ECLI:NL:RBDHA:2026:30768

ECLI:NL:RBDHA:2026:30768

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 07-10-2026
Datum publicatie 19-10-2026
Zaaknummer NL26.24510
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Eerdere confrontatie met wandaden; artikel 15c Kwalificatierichtlijn; Syrie; Rif-Damascus; niveau van willkeurig geweld; humanitaire omstandigheden

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [x] , eiser

de minister van Asiel en Migratie

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.24510

(gemachtigde: mr. M.J. Verwers)

en

(gemachtigde: mr. M. Weerman).

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit tot afwijzing van zijn asielaanvraag. Volgens de minister kan eiser terugkeren naar de provincie Rif-Damascus in Syrië. Eiser is het niet eens met dit besluit.

De rechtbank gaat in deze uitspraak voor het eerst in op de vraag of de minister in het gewijzigde landgebonden asielbeleid voor Syrië voor de provincie Rif-Damascus terecht een relatief lager niveau van willekeurig geweld heeft aangenomen.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel de minister terecht tot de conclusie komt dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning vanwege eerdere confrontatie met wandaden. Verder heeft de minister voor de provincie Rif-Damascus terecht een relatief lager niveau van willekeurig geweld, zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, aangenomen. De minister heeft echter onvoldoende gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige situatie vanwege de humanitaire situatie in Syrië, los van het gewapend conflict. Omdat in beroep is gebleken dat de aanvraag terecht is afgewezen, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand. .

De rechtbank zet hierna eerst het procesverloop (2), asielrelaas (4) en bestreden besluit uiteen (5). Daarna verduidelijkt de rechtbank het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas (6). Vervolgens gaat de rechtbank in op de vraag of eiser terecht niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning vanwege eerdere confrontatie met wandaden in Syrië (7). Daarna gaat de rechtbank in op de vraag of de minister voor wat betreft de provincie Rif-Damascus terecht niet een hogere gradatie van willekeurig heeft geweld aangenomen (8-12). In dat verband komt ook de volledigheid van het beleid aan de orde. Vervolgens bespreekt de rechtbank of de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat, ook los van de context van het gewapende conflict, in de zeer slechte humanitaire situatie zoals die op dit moment in Syrië is, geen reden is gelegen om aan te nemen dat eisers terugkeer naar Syrië leidt tot een met artikel 3 van het EVRM strijdige situatie (13). Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan (14).

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 23 april 2026 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en heeft op 7 mei, 3 juli en 9 juli 2026 aanvullende gronden ingediend. De minister heeft op 11 juli 2026 een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

3. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.

Het asielrelaas

4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is eind 2012 uit Syrië vertrokken en heeft vervolgens tot 2023 in Libanon verbleven. De directe aanleiding voor eisers vertrek uit Syrië was zijn deelname aan demonstraties tijdens de opstand tegen het voormalige regime van Bashar al-Assad begin 2012. Daarbij werd door de autoriteiten hardhandig opgetreden en op demonstranten geschoten. Eiser is twee keer door een kogel in zijn been geraakt. Bij terugkeer vreest eiser problemen als hij zich moet melden bij de inlichtingen- en veiligheidsdienst. Bij de paspoortaanvraag die zijn zus namens hem in 2023 heeft ingediend, bleek dat eiser zich moet melden bij drie verschillende afdelingen van de inlichtingendienst vanwege het niet vervullen van de reservistendienst en zijn deelname aan demonstraties in 2012. Eiser stelt dat veel leden van het voormalige regime deel uitmaken van de huidige autoriteiten en dat zij bepaalde veiligheidsapparaten nog in handen hebben. Ook vreest eiser vanwege de algemene veiligheidssituatie in Syrië, de provincie Rif-Damascus in het bijzonder, en voor de humanitaire situatie waarin hij terecht zal komen.

Het bestreden besluit

5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de asielmotieven 1) identiteit, nationaliteit en herkomst en 2) problemen vanwege deelname aan demonstraties. De minister hecht geloof aan de verklaringen van eiser over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst. De verklaringen van eiser over problemen vanwege deelname aan demonstraties acht de minister niet geloofwaardig. Het wel geloofwaardig geachte asielmotief leidt de minister niet tot de conclusie dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft bij terugkeer naar Syrië en evenmin dat eiser daar een reëel risico loopt op ernstige schade. Niet iedere aanwezige in Syrië, en specifiek in Rif-Damascus, loopt een reëel risico op ernstige schade omdat daar sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld als gevolg van een gewapend conflict. Van individuele omstandigheden waardoor eiser een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van dat relatief lagere niveau van willekeurig geweld, waarvan sprake moet zijn wil een reëel risico op ernstige schade in dit verband aangenomen worden, is niet gebleken. Eiser komt verder niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning vanwege eerdere confrontatie met wandaden, als bedoeld in paragraaf C2/3.3.2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) omdat eiser niet voldoet aan de cumulatieve voorwaarden van dat beleid. Daarom wordt aan eiser geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). De minister wijst de asielaanvraag af als ongegrond.

Verduidelijking van het geloofwaardigheidsstandpunt van de minister

6. De minister acht de verklaringen van eiser over zijn problemen vanwege deelname aan demonstraties niet geloofwaardig omdat eiser deze verklaringen niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen en er geen aanleiding bestaat om dit asielmotief alsnog geloofwaardig te achten omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarde dat zijn verklaringen een samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Aan dat standpunt legt de minister in het bestreden besluit ten grondslag dat eisers deelname aan demonstraties plaatsvond in 2012, de gestelde problemen, die erin zijn gelegen dat zijn zus in 2023 heeft vernomen dat eiser zich moet melden bij de autoriteiten, niet zien op de huidige situatie en eisers gestelde problemen zijn gebaseerd op vermoedens. Op verzoek van de rechtbank heeft de minister dit standpunt op de zitting verduidelijkt. De rechtbank stelt vast dat de minister geloof hecht aan de verklaringen van eiser dat hij in 2012 heeft deelgenomen aan demonstraties, daarbij is beschoten door de politie en als gevolg daarvan naar Libanon is vertrokken, en in die zin uitgaat van de verklaringen van eiser over wat hem in Syrië is overkomen. De minister volgt eiser er niet in dat hij als gevolg daarvan bij terugkeer naar Syrië problemen heeft te verwachten. De reden daarvoor is gelegen in de regimewisseling die in 2024 in Syrië heeft plaatsgevonden. Niet valt volgens de minister in te zien dat eiser bij terugkeer, vanwege dat wat hem eerder is overkomen, problemen heeft te verwachten van de zijde van de huidige interim-regering die in Syrië aan de macht is. Dat standpunt kan de rechtbank volgen en heeft eiser ook niet betwist.

Eerdere confrontatie met wandaden

7. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning vanwege eerdere confrontatie met wandaden, zoals bedoeld in paragraaf C2/3.3.2.2 van de Vc 2000. Daartoe overweegt de minister dat eiser niet voldoet aan de cumulatieve voorwaarden van het beleid omdat geen sprake is van een situatie waarbij de daders van de gebeurtenissen waarmee eiser is geconfronteerd niet worden bestraft. De traumatische gebeurtenissen die eiser heeft ondervonden zijn gepleegd door het voormalige regime van al-Assad. Uit openbare informatie blijkt dat de Syrische interim-regering personen die ernstige misdaden hebben gepleegd gedurende de Syrische burgeroorlog actief voor het gerecht brengt. De minister noemt in dit verband de oprichting van de National Commission for Transitional Justice.

Eiser betoogt dat de minister ten onrechte en zonder deugdelijke motivering tot de conclusie komt dat hij op grond van dat wat hij in Syrië heeft meegemaakt, niet voor vergunningverlening in aanmerking komt. Eiser constateert dat wordt voldaan aan de voorwaarden uit het beleid dat sprake is van traumatische gebeurtenissen in het land van herkomst en het bestaan van een causaal verband tussen de traumatische gebeurtenis en het vertrek uit het land van herkomst. De minister neemt volgens eiser ten onrechte het standpunt in dat aan de voorwaarde dat de traumatische gebeurtenis is veroorzaakt door daders die ongestraft blijven, niet wordt voldaan. De minister heeft daarbij volgens eiser miskend dat sprake is van straffeloosheid van daders. In het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Syrië (ambtsbericht) van mei 2025 staat dat stappen van de overgangsregering op het gebied van overgangsjustitie (‘transitional justice’) uitbleven. Daarbij wordt gedoeld op berechting van misdaden die onder het regime van al-Assad zijn begaan. Ook uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt volgens eiser niet dan wel onvoldoende dat daders van destijds worden bestraft. Eiser wijst ter onderbouwing van zijn betoog op dit punt ook op informatie van VluchtelingenWerk Nederland (VWN) van 30 juni 2026 waarin aan de hand van verschillende bronnen wordt ingegaan op (het uitblijven van) daadwerkelijke vervolging in Syrië van mensenrechtenschenders uit het regime van al-Assad, na de val van dat regime, en de effectiviteit daarvan.

Uit paragraaf C2/3.3.2.2. van de Vc 2000 volgt, samengevat weergegeven en voor zover van belang, dat een vreemdeling die in het verleden is geconfronteerd met traumatische gebeurtenissen in zijn directe omgeving en zich op grond van psychologische problematiek als gevolg van de wandaden in een positie bevindt dat hij niet terug kan keren naar zijn land van herkomst, door de IND onder de daar gestelde voorwaarden in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. De vreemdeling moet aan alle voorwaarden voldoen om in aanmerking te komen voor die verblijfsvergunning. Het moet gaan om de in het beleid limitatief opgesomde daden die zijn veroorzaakt door de in het beleid genoemde actoren. Ook moet bestraffing van de daders van de gebeurtenis waarmee de vreemdeling is geconfronteerd in het land van herkomst uitblijven. De IND onderzoekt of plegers van de wandaden in het algemeen worden bestraft in het land van herkomst. Voor de beoordeling van dit criterium wordt verwezen naar artikel 3.37c van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000). De vreemdeling moet aannemelijk maken dat sprake is geweest van een traumatische gebeurtenis en dat die traumatische gebeurtenis in relatie tot de feitelijke situatie in het land van herkomst reden is geweest voor vertrek uit het land van herkomst.

In artikel 3.37c, eerste lid, van het VV 2000 is bepaald dat bescherming tegen vervolging dan wel ernstige schade alleen kan worden geboden door de staat, of partijen of organisaties, met inbegrip van internationale organisaties, die de staat of een aanzienlijk deel van het grondgebied beheersen, mits zij bereid en in staat zijn bescherming te bieden overeenkomstig het tweede lid. In het tweede lid is bepaald dat bescherming tegen vervolging of ernstige schade doeltreffend en van niet-tijdelijke aard moet zijn. In het algemeen wordt dergelijke bescherming geboden wanneer de actoren als bedoeld in het eerste lid redelijke maatregelen tot voorkoming van vervolging of ernstige schade treffen, onder andere door de instelling van een doeltreffend juridisch systeem voor de opsporing, gerechtelijke vervolging en bestraffing van handelingen die vervolging of ernstige schade vormen, en wanneer sprake is van toegang tot dergelijke bescherming.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Hoewel het de rechtbank niet duidelijk is geworden dat bij eiser sprake is van psychische problematiek, en het daarom de vraag is of dit beleid wel van toepassing kan zijn op eiser, stelt de rechtbank vast dat de minister eiser alleen tegenwerpt dat hij niet voldoet aan de voorwaarde uit het beleid dat de daders van de gebeurtenissen waarmee eiser in Syrië is geconfronteerd, daar niet voor worden bestraft. Naar het oordeel van de rechtbank werpt de minister eiser dit terecht en voldoende gemotiveerd tegen. Uit algemene landeninformatie waar partijen zich op beroepen volgt dat de Syrische interim-regering uitdagingen ervaart en sprake is van trage voortgang waar het gaat om overgangsjustitie. Daaruit volgt echter ook dat de Syrische interim-regering zich actief inspant om in het algemeen (hoger geplaatste) personen die onder het voormalige regime van al-Assad gedurende de Syrische burgeroorlog misdaden en mensenrechtenschendingen hebben gepleegd te arresteren, vervolgen en veroordelen en daarin eerste stappen heeft gezet om gerechtigheid en verantwoording voor in het verleden gepleegde misdaden te bevorderen. De rechtbank wijst in dit verband onder andere op het oprichten van de National Commission for Transitional Justice, die tot taak heeft om misdrijven gepleegd door het vorige regime te onderzoeken, de voorbereiding van een wetsontwerp voor overgangsjustitie en de arrestatie en detentie van en lopende processen tegen voormalige, hooggeplaatste functionarissen wegens mensenrechtenschendingen gepleegd tijdens het al-Assad-tijdperk. Hieruit blijkt dat in het algemeen plegers van wandaden worden bestraft en de rechtbank acht dit, ook gelet op de gegeven situatie van een lange burgeroorlog en de opbouwfase waarin Syrië en het Syrische rechtssysteem zich bevinden, redelijke maatregelen als bedoeld in artikel 3.37c van het VV 2000. Voor zover eiser betoogt dat niet is gebleken dat de personen die tegenover hem wandaden hebben gepleegd daadwerkelijk worden bestraft, maakt dat het oordeel niet anders. Dat is volgens de rechtbank niet het criterium dat hier geldt. Het beleid vereist niet dat de concrete daders van de wandaden waarvan eiser slachtoffer is geworden, daadwerkelijk zijn bestraft, maar dat wordt beoordeeld of plegers van dergelijke wandaden in het algemeen worden bestraft.

Daarbij is het plegen van wandaden door politieagenten tijdens demonstraties iets wat op grote schaal plaatsvond tijdens de Syrische burgeroorlog. Uit de landeninformatie volgt dat de uiteindelijk verantwoordelijke hogere functionarissen daarvoor worden bestraft. Bovendien is niet gebleken dat eiser weet wie de betreffende daders waren noch dat die personen niet worden vervolgd. Niet kan van de minister worden verlangd dat hij concreet onderbouwt dat bestraffing plaatsvindt van de (onbekende) politieagenten die tegenover eiser wandaden hebben gepleegd. Daarbij merkt de rechtbank op dat de strekking van het beleid is om te voorkomen dat eiser bij terugkeer wordt geconfronteerd met de ongestrafte plegers van de wandaden. Nu eiser de agenten niet kent, is dat geen reëel risico.

De mate van willekeurig geweld in Rif-Damascus

8. Eiser heeft geen beroepsgronden gericht tegen het standpunt van de minister over zijn vrees voor gericht geweld. Wel betoogt eiser dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Syrië, specifiek de provincie Rif-Damascus, geen reëel risico loopt op ernstige schade door willekeurig geweld. Hij heeft hiertoe verschillende beroepsgronden aangevoerd die de rechtbank hieronder zal bespreken. Voorafgaand daaraan zal de rechtbank ingaan op het toepasselijke beleid.

9. In artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn is bepaald dat ernstige schade bestaat uit ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

Het beleid van de minister

10. Na de val van het regime van al-Assad heeft de minister met WBV 2025/13 het landgebonden asielbeleid over Syrië gewijzigd. Deze beleidswijziging, gebaseerd op het ambtsbericht van mei 2025, is aangekondigd in de brief van 10 juni 2025. De minister heeft per provincie een 15c-beoordeling verricht en voor geheel Syrië, ook voor de provincie Rif-Damascus, een relatief lager niveau van willekeurig geweld aangenomen. In het beleid zijn humanitaire omstandigheden niet betrokken in de beoordeling. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat daartoe geen noodzaak bestond, omdat deze niet relevant zijn voor de beoordeling van het willekeurige geweld in Syrië. Met WBV 2026/6, gebaseerd op het ambtsbericht van januari 2026, heeft de minister dit beleid voortgezet.

De volledigheid van het beleid

11. Eiser betoogt dat de minister in het beleid onvoldoende kenbaar heeft meegewogen dat de humanitaire omstandigheden in Syrië zeer slecht zijn, deze grotendeels zijn veroorzaakt door de strijdende partijen in de jarenlange burgeroorlog en dat sprake is van de voortzetting van een eerder conflict met deels dezelfde actoren. De huidige humanitaire situatie, veroorzaakt door het handelen van actoren in het verleden, moet volgens eiser worden betrokken bij de bepaling van het niveau van het willekeurige geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Daarbij wijst eiser op de in de zienswijze overgelegde landeninformatie van 4 februari 2026 in de vorm van een brief van VWN over de humanitaire situatie in Syrië. Daarin worden voorbeelden gegeven van handelingen van actoren na de val van het regime al-Assad die een negatieve invloed hebben gehad op de humanitaire situatie in Syrië. Ook is de minister zonder deugdelijke motivering voorbijgegaan aan de inhoud van het ambtsbericht van januari 2026 en de door eiser ingebrachte reactie daarop van VWN. Daar komt nog bij dat ontwikkelingen in de veiligheidssituatie in Syrië van na dit ambtsbericht tot een verslechtering van de humanitaire situatie hebben geleid. Ter nadere onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser ook naar een brief van VWN van 30 juni 2026 met landeninformatie over Rif-Damascus en

uitspraken van andere zittingsplaatsen van deze rechtbank.

In haar uitspraak van 19 mei 2026 heeft deze rechtbank en zittingsplaats overwogen dat humanitaire omstandigheden, ook wanneer zij indirect voortvloeien uit willekeurig geweld, van betekenis kunnen zijn bij de beoordeling op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Vereist is wel dat deze omstandigheden in voldoende rechtstreeks verband staan met dat geweld. Ontbreekt een dergelijk verband of is dit te ver verwijderd geraakt, dan vallen deze omstandigheden buiten het bereik van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Dat geldt ook voor humanitaire omstandigheden die weliswaar zijn veroorzaakt door een actor die eerder partij was bij het conflict, maar die niet langer voldoende samenhangen met het actuele willekeurige geweld. De rechtbank ziet in het betoog van eiser geen grond om hier nu anders over te oordelen. Ook in de omstandigheid dat sommige andere zittingsplaatsen van deze rechtbank anders oordelen over de vraag of, en hoe, de humanitaire situatie in Syrië moet worden betrokken bij het vaststellen van het niveau dat het willekeurig geweld aanneemt, en de zittingsplaats Roermond prejudiciële vragen heeft gesteld over dit onderwerp, en in de algemene landeninformatie waarop eiser zich beroept, ziet de rechtbank geen aanleiding om nu tot een ander oordeel te komen of om de antwoorden op die prejudiciële vragen af te wachten.

De rechtbank heeft in de uitspraak van 19 mei 2026 vervolgens vastgesteld dat de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië, meer in het bijzonder in Damascus, voor zover sprake is van voldoende causaal verband met willekeurig geweld, in overwegende mate het gevolg zijn van het handelen van het al-Assad-regime, dat geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. De minister mocht deze humanitaire omstandigheden daarom buiten beschouwing laten bij het vaststellen van de gradatie van het huidige willekeurige geweld. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor de provincie Rif-Damascus anders is of dat de door hem genoemde humanitaire omstandigheden wél voldoende samenhangen met het huidige willekeurige geweld. Het beleid is in zoverre daarom niet onvolledig. De rechtbank wijst er nog op dat de minister, anders dan eiser lijkt te betogen, onderkent dat in Syrië, en ook in Rif-Damascus, sprake is van een ernstige humanitaire crisis. Dat doet er echter niet aan af dat de minister die humanitaire omstandigheden buiten beschouwing mocht laten bij het vaststellen van de gradatie van het huidige willekeurige geweld. Dat betekent niet dat de huidige humanitaire omstandigheden in Syrië in het geheel niet relevant zijn in het kader van de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Humanitaire omstandigheden die geen verband houden met willekeurig geweld, kunnen wel een rol spelen in de meer algemene beoordeling of uitzetting een reëel risico op blootstelling aan onmenselijke behandeling oplevert. In overwegingen 12-12.2.1 komt dit aan de orde.

De gradatie van het willekeurige geweld in Rif-Damascus

12. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd tot de conclusie komt dat in Syrië, specifiek de provincie Rif-Damascus, geen sprake is van de hoogste mate van willekeurig geweld als gevolg van een gewapend conflict. Aan uitspraken van andere zittingsplaatsen van deze rechtbank waarop eiser zich in dit verband heeft beroepen, inclusief de landeninformatie die daar aan de orde komt, is de minister onvoldoende gemotiveerd voorbijgegaan door enkel op te merken dat hij tegen die uitspraken hoger beroep heeft ingesteld. Zolang deze uitspraken niet zijn vernietigd, moet de minister volgens eiser inhoudelijk op de ingebrachte uitspraken en tot de zijne gemaakte overwegingen ingaan. Ter nadere onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser nog gewezen op de brief van VWN van 30 januari 2026 met landeninformatie over de veiligheid en de humanitaire situatie in specifiek Rif-Damascus en op vier verdere rechtbankuitspraken.

De minister heeft in WBV 2025/13, dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, voor geheel Syrië, dus ook voor de provincie Rif-Damascus, een relatief lager niveau van willekeurig geweld aangenomen. In de toelichting op dat beleid staat dat de minister uit het ambtsbericht van mei 2025 heeft afgeleid dat de algemene situatie in Syrië door de val van het regime van al-Assad redelijk is verbeterd en dat daarom voor geheel Syrië een lager niveau van willekeurig geweld wordt aangenomen. In de bijlage 15c-beoordeling bij de brief van de minister van 10 juni 2025, die aan het beleid ten grondslag ligt, is onder andere een op het ambtsbericht van mei 2025 gebaseerde beschrijving gegeven van de veiligheidssituatie in Rif-Damascus. In de besluitvorming heeft de minister daar nog aan toegevoegd dat hoewel de algemene veiligheidssituatie in Syrië, ook in de provincie Rif-Damascus, fragiel is, de geweldsincidenten en gevechten voornamelijk incidenteel van aard zijn, dat het aantal burgerslachtoffers door willekeurig geweld relatief beperkt is en dat slachtoffers veelal vallen door gericht geweld. Hierbij baseert de minister zich ook op het ambtsbericht van januari 2026. De minister wijst erop dat in het bijzonder in de provincie Rif-Damascus het aantal burgerslachtoffers sinds de machtsovername door Hayat Tahrir al-Sham (HTS) laag is gebleven, afgezet tegen het inwonertal van 5.325.501. Ook als wordt aangenomen dat alle burgerslachtoffers het gevolg zouden zijn van willekeurig geweld, is dat volgens hem een te beperkt aantal om te concluderen dat sprake is van een hoger niveau van willekeurig geweld dan wordt aangenomen. Verder acht de minister van belang dat, hoewel de door HTS geleide overgangsregering nog niet overal haar gezag heeft gevestigd, zij de controle heeft over Rif-Damascus, er in Rif-Damascus in december 2025 37% ontheemden waren op een populatie van 5.325.501 en tussen 27 november 2024 en 11 december 2025 volgens UNHCR circa 107.824 binnenlands ontheemden terugkeerden naar hun voormalige woonplaats in Rif-Damascus. Volgens de minister komt uit het ambtsbericht van januari 2026 geen ander beeld naar voren van de veiligheidssituatie in Rif-Damascus dan uit het ambtsbericht van 2025. Hij wijst erop dat het ambtsbericht van januari 2026 niet heeft geleid tot een wijziging van landenbeleid. In het verweerschrift verwijst de minister nog naar de 15c-bijlage bij de Beslisnota landenbeleid Syrië van januari 2026. De huidige veiligheidssituatie rechtvaardigt dan ook de conclusie dat in Syrië, specifiek in Rif-Damascus, sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld als gevolg van een gewapend conflict, aldus de minister.

Eisers beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, baserend op de ambtsberichten van mei 2025 en van januari 2026, terecht en voldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt stelt dat zich in de provincie Rif-Damascus geen hogere gradatie dan de in het beleid aangenomen relatief lagere gradatie van willekeurig geweld voordeed en voordoet. Hoewel de veiligheidsstructuur kwetsbaar is en sprake is van aanhoudend geweld, blijkt uit de informatie van gezag van de interim-regering, is het geweld hoofdzakelijk gericht van aard, is sprake van een (lichte) afname van het aantal (gewelds)incidenten en de intensiteit van geweld, is het aantal (burger)slachtoffers beperkt en vallen slachtoffers vooral als gevolg van ontplofbare oorlogsresten. Ook worden ontplofbare oorlogsresten actief opgeruimd en keren ontheemden terug naar de provincie. De rechtbank acht daarbij ook de ‘Country Guidance Syria, Comprehensive update’ van het EUAA van december 2025 van belang. Uit dit EUAA-rapport volgt dat in alle provincies van Syrië, dus ook in Rif-Damascus, sprake is van willekeurig geweld, maar niet in hoge mate. De enige uitzondering is Damascus-stad, waar volgens het EUAA-rapport in het geheel geen sprake is van een situatie van willekeurig geweld. Specifiek voor Rif-Damascus wordt in het EUAA-rapport op basis van de onderliggende informatie geconstateerd en geconcludeerd dat ondanks de aanwezigheid van meerdere actoren en een ingewikkelde veiligheidssituatie in de provincie Rif-Damascus, de aantallen veiligheidsincidenten en burgerdoden laag waren, er veelal sprake was van gericht geweld, de meerderheid van de incidenten samenhing met het ontploffen van oorlogsresten en er in grote getale werd teruggekeerd naar de provincie. Dat rechtvaardigt volgens het rapport de conclusie dat de mate van willekeurig geweld in Rif-Damascus niet van een hoog niveau is.

De minister neemt dus terecht niet aan dat de enkele aanwezigheid in de provincie Rif-Damascus al leidt tot een reëel risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld. Wat eiser hiertegen heeft aangevoerd leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De landeninformatie over de veiligheid en humanitaire situatie in Rif-Damascus die eiser heeft overgelegd, in de vorm van de brief van VWN van 30 juni 2026, verschilt niet wezenlijk van de informatie die de minister heeft betrokken bij de totstandkoming van zijn beleid en het bestreden besluit en ziet bovendien hoofdzakelijk op dezelfde verslagperiode als het ambtsbericht van januari 2026 en de EUAA Country Guidance en bevat voor een deel ook dezelfde informatie. Voor zover de door eiser overgelegde landeninformatie ingaat op de veiligheidssituatie in de provincie Rif-Damascus na de verslagperiode van het ambtsbericht van januari 2026, volgt daaruit naar het oordeel van de rechtbank een vergelijkbaar – zo niet positiever – beeld van de situatie dan het beeld dat volgt uit dat ambtsbericht. De door eiser ingeroepen, in voetnoot 8 genoemde, uitspraken van andere zittingsplaatsen zijn voor de rechtbank geen reden om hier anders over te oordelen. De minister heeft in dit verband ook niet nader op deze uitspraken hoeven ingaan. Het artikel uit de Volkskrant van 7 juli 2026 dat eiser heeft overgelegd, met als titel, ‘Dubbele explosie in Damascus nabij hotel waar Macron verbleef’, leidt evenmin tot een ander oordeel, alleen al omdat dat ziet op de stadsprovincie Damascus en niet op de provincie Rif-Damascus waarnaartoe eiser moet terugkeren.

De rechtbank stelt vast dat eiser niet betwist dat geen sprake is van persoonlijke omstandigheden die maken dat juist hij een verhoogd risico zou lopen om slachtoffer te worden van het lagere niveau van willekeurig geweld in de provincie Rif-Damascus.

De humanitaire omstandigheden in Syrië los van het gewapende conflict

13. Ook los van de context van het gewapende conflict, ziet de minister in de zeer slechte humanitaire situatie in Syrië geen reden om aan te nemen dat terugkeer van eiser naar Syrië leidt tot een met artikel 3 van het EVRM strijdige situatie. Van ‘very exceptional cases where the humanitarian ground against removal are compelling’, zoals bedoeld in het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Sufi en Elmi is namelijk niet gebleken. De minister ziet zich in zijn standpunt dat een terugkeer naar Syrië geen reëel risico op ernstige schade oplevert gesterkt door een beslissing van het EHRM van 23 september 2025. Daarbij werd een op 11 augustus 2025 getroffen zogeheten ‘Rule 39’ opgeheven omdat niet werd aangenomen dat de betreffende vreemdeling gezien de huidige algemene veiligheidssituatie in Syrië en de omstandigheden van het geval – gelegen in de aanwezigheid van familie in de regio van herkomst, de jonge leeftijd, de goede gezondheid, de geschiktheid om te werken, de beheersing van de lokale taal en de omstandigheid dat kon worden teruggevallen op een sociaal netwerk bij terugkeer – een reëel risico zou lopen op een onherstelbare schending van zijn rechten zoals gewaarborgd door de artikelen 2 en 3 van het EVRM. Het EHRM vond uitzetting van de betreffende vreemdeling toegestaan.

Eiser betoogt dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt stelt dat een terugkeer naar Syrië vanwege de huidige slechte humanitaire situatie geen met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling oplevert. De minister heeft volgens eiser ten onrechte niet gemotiveerd waarom moet worden aangesloten bij de toets van het arrest Sufi en Elmi waarbij de humanitaire omstandigheden niet worden veroorzaakt door het doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor en van een met artikel 3 van het EVRM strijdige situatie slechts sprake is in het geval van ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’, en niet bij de toets waarbij de humanitaire crisis in overwegende mate is veroorzaakt door de strijdende partijen en gekeken moet worden naar de ‘ability to cater for his most basic needs, such as food, hygiene and shelter, his vulnerability to ill-treatment and the prospect of his situation improving within a reasonable time-frame’. Ook heeft de minister, als van dat criterium moet worden uitgegaan, volgens eiser ten onrechte niet gemotiveerd waarom, gelet op de aangehaalde landeninformatie over de humanitaire situatie in Syrië, niet wordt voldaan aan het criterium dat volgens hem van toepassing is. Hierbij moet de minister ook betrekken dat eiser is getraumatiseerd. Dat het EHRM een getroffen voorlopige voorziening heeft opgeheven acht eiser niet relevant. Het is aan de minister om een individuele beoordeling te maken van de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Dat heeft de minister onvoldoende gedaan. Ook in dit verband wijst eiser op het ambtsbericht van januari 2026 en de reactie daarop van VWN. In aanvulling daarop wijst eiser nog op het jaarrapport 2026 van Human Rights Watch en de uitspraak van zittingsplaats Utrecht van 13 mei 2026.

Deze beroepsgrond slaagt. Uit het arrest Sufi en Elmi volgt dat voor de vraag of uitzetting zal leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM vanwege de slechte humanitaire omstandigheden in een land, onder meer de oorzaken voor die humanitaire omstandigheden van belang zijn. Als die omstandigheden in overwegende mate het gevolg zijn van armoede of de onmacht van de autoriteiten in het land om met natuurlijk optredende omstandigheden om te gaan, is slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden (‘very exceptional cases’), sprake van een schending van artikel 3 van het EVRM. Deze omstandigheden moeten dan overtuigend (‘compelling’) zijn. Hierbij verwijst het EHRM naar het arrest N. tegen het Verenigd Koninkrijk. Wanneer de slechte humanitaire omstandigheden echter in overwegende mate het gevolg zijn van het doelbewust handelen of nalaten van de autoriteiten of niet-statelijke actoren in een land, moet de minister beoordelen of de vreemdeling bij terugkeer in staat zal zijn te voorzien in zijn meest basale levensbehoeften (‘to cater for his most basic needs’), zoals voedsel, hygiëne en onderdak, en moet de minister rekening houden met eventuele kwetsbaarheid voor misbruik en met het zicht op verbetering van de situatie binnen een redelijke termijn. Dit is het criterium zoals gehanteerd in het arrest M.S.S. tegen België. Naar het oordeel van het EHRM was dat laatste criterium in Somalië aan de orde omdat de slechte omstandigheden daar weliswaar deels het gevolg waren van droogte, maar toch vooral van het handelen van partijen in het daar al langlopende conflict. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de hiervoor al genoemde algemene informatie over Syrië, zoals de ambtsberichten en de EUAA-informatie, dat de slechte humanitaire situatie in Syrië ook in overwegende mate het gevolg is van het handelen van staten en groeperingen en niet het gevolg van natuurlijk optredende omstandigheden en onmacht van de staat om daarmee om te gaan. De verwijzing van de minister op de zitting naar zijn standpunt over het betrekken van de humanitaire situatie in Syrië bij de beoordeling van het niveau dat het willekeurig geweld daar aanneemt, volgt de rechtbank – zonder nadere motivering door de minister – niet. Daarbij merkt de rechtbank op dat sprake is van een ander beoordelingskader, waarin – anders dan bij de beoordeling van de mate van het willekeurige geweld – alle relevante humanitaire omstandigheden betrokken moeten worden en niet slechts die omstandigheden die voldoende direct gerelateerd zijn aan het op dát moment plaatsvindende willekeurig geweld.

Dit houdt in dat de minister bij de beoordeling van het beroep op het arrest Sufi en Elmi is uitgegaan van een verkeerd criterium. Hierdoor kleeft aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek. In de besluitvorming en op de zitting heeft de minister er echter ook op gewezen dat het EHRM een getroffen voorlopige voorziening (Rule 39) in een zaak van een Syriër heeft opgeheven omdat uitzetting naar Syrië geen schending van artikel 3 van het EVRM zou vormen. Op de zitting heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat in individuele gevallen van een dergelijk risico sprake zou kunnen zijn, maar dat er dan specifieke omstandigheden moeten spelen. Volgens de minister zijn die er in het geval van eiser niet. Dat standpunt volgt de rechtbank en daaraan voegt zij nog het volgende toe. De rechtbank ziet op grond van de overgelegde algemene informatie geen grond voor het oordeel dat de humanitaire omstandigheden in Syrië, in het bijzonder in Rif-Damascus, zodanig slecht zijn dat uitzetting in zijn algemeenheid in strijd moet worden geacht met artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft ook geen omstandigheden aangevoerd die maken dat daar in zijn geval anders over moet worden gedacht. Hij heeft verklaard dat zijn ouders en andere familieleden na de val van het regime van al-Assad weer uit Libanon zijn teruggekeerd naar hun woonplaats in Rif-Damascus en dat zij daar een huis huren. De omstandigheid dat de huur hoog is en dat het moeilijk is om werk te vinden, zoals eiser stelt, is onvoldoende voor het oordeel dat eiser bij terugkeer niet in staat zal zijn te voorzien in zijn meest basale levensbehoeften, zoals voedsel, hygiëne en onderdak. Verder heeft hij verklaard dat iedereen daar een wapen draagt, maar hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit tot zodanig veel geweld leidt dat hij een reëel risico loopt daar slachtoffer van te worden. Dat blijkt ook niet uit de genoemde algemene bronnen. Dat eiser als terugkeerder uit het westen zal worden gezien als rijk persoon en daarom eerder doelwit van geweld zal zijn acht de rechtbank ook onvoldoende onderbouwd. De rechtbank volgt de minister daarom in het standpunt dat eiser geen omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat uitzetting in zijn geval in strijd zou zijn met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank zal de rechtsgevolgen van het bestreden besluit om die reden in stand laten.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, omdat in beroep is gebleken dat de aanvraag terecht is afgewezen. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een proceskostenvergoeding. Deze vergoeding bedraagt

€ 1.868 (1 punt voor het instellen van beroep en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met wegingsfactor 1, en waarde per punt van € 934).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van

mr. G.T.J. Kouwenberg, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand