RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] ,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.40682
V-nummer: [v-nummer]
geboren op [geboortedag] 1991, van Egyptische nationaliteit, verzoeker
(gemachtigde: mr. D. Brouwer)
en
(gemachtigde: mr. J. Becker).
Procesverloop
Verzoeker heeft op 4 september 2025 een aanvraag ingediend voor de afgifte van een verblijfsdocument EU/EER op grond van het arrest Chavez-Vilchez (hierna: Chavez aanvraag). De minister heeft deze aanvraag op 6 juli 2026 afgewezen, omdat eiser een gevaar is voor de openbare orde.
Op 20 juli 2026 heeft verzoeker bezwaar ingediend tegen dit besluit en gelijktijdig de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, ertoe strekkende dat verzoeker mag blijven werken tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist.
De minister heeft op 1 oktober 2026 laten weten dat hij zich verzet tegen de toewijzing van het verzoek en heeft gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 8 oktober 2026.
Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig de heer V. Bolt als tolk in de Engelse taal.
Overwegingen
Achtergrond
1. Verzoeker heeft op 12 mei 2016 zijn eerste asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze afgewezen en artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag (hierna: artikel 1F) op verzoeker van toepassing verklaard. De rechtbank heeft deze beslissing in beroep in stand gelaten. Volgens de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat verzoeker als medewerker van [bedrijf] personen in een positie heeft gebracht waarin zij tenminste de aanmerkelijke kans liepen om te worden blootgesteld aan buitengerechtelijke detentie en foltering en dat verzoeker dit wist dan wel behoorde te weten. Dit oordeel staat in rechte vast.
2. Op 21 december 2021 heeft verzoeker een tweede asielaanvraag ingediend. Verzoeker heeft hieraan ten grondslag gelegd dat artikel 1F ten onrechte aan hem is tegengeworpen. De minister heeft deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van nieuwe feiten en omstandigheden. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld dat op 20 mei 2022 door deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, ongegrond is verklaard. Tegen deze uitspraak loopt momenteel nog een hoger beroepsprocedure bij de Afdeling. Deze zaak is aangehouden in afwachting van prejudiciële vragen die de Afdeling aan het Hof heeft gesteld in het kader van artikelen 5, 9 en 14 van de Terugkeerrichtlijn. De Afdeling wenst onder andere te vernemen of deze artikelen zo moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling waarbij illegaal in Nederland verblijvende personen, die vanwege een risico op schending van het non-refoulementbeginsel in het land van herkomst voor onbepaalde tijd niet kunnen worden verwijderd en ook geen verblijfsrecht krijgen in Nederland, gedurende een periode van minstens tien jaar uitsluitend aanspraak kunnen maken op onderwijs, medisch noodzakelijke zorg of rechtsbijstand, terwijl onzeker is of zij na die periode wel in aanmerking komen voor een verblijfsrecht. Het Hof heeft deze vragen nog niet beantwoord.
Het bestreden besluit
3. Verzoeker is op 4 januari 2025 vader geworden van een minderjarig Nederlands kind. Verzoeker voldoet aan alle voorwaarden voor een verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez, maar omdat verzoeker volgens de minister een gevaar is voor de openbare orde heeft de minister de aanvraag afgewezen.
4. Volgens de minister vormt het persoonlijke gedrag van verzoeker een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving, omdat verzoeker betrokken is geweest bij een misdrijf zoals bedoeld in artikel 1F. Verzoeker heeft het plegen van misdrijven als het buitengerechtelijk detineren van personen en het folteren van personen gefaciliteerd. Dit is weliswaar twaalf jaar geleden, maar aan dit tijdsverloop wordt geen doorslaggevende betekenis toegekend. Dat verzoeker niet strafrechtelijk voor de betrokkenheid bij deze misdrijven is veroordeeld, zegt volgens de minister niks over de ernst van de gepleegde misdrijven. Omdat verzoeker zich bij zijn tweede asielaanvraag op het standpunt stelt dat artikel 1F hem ten onrechte is tegengeworpen, stelt de minister zich aanvullend op het standpunt dat verzoeker de 1F-tegenwerping op deze manier op oneigenlijke gronden ongedaan probeert te maken. Daar leidt de minister uit af dat verzoeker onvoldoende schuldbesef en verantwoordelijkheidsgevoel heeft ten aanzien van de rol die verzoeker heeft gespeeld bij het faciliteren van misdrijven. Dat verzoeker verklaart dat hij zich momenteel in een andere levensfase bevindt en een gezin heeft acht de minister onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.
5. De minister heeft in het kader van het evenredigheidsbeginsel een belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM gemaakt. Volgens de minister is er sprake van familie- en gezinsleven tussen verzoeker, zijn partner en zijn minderjarige zoon, maar valt de belangenafweging in het nadeel van verzoeker uit. Daarom is de afwijzing van de aanvraag niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. De minister heeft daarbij zwaar in het nadeel betrokken dat aan verzoeker in de twee door hem gevoerde asielprocedures artikel 1F is tegengeworpen. Ook weegt in het nadeel mee dat verzoeker sinds zijn komst naar Nederland in mei 2016 nooit rechtmatig verblijf heeft gehad. Verzoeker is een relatie aangegaan met een partner die al gezondheidsklachten had en heeft een gezin gesticht terwijl hij wist dat hij Nederland vrijwillig moest verlaten. Daarom wordt er ook beperkte betekenis toegekend aan de banden die verzoeker heeft opgebouwd met Nederland. Het besluit om verzoeker verblijfsrecht op grond van het recht van de Europese Unie te ontzeggen leidt er niet toe dat verzoeker wordt gescheiden van zijn zoon, nu verzoeker niet gedwongen uit Nederland zal worden verwijderd omdat artikel 3 van het EVRM daaraan in de weg staat.
6. Omdat de minister meent dat verzoeker een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving vindt de minister dat een signalering op zijn plaats is. Het bestreden besluit behelst een signalering in het E&S en het SIS voor de duur van tien jaar.
7. Verder wijst de minister erop dat het eerder bij besluit van 26 oktober 2017 genomen terugkeerbesluit nog steeds geldt en dat verzoeker op grond hiervan de lidstaten van de Europese Unie (met uitzondering van Ierland) aangevuld met Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein meteen moet verlaten. Tot slot wijst de minister op het eerder bij besluit van 26 oktober 2017 opgelegde inreisverbod voor de duur van tien jaar dat nog steeds geldt.
Standpunt van verzoeker
8. Verzoeker heeft met zijn verzoek om een voorlopige voorziening verzocht om te mogen blijven werken tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist. Daar is het spoedeisende belang ook in gelegen. Zijn echtgenote ontvangt een Wajong-uitkering die onvoldoende is om in de basisbehoeften van het gehele gezin te voorzien. Het gezin ontvangt geen zorg- of huurtoeslag. Het is daarom essentieel dat verzoeker mag blijven werken om zo zorg te kunnen blijven dragen voor zijn echtgenote en zoontje. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat het bezwaar redelijke kans van slagen heeft, mede omdat de Unierechtelijke actualiteitstoets in het bestreden besluit onjuist en onvolledig is, een volledige evenredigheidsbeoordeling ontbreekt en de relevante Afdelingsjurisprudentie niet bij de beoordeling is betrokken. Hij verwijst daarvoor naar de uitspraak van 12 december 2025 waarin is bevestigd dat de minister dient te motiveren hoe een vaststaande Chavez-relatie wordt betrokken in de openbare orde beoordeling, de evenredigheidstoets en bij de beoordeling op grond van artikel 8 van het EVRM. De belangen van verzoeker dienen daarnaast zwaarder te wegen dan de belangen van de minister, nu de toewijzing van het verzoek niet leidt tot een onomkeerbaar gevolg omdat hij alleen in de gelegenheid wordt gesteld om te blijven werken tot vier weken nadat er een beslissing is genomen op het bezwaar.
Standpunt van de minister in het kader van het verzoek om voorlopige voorziening
9. De minister verzet zich tegen de toewijzing van het verzoek en stelt zich in het verweerschrift primair op het standpunt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling blijkt volgens de minister dat een financieel belang in beginsel geen reden is om een voorlopige voorziening te treffen, tenzij het financieel belang zodanig zwaarwegend is dat verzoeker in een financiële noodsituatie terechtkomt. Daarvan is volgens de minister geen sprake. Het enkele feit dat het inkomen van verzoeker wegvalt en dat dat leidt tot een daling van het gezinsinkomen, is volgens de minister onvoldoende. Subsidiair stelt de minister zich op het standpunt dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. De minister heeft voldoende gemotiveerd uiteengezet waarom verzoeker een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de Nederlandse samenleving zoals bedoeld in het Unierechtelijke openbare orde criterium. De weigering van het verblijfsrecht houdt volgens de minister ook in het licht van het evenredigheidsbeginsel stand. De belangenafweging dient volgens de minister in het nadeel van verzoeker uit te vallen. Daarbij heeft de minister onder andere overwogen dat niet is gebleken dat de inkomsten van verzoeker noodzakelijk zijn voor het levensonderhoud van het gezin en dat verzoeker een gezin heeft gesticht terwijl hij wist dat op hem een vertrekplicht rust.
Beoordeling van de voorzieningenrechter
Materiële connexiteit
10. Op de zitting heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van materiële connexiteit, omdat verzoeker met zijn verzoek niet kan bereiken wat hij daarmee beoogt te bereiken, te weten werken tijdens zijn bezwaarprocedure. De minister verwijst daarvoor naar de artikelen 3.107 van het Vb en artikel 8, eerste lid, onder e, nummers 1 en 2, van de Wav. Daaruit volgt volgens de minister dat iemand aan wie artikel 1F is tegengeworpen en van wie de asielaanvraag definitief is afgewezen geen tewerkstellingsvergunning krijgt en dus nooit mag werken. Het verzoek om een voorlopige voorziening moet daarom volgens de minister niet-ontvankelijk worden verklaard.
11. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Uit artikel 8, eerste lid, onder e, nummers 1 en 2, van de Wav volgt dat een tewerkstellingsvergunning onder meer wordt geweigerd indien iemand niet beschikt over een geldige verblijfsvergunning of aan wie een verblijfsvergunning is geweigerd.
12. De voorzieningenrechter volgt verweerder niet in het standpunt dat gelet op de hiervoor genoemde wettelijke bepalingen de materiële connexiteit ontbreekt en het verzoek daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Redengevend voor dit oordeel is dat tegen de uitspraak van de rechtbank op het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van verzoekers tweede asielaanvraag momenteel nog een hoger beroepsprocedure bij de Afdeling aanhangig is. Deze hoger beroepsprocedure is aangehouden in afwachting van prejudiciële vragen die de Afdeling aan het Hof heeft gesteld in het kader van de artikelen 5, 9 en 14 van de Terugkeerrichtlijn, zoals hiervoor al besproken in overweging 2. Het Hof heeft deze vragen nog niet beantwoord. In het licht hiervan is op dit moment onzeker of de weigering van een verblijfsvergunning asiel in stand zal blijven.
13. Als, ten gevolge van de antwoorden van het Hof, de weigering van een verblijfsvergunning asiel niet in stand kan blijven, dan heeft dat rechtstreeks invloed op het in onderhavige procedure gevraagde verblijfsdocument EU/EER op grond van het arrest Chavez-Vilchez. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de antwoorden van het Hof moeten worden afgewacht en dat nu die antwoorden er nog niet zijn, nog niet kan worden uitgegaan van de weigering van een verblijfsvergunning als omschreven in artikel 8, eerste lid, onder e, nummers 1 en 2, van de Wav. Anders dan verweerder komt de voorzieningenrechter op grond van het voorgaande tot de conclusie dat materiële connexiteit niet ontbreekt en dat het verzoek ontvankelijk is.
Spoedeisend belang
14. Op grond van artikel 8:81 van de Awb gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Volgens de voorzieningenrechter is daar in het geval van verzoeker sprake van. Verzoeker heeft gemotiveerd gesteld en met stukken onderbouwd dat hij op dit moment niet mag werken en dat er een aanzienlijk risico bestaat dat hij en zijn gezin niet meer in hun levensonderhoud kunnen voorzien als het inkomen van verzoeker wegvalt. Wanneer verzoeker niet meer mag werken, komt het gezin na aftrek van de vaste laste en variabele lasten gebaseerd op de normbedragen van NIBUD en inclusief het ontvangen van kindgebondenbudget naar verwachting maandelijks ongeveer € 259,- te kort. Daarmee dreigt een financiële noodsituatie en is het spoedeisend belang gegeven. De voorzieningenrechter zal het verzoek dan ook inhoudelijk beoordelen.
Heeft het bezwaar kans van slagen?
15. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft en overweegt daartoe als volgt.
16. Verzoeker verwijst terecht naar de uitspraak van de Afdeling van 12 december 2025 waarin (onder andere) overwegingen 6.7, 7.3.2, 7.4.2 en 7.5.2 van de onderliggende uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, van 27 maart 2024 zijn overgenomen. Daarin wordt overwogen dat de minister de “Chavez”-afhankelijkheidsverhouding, het gezinsleven en het sociale leven van verzoeker dient mee te nemen bij de beoordeling van de houding en het gedrag van de vreemdeling sinds het plegen van de misdrijven waarop de artikel 1F-tegenwerping in de asielprocedures is gebaseerd. De zonet genoemde elementen zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter dus relevant voor de beantwoording van de vraag of het persoonlijke gedrag van verzoeker een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Verder zijn deze elementen ook van belang voor de te maken evenredigheidstoets. De motivering dat de minister het onvoldoende acht dat verzoeker zich in een andere levensfase bevindt en een gezin heeft, voldoet niet aan het beoordelingskader dat de Afdeling in de hierboven genoemde uitspraak heeft neergelegd voor situaties als onderhavige waarin een Chavez aanvraag is afgewezen om redenen van openbare orde. Verweerder heeft immers met deze summiere motivering niet - althans onvoldoende kenbaar - aandacht besteed aan alle elementen die volgens de Afdeling moeten worden betrokken bij de te verrichten actualiteitstoets en moeten worden betrokken in het kader van de evenredigheidsbeoordeling.
17. In het verlengde hiervan valt de voorzieningenrechter op dat op pagina 4 van het bestreden besluit onder het kopje “belangenafweging/evenredigheidsbeginsel” alleen een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM is verricht. De evenredigheidsbeoordeling die volgt uit het arrest K. en H.F. van het Hof van 2 mei 2018 en uit de in de vorige overweging genoemde nationale jurisprudentie is breder en omvat meer dan alleen de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM. Zo volgt uit genoemd arrest van het Hof dat naast het recht op privéleven en familie- en gezinsleven op grond van artikel 8 van het EVRM ook de belangen van betrokken personen bij de uitoefening van het recht op bewegingsvrijheid en verblijf als Unieburger dienen te worden betrokken. Daarnaast dient de minister bij de beoordeling in het kader van artikel 8 van het EVRM op basis van de Afdelingsuitspraak van 12 december 2025 ook mee te nemen welke rol de afhankelijkheidsrelatie tussen verzoeker en zijn zoon speelt. In de afweging zoals de minister die nu heeft gemaakt ziet de voorzieningenrechter vooralsnog niet betrokken dat verzoeker het grootste deel van de zorg- en opvoedingstaken voor zijn zoon op zich neemt door psychische problemen van zijn echtgenote.
18. Tot slot heeft verzoekers bezwaar tegen het eerder opgelegde en thans in het bestreden besluit weer opgenomen terugkeerbesluit en inreisverbod eveneens redelijke kans van slagen. Een van de prejudiciële vragen die de Afdeling heeft voorgelegd aan het Hof is of het Unierecht zich verzet tegen een terugkeerbesluit indien daarin onmiddellijk de verwijdering voor onbepaalde tijd wordt uitgesteld vanwege het risico op schending van het beginsel van non-refoulement. In dit geval gaat het om precies zo’n terugkeerbesluit en de vraag is dus of dat Unierechtelijk wel op deze manier kan.
19. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat het bezwaar redelijke kans van slagen heeft.
Belangenafweging
20. Het bezwaar heeft dus redelijke kans van slagen heeft en door toewijzing van de gevraagde voorziening worden geen onomkeerbare gevolgen in het leven geroepen – het gaat er verzoeker immers alleen om dat hij hangende bezwaar en eventueel beroep mag blijven werken zodat er voor het gezin genoeg inkomen is. Verder is uit de stukken en op de zitting naar voren gekomen dat de echtgenote en de anderhalf jaar oude zoon van verzoeker kwetsbare personen zijn en verzoeker in hun leven een belangrijke rol vervult. Als het inkomen van verzoeker wegvalt, dreigt financiële nood. Onder al deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangen van verzoeker zwaarder moeten wegen dan die van de minister.
Conclusie en gevolgen
21. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe in die zin dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover daarbij is bepaald dat verzoeker niet meer mag werken tijdens zijn bewaarprocedure, worden opgeschort tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist.
22. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet de minister het griffierecht en de proceskosten aan verzoeker vergoeden. De voorzieningenrechter stelt de proceskostenvergoeding op grond van het Bpb door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op een bedrag van € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover daarbij is bepaald dat verzoeker niet meer mag werken tijdens zijn bewaarprocedure, worden opgeschort tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.