorzieningenrechter zal zich eerst uitlaten over de vraag of sprake is van onverwijlde spoed en of partijen door een uitspraak zonder zitting niet in hun belangen worden geschaad.
4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in dit geval sprake van onverwijlde spoed, nu blijkt dat verzoeker op [datum] 2026 om [tijdstip] zal worden uitgezet naar Casablanca, Marokko.
5. De voorzieningenrechter oordeelt verder dat partijen door het achterwege laten van een zitting niet in hun belangen zijn geschaad. Daarbij is van belang dat partijen voldoende de gelegenheid hebben gehad om hun standpunten schriftelijk naar voren te brengen, zoals volgt uit het procesverloop.
Heeft het beroep een redelijke kans van slagen?
6. Nu de voorzieningenrechter heeft aangenomen dat sprake is van onverwijlde spoed en van oordeel is dat uitspraak zonder zitting kan worden gedaan, zal zij beoordelen of het beroep een redelijke kans van slagen heeft.
7. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft het beroep van verzoeker geen redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat het beroep dat verzoeker heeft ingesteld in de bodemprocedure te laat is ingesteld. De termijn om beroep in te kunnen stellen tegen het bestreden besluit bedroeg vier weken en verstreek op 17 juli 2026. Het beroep is pas ingesteld op 24 juli 2026 en daarmee dus zeven dagen te laat. Verzoeker heeft aangevoerd dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht op grond van artikel 6:11 van de Awb, omdat de overschrijding slechts zeven dagen bedroeg, verzoeker in vreemdelingenbewaring verbleef, na overname van het dossier door de huidige gemachtigde binnen tien dagen beroep is ingesteld en verweerder door de termijnoverschrijding niet in zijn belangen zou zijn geschaad. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen aanleiding de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
8. De voorzieningenrechter volgt verder het standpunt van verweerder, dat geen sprake is van een situatie dat onmiskenbaar een schending van artikel 3 van het EVRM dreigt plaats te vinden bij terugkeer, door het niet buiten toepassing laten van de nationale procedureregel die voorschrijft dat een beroep niet-ontvankelijk is als het te laat is ingediend. Verzoeker heeft geenszins geconcretiseerd of onderbouwd dat aanleiding bestaat om toepassing te geven aan de Bahaddar-exceptie. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter ook verzoekers verklaringen, zoals weergegeven in het proces-verbaal van gehoor van 19 juni 2026 door de AVIM, waaruit volgt dat hij geen onmenselijke behandeling vreest.
9. Ten overvloede, voor hetgeen verzoeker heeft aangevoerd ten aanzien van het inreisverbod, volgt de voorzieningenrechter eveneens het standpunt van verweerder dat dit evenmin aanleiding geeft om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen. Zo is niet gebleken dat verzoeker thans een verblijfsrecht in Spanje heeft. Verzoeker heeft een aanvraag gedaan voor verblijf in Spanje, maar gesteld noch gebleken is dat hij aan die aanvraag een verblijfsrecht ontleent. Voorts is niet gebleken dat reeds op de aanvraag is beslist. Mocht verzoekers aanvraag voor inwilliging in aanmerking komen, dan kan verzoeker vanuit Marokko een verzoek tot opheffing van het inreisverbod indienen.
Conclusie en gevolgen
10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
11. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid
van mr. A.S. Hayas, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: