ECLI:NL:RBDHA:2026:30761

ECLI:NL:RBDHA:2026:30761

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 16-10-2026
Datum publicatie 19-10-2026
Zaaknummer NL26.60028
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Vervolgberoep artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Kennisgeving. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Marokko bestaat en dat de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt. Ten aanzien van de regularisatieaanvraag verwijst de rechtbank naar hetgeen is geoordeeld in de eerdere uitspraak van 3 augustus 2026. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister).

Samenvatting

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.60028

(gemachtigde: mr. J.S. Jordan),

en

1. Deze uitspraak gaat over het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met het voortduren van de vreemdelingenbewaring. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 19 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Bij uitspraak van 3 augustus 2026 heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen dat besluit ongegrond verklaard.

De minister heeft een kennisgeving voortduren vreemdelingenbewaring aan de rechtbank gezonden. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Beoordeling door de rechtbank

3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

4. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van vreemdelingenbewaring al eerder heeft getoetst. Op het eerste beroep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 3 juli 2026. Op het eerste vervolgberoep heeft de rechtbank beslist op 3 augustus 2026. Uit die laatste uitspraak volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

5. Eiser voert, kort samengevat, aan dat de voortduring van de bewaring onevenredig is geworden gelet op de duur daarvan. Verder ontbreekt volgens eiser het zicht op uitzetting en handelt de minister onvoldoende voortvarend aan zijn uitzetting. Tot slot dient de belangenafweging in het voordeel van eiser uit te vallen in verband met zijn regularisatieaanvraag in Spanje. Als gevolg van de bewaring kon eiser niet naar de afspraak van 17 augustus 2026.

De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Marokko bestaat en dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Daarbij betrekt zij het volgende. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt. Verder blijkt uit het verslag van het vertrekgesprek van 30 september 2026 dat de afgifte van een laissez-passer is toegezegd. Uit het verslag van het vertrekgesprek van 6 oktober 2026 volgt dat een vlucht voor eiser is aangevraagd en uit het verslag van het vertrekgesprek van 13 oktober 2026 volgt dat de vlucht naar Marokko staat gepland voor 17 oktober 2026. Dat deze informatie niet in de voortgangsrapportage staat, doet hier niet aan af. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan hetgeen tijdens de vertrekgesprekken met eiser is besproken. Voor zover eiser betoogt dat de bewaring onevenredig is geworden omdat hij al 117 dagen in bewaring zit, merkt de rechtbank op dat (ook) op eiser een verplichting rust om actief en volledig mee te werken aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit. Niet is gebleken dat eiser inspanningen heeft verricht om aan documenten te komen die de afgifte van een laissez-passer hadden kunnen bevorderen. Ten aanzien van de voortvarendheid is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend heeft gewerkt aan eisers uitzetting. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de minister sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure op 5 augustus 2026 telefonisch heeft gerappelleerd en op 20 augustus 2026, 8 september 2026 en 30 september 2026 schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Daarnaast zijn er op 17 augustus 2026, 14 september 2026, 30 september 2026, 6 oktober 2026 en 13 oktober 2026 vertrekgesprekken gevoerd met eiser. Gelet op het voorgaande bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat er in het geval van eiser geen zicht op uitzetting bestaat of dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser.

6. Ten aanzien van de regularisatieaanvraag in Spanje verwijst de rechtbank naar hetgeen is geoordeeld in de eerdere uitspraak van 3 augustus 2026.

7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank ook ambtshalve geen reden om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

8. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.B. de Boer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand