ECLI:NL:RBDHA:2026:3076

ECLI:NL:RBDHA:2026:3076

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 17-02-2026
Datum publicatie 17-02-2026
Zaaknummer NL25.53280
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Asiel, gegrond. De rechtbank oordeelt dat de minister aanleiding had moeten zien om eiser alsnog een medisch advies aan te bieden. Uit meerdere verklaringen van eiser volgt naar het oordeel van de rechtbank evident dat eiser psychisch onder druk staat. Hoewel dit op zichzelf onvoldoende is voor bovenstaand oordeel, is voor de rechtbank doorslaggevend dat de hoormedewerker tijdens het nader gehoor vraagt of eiser onder invloed is en vervolgens opmerkt dat eiser afwezig lijkt. Dat eiser op bepaalde momenten vragen wel logisch en coherent heeft kunnen beantwoorden, doet hier niet aan af. Dat eiser, zoals ter zitting door de minister betoogd, ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van medische problematiek, is niet relevant: eiser stelt terecht dat de minister in gevallen als de onderhavige, ook een eigen verantwoordelijkheid heeft om de conclusie te trekken dat vooreerst een medisch onderzoek naar de geestestoestand van eiser noodzakelijk was.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [v-nummer], eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.53280

(gemachtigde: mr. H.A. Koning),

en

(gemachtigde: mr. I. van Es).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 17 september 2025 opnieuw een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 27 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Daarbij heeft eiser verzocht om een voorlopige voorziening. Deze staat geregistreerd onder NL25.53281 en hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.

De rechtbank heeft het beroep op 9 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag de Algerijnse nationaliteit te hebben en tot de bevolkingsgroep Berbers te behoren. Eiser heeft verklaard dat hij in Algerije op straat leefde en daarom is vertrokken naar Spanje. Eiser heeft verklaard dat hij uiteindelijk in Nederland asiel heeft aangevraagd vanwege zijn medische problematiek.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister het volgende asielmotief:

1. Identiteit, nationaliteit en herkomst.

Volgens de minister zijn de problemen met eisers familie, evenals het leven op straat geen asielmotief. Ook de medische problemen worden niet aangemerkt als asielmotief. De minister stelt zich over de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser op het standpunt dat deze geloofwaardig zijn. Dat eiser uit Algerije komt is op zichzelf niet genoeg om een vluchteling te zijn of om een risico op ernstige schade aan te nemen. Eiser krijgt daarom geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw.

Had de minister in de verklaringen van eiser aanleiding moeten zien te concluderen dat een medisch onderzoek naar de geestestoestand van eiser noodzakelijk was?

5. Eiser stelt dat de minister er in het besluit aan voorbij gaat dat de minister in gevallen als de onderhavige, ook een eigen verantwoordelijkheid heeft en dienaangaande ook de verplichting heeft - ongevraagd en op eigen initiatief - de conclusie te trekken dat vooreerst een medisch onderzoek naar de geestestoestand van eiser noodzakelijk was. Gezien de vele aanknopingspunten in de verklaringen van eiser had de minister moeten inzien dat er wellicht sprake was van ernstige psychische klachten c.q. een psychische ziekte en had het gehoor moeten worden afgebroken. De belangen van eiser zijn door dit niet te doen, evident in ernstige mate geschaad.

Het criterium in deze is dat de beoordeling of een vreemdeling ‘passende steun’ nodig heeft zich niet beperkt tot één moment, maar dat een IND-medewerker hier gedurende de hele asielprocedure alert op moet zijn. Of een vreemdeling passende steun nodig heeft, kan worden vastgesteld aan de hand van onder meer eigen waarnemingen tijdens of rondom gehoren, verklaringen en/of gedragingen van de vreemdeling, een medisch advies of signalen van partners in het asielproces, zoals de gemachtigde van de vreemdeling. De wijze waarop aan dit begrip invulling wordt gegeven is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval en een kwestie van maatwerk.

Voor de minister waren er dusdanig veel aanwijzingen dat rekening moest worden gehouden met ernstige psychische klachten bij een kennelijk kwetsbaar persoon. Dit blijkt ook uit de geciteerde gedeelten van het gehoor zoals aan de orde gesteld in de zienswijze van 24 oktober 2025. Op grond hiervan brengt de algemene zorgvuldigheidsnorm met zich mee dat de minister het besluit en de verantwoordelijkheid om verder te gaan met het gerhoor niet enkel of in grote mate bij eiser kan laten liggen, doch dit op enig moment aan zich dient te trekken op eigen initiatief. Dit is kennelijk niet gebeurd.

De minister overweegt dat bij de start van het nader gehoor uitgebreid is stilgestaan door de hoormedewerker bij eisers fysieke en mentale gesteldheid. Er is eiser meerdere keren gevraagd of hij gehoord kon en wilde worden. Aan eiser is gevraagd hoe hij geholpen kon worden tijdens het gehoor en of de hoormedewerker iets voor hem kon doen hierin. Vervolgens is er aan eiser aangeboden dat een verpleegkundige naar hem zou kijken om te beoordelen of hij gehoord kon worden op dat moment, maar dit wilde hij zelf niet. Eiser heeft aangegeven dat hij gehoord kon worden. Na de pauze is er aan hem gevraagd hoe het met hem ging, waarop hij heeft geantwoord: “Goed”. Tot slot heeft eiser aan het eind van het nader gehoor aangegeven dat hij het goed vond gaan. Concluderend is er kenbaar rekening gehouden met eiser tijdens het nader gehoor. Bovendien is eiser voor de start van zijn procedure medegedeeld dat hem de rust- en voorbereidingstermijn wordt onthouden. Eiser heeft dit met zijn advocaat kunnen bespreken maar niet laten weten dat hij wel graag gebruik zou willen maken van het medisch onderzoek. Niet valt in te zien dat eiser hier pas na het nader gehoor een beroep op heeft gedaan. Ook heeft eiser zijn geestestoestand niet onderbouwd met medische documenten.

De rechtbank overweegt dat uit Werkinstructie WI 2024/9 volgt dat – in zaken waarin geen rust- en voorbereidingstijd wordt gegeven - de IND alsnog kan besluiten een medisch advies aan te bieden wanneer uit het aanmeldgehoor of uit andere relevante informatie blijkt dat sprake is van dusdanige (medische) problematiek dat een medisch advies noodzakelijk wordt geacht voordat het nader gehoor plaatsvindt. Uit die werkinstructie volgt ook dat indien tijdens het nader gehoor blijkt van ernstige (psychische) problemen die mogelijk interfereren met het vermogen het asielverhaal volledig te kunnen verklaren, de IND-medewerker alsnog tot de conclusie kan komen dat het niet wenselijk is om het gehoor voort te zetten, omdat het gehoor naar zijn eigen inschatting op dat moment niet zorgvuldig genoeg kan plaatsvinden.

De rechtbank oordeelt dat de minister aanleiding had moeten zien om eiser alsnog een medisch advies aan te bieden. Uit meerdere verklaringen van eiser volgt naar het oordeel van de rechtbank evident dat eiser psychisch onder druk staat. Hoewel dit op zichzelf onvoldoende is voor bovenstaand oordeel, is voor de rechtbank doorslaggevend dat de hoormedewerker tijdens het nader gehoor vraagt of eiser onder invloed is en vervolgens opmerkt dat eiser afwezig lijkt. Hierin ligt besloten dat het gedrag en de verklaringen van eiser niet aansluiten op de vragen van de hoormedewerker en in het verlengde daarvan dat eiser mogelijk beperkt is in zijn vermogen om zijn asielrelaas volledig te kunnen verklaren. Dat eiser is aangeboden om een verpleegkundige naar hem te laten kijken of dat eiser op bepaalde momenten vragen wel logisch en coherent heeft kunnen beantwoorden, doet hier niet aan af. Het kunnen beantwoorden van die vragen is onvoldoende voor de conclusie dat eiser daarom zijn relaas deugdelijk naar voren heeft kunnen brengen, nog daargelaten dat er onnavolgbare verklaringen en opmerkingen naar voren komen in het gehele relaas. Dat eiser, zoals ter zitting door de minister betoogd, ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van medische problematiek, is niet relevant: eiser stelt terecht dat de minister in gevallen als de onderhavige, ook een eigen verantwoordelijkheid heeft om de conclusie te trekken dat vooreerst een medisch onderzoek naar de geestestoestand van eiser noodzakelijk was. Die lat is gezien de aard van de verklaringen van eiser gehaald, waarbij de rechtbank zich gesteund voelt door en doorslaggevende waarde toekent aan de aangehaalde vraag en opmerking van de hoormedewerker.

6. Deze beroepsgrond slaagt. De minister heeft de besluitvorming niet kunnen baseren op het nader gehoor.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten van eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.G.D. Overmars

Griffier

  • mr. D.G. van den Berg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?