RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], eiseres
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.9520
(gemachtigde: mr. H.J. Janse),
en
(gemachtigde: mr. B.H. Wezeman).
1. Deze uitspraak gaat over de ingangsdatum van de aan eiseres verleende verblijfsvergunning, nadat haar opvolgende asielaanvraag door de minister was ingewilligd. Daarnaast gaat deze uitspraak over de afwijzing van het verzoek van eiseres tot bestuurlijke heroverweging van een besluit van de minister van 21 november 2019. Eiseres is het met beide besluiten niet eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de besluiten.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eiseres krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft eerder, op 12 december 2018, een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Daaraan heeft zij ten grondslag gelegd dat zij homoseksueel is en als gevolg daarvan problemen heeft ervaren in Tanzania. Bij besluit van 21 november 2019 heeft de minister deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. De minister heeft de homoseksuele gerichtheid van eiseres niet geloofwaardig geacht, omdat zij daarover vage en summiere verklaringen had afgelegd. Bij de beoordeling zijn onder meer foto’s van de gestelde relatie met Jasinta en de deelname aan COC-bijeenkomsten betrokken, net als een verklaring van het COC en een kopie van een arrestatiebevel. Het door eiseres ingestelde beroep tegen het besluit van 21 november 2019 is bij uitspraak van 16 januari 2020 door deze rechtbank niet ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft geen hoger beroep ingesteld. Daarmee staat het besluit van 21 november 2019 in rechte vast.
Eiseres heeft op 4 december 2020 een opvolgende asielaanvraag ingediend, die door de minister bij besluit van 30 december 2020 buiten behandeling is gesteld. Eiseres heeft hiertegen geen rechtsmiddelen aangewend.
Vervolgens heeft eiseres op 20 maat 2024 onderhavige opvolgende asielaanvraag ingediend. Daaraan heeft zij opnieuw ten grondslag gelegd dat zij homoseksueel is en als gevolg daarvan problemen heeft ervaren in Tanzania. Ter ondersteuning hiervan heeft eiseres onder meer een rapportage van maart 2024 van GZ psycholoog drs. P.A. Poolman overgelegd waaruit blijkt dat eiseres ernstig getraumatiseerd is en lijdt aan meervoudige PTSS. Er is volgens Poolman geen sprake van simulatie en vanuit de diagnostiek kunnen geen consistente, coherente verklaringen van eiseres worden veracht. Ook zijn opnieuw documenten overgelegd waaruit blijkt dat eiseres in Tanzania wordt vervolgd vanwege haar seksuele geaardheid.
Bij besluit van 23 januari 2026 heeft de minister de aanvraag ingewilligd en eiseres een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend, geldig vanaf 20 maart 2024.
Bij de opvolgende aanvraag van 20 maart 2024 heeft eiseres tevens een verzoek heroverweging gedaan. Dat verzoek ziet op het besluit van 21 november 2019. Eiseres heeft zich reeds in de vorige procedure beroepen op haar homoseksuele geaardheid maar die is toen niet geloofwaardig geacht. Haar seksuele gerichtheid wordt nu wel door de minister geloofwaardig bevonden. Dat kan alleen omdat zij ten tijde van de indiening van haar eerste asielaanvraag al homoseksueel was. Daarom dient de minister eiseres een vergunning te verlenen met ingang van 12 december 2018, zijnde de datum van de eerste asielaanvraag.
Bij genoemd besluit van 23 januari 2026 heeft de minister het verzoek om heroverweging afgewezen omdat het huidige inwilligende besluit is gebaseerd op informatie die door eiseres voor het eerst is ingebracht bij de opvolgende aanvraag van 20 maart 2024. Eiseres heeft niet aangetoond dat zij deze informatie niet eerder kon inbrengen. Dit betekent volgens de minister dat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit van 23 januari 2026. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Standpunten van partijen3. Eiseres stelt dat de ingangsdatum van de aan haar verleende verblijfsvergunning onjuist is en het verzoek om heroverweging ten onrechte is afgewezen. Bij de opvolgende aanvraag is medische informatie overgelegd die nieuw is, maar niet als nieuw gebleken feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb is aangemerkt. Eiseres stelt verder dat zij met de rapportage van drs. Poolman de tegenwerping in de eerste procedure, dat zij toerekenbaar tekortschietende verklaringen had afgelegd, heeft weerlegd. Bovendien zien de documenten waaruit blijkt dat zij in Tanzania wordt vervolgd vanwege haar seksuele geaardheid op een periode die voorafging aan het moment van het besluit in de eerste asielprocedure. De minister heeft het verzoek om heroverweging daarom ten onrechte afgewezen.
De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat eiseres geen procesbelang heeft. Met de inwerkingtreding van de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 op 12 juni 2026 verleent de minister verblijfvergunningen asiel met als ingangsdatum de dag na de bekendmaking van het inwilligend besluit. Dit volgt uit artikel 44, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De wetgever heeft aan deze wettelijke bepaling onmiddellijke werking verleend. De onmiddellijke werking is in overeenstemming met het hogere recht. Ook de Kwalificatieverordening zelf, welke ziet op de verlening van verblijfstitels, heeft immers onmiddellijke werking. In dit verband wijst verweerder, onder verwijzing naar de conclusie van de Advocaat-Generaal van 6 maart 2025, er tevens op dat de tot 12 juni 2026 bestaande praktijk om de verblijfsvergunning asiel te verlenen met als ingangsdatum de datum waarop de aanvraag is ingediend, dient te worden aangemerkt als (nationale) gunstiger norm in de zin van artikel 5 van de Kwalificatierichtlijn. De met ingang van 12 juni 2026 toepasselijke Kwalificatieverordening heeft onmiddellijke werking en kent geen overeenkomstige bepaling die het lidstaten toestaat gunstiger normen vast te stellen of te handhaven. Hetgeen eiseres wenst te bereiken, namelijk een eerdere ingangsdatum van haar verblijfsvergunning, niet (meer) kan worden bereikt met het door haar ingestelde beroep.
Beoordeling door de rechtbank 4.In deze zaak gaat het om de ingangsdatum van de verblijfsvergunning op basis van bewijs van feiten die zich volgens eiseres al voordeden toen zij haar eerste asielaanvraag indiende. Gelet hierop oordeelt de rechtbank allereerst dat, anders dan de minister stelt, niet vaststaat dat eiseres geen procesbelang (meer) heeft. De rechtbank wijst erop dat in z’n algemeenheid geldt dat het belang van de vreemdeling ermee is gediend dat de minister de asielvergunning laat ingaan op de datum waarop de vreemdeling aan de vereisten voor vergunningverlening voldoet. Daarnaast kan een belang bijvoorbeeld ook zijn gelegen in een (mogelijke) aanspraak op een verblijfsvergunning wegens langdurig ingezetenschap. Voor de bepaling van de duur van de periode van duurzaam verblijf kan het verblijf op basis van een (asiel)vergunning relevant zijn en daarmee ook de ingangsdatum van een dergelijke vergunning.
Vervolgens oordeelt de rechtbank dat nadrukkelijk twee verschillende procedures dienen te worden onderscheiden. Allereerst is er de aanvraagprocedure. Hiervoor geldt, zoals door de minister is aangegeven, dat met ingang van 12 juni 2026 door hem niet langer verblijfsvergunningen worden verleend met ingang van de datum van aanvraag, maar met ingang van de dag na bekendmaking van het inwilligende besluit. Daarnaast is er de procedure waarin een verzoek om bestuurlijke heroverweging wordt behandeld. Anders dan de minister betoogt, kan een verzoek om bestuurlijke heroverweging ook leiden tot het verlenen van een verblijfsvergunning met een ingangsdatum vóór de datum van dat verzoek. Ook later bekend geworden informatie waaruit volgt dat een vreemdeling al eerder voldeed aan de vereisten voor verlening van een verblijfsvergunning kan ertoe leiden dat de minister van een eerder besluit moet terugkomen. Artikel 44, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 staat bij een besluit op een verzoek om bestuurlijke heroverweging niet in de weg aan het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met een eerdere ingangsdatum dan de datum van het verzoek om bestuurlijke heroverweging. Dat is met de inwerkingtreding van de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 ongewijzigd gebleven.
De minister moet bij een verzoek om bestuurlijke heroverweging de ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunning afstemmen op de datum waarop de vreemdeling aan alle vereisten voldoet. De erkenning van een vluchtelingenstatus is declaratoir van aard. Dat eiseres bij haar eerste asielaanvraag vage en summiere verklaringen heeft afgelegd over haar geaardheid laat onverlet dat zij op een later moment aannemelijk kan maken dat ze ten tijde van de eerste aanvraag wel degelijk voldeed aan de vereisten voor erkenning als vluchteling en daarmee ook aan de vereisten voor verlening van een verblijfsvergunning asiel. Aldus moet de minister de als nieuw aangedragen feiten en omstandigheden beoordelen in samenhang (procedure overstijgend) met wat de vreemdeling in de voorgaande procedure over de gestelde geaardheid heeft aangevoerd.
In de toelichting op artikel 4:6 van de Awb staat ten aanzien van nieuw gebleken feiten het volgende weergegeven: van nieuw gebleken feiten of omstandigheden is sprake als deze feiten en omstandigheden na het eerdere besluit zijn voorgevallen of niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede als het gaat om bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd.
In de eerste asielprocedure is in de uitspraak van 16 januari 2020 door deze rechtbank geoordeeld dat de minister de seksuele geaardheid van eiseres niet geloofwaardig heeft mogen achten, omdat de verklaringen van eiseres omtrent haar geaardheid vaag en summier waren. Eiseres heeft bij het verzoek om heroverweging aangegeven dat de vaagheden in haar verklaringen in de eerdere procedure werden veroorzaakt door ernstige trauma’s en meervoudige PTSS. Een onderbouwing hiervan ziet de rechtbank in het door eiseres overgelegd rapport van drs. Poolman van 2 maart 2024.
Het vorenstaande maakt naar het oordeel van de rechtbank dat, anders dan de minister heeft overwogen, de verklaringen van eiseres in het gehoor opvolgende aanvraag, de rapportage en de overgelegde stukken aangemerkt moeten worden als een onderbouwing van feiten en omstandigheden die al ten tijde van de eerste procedure speelden. Dit betekent dat de minister ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb door te stellen dat geen sprake is van een nieuw gebleken feit of omstandigheid. De minister dient alsnog de afwijzing van de eerste asielaanvraag inhoudelijk te heroverwegen. Daarbij dient de minister ook te onderzoeken of eiseres reeds vanaf 12 december 2018 voldeed aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning en of eiseres gelet op haar persoonlijke omstandigheden de bedoelde onderbouwing niet vóór het eerdere besluit kon en daarom ook niet behoorde aan te voeren.
Conclusie en gevolgen
5. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en wordt het bestreden besluit vernietigd.
6. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt de kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.