RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.53182
(gemachtigde: mr. T. Thissen),
en
(gemachtigde: mr. W. van Hoof).
Procesverloop
Bij besluit van 27 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Eiser heeft op 4 mei 2026 aanvullende beroepsgronden ingediend.
Verweerder op 7 mei 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.53183), op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Het asielrelaas
Eiser heeft de Pakistaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] . Hij heeft op 16 februari 2024 asiel aangevraagd.
Eiser heeft aan zijn asielaanvraag – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. Eiser is een Ahmadi. Als Ahmadi heeft hij in Pakistan geen religieuze vrijheid. Ook heeft hij in Pakistan problemen ondervonden omdat hij Ahmadi is. In Pakistan werd de broer van eiser bedreigd door de religieus extremistische groep Tehreek-e-Labbaik Pakistan (TLP). Nadat eisers broer Pakistan had verlaten, had de TLP het op eiser gemunt. Eiser is uitgescholden en bij een bushalte geslagen en bedreigd. Daarnaast is eiser bedreigd met een vuurwapen omdat hij bloed had gedoneerd aan een familie die tot de TLP behoort. Na dit incident heeft eiser Pakistan verlaten (in januari 2024). Bij terugkeer naar Pakistan vreest eiser te worden vermoord door de TLP, de samenleving of de overheid vanwege zijn geloof.
Het bestreden besluit
Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Eiser behoort tot de Ahmadi-gemeenschap en heeft daardoor problemen met de TLP ondervonden.
Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. Ook acht verweerder geloofwaardig dat eiser Ahmadi is. De problemen met de TLP, vanwege zijn Ahmadi-geloof, heeft verweerder echter ongeloofwaardig geacht, omdat in dit verband niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c en e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De geloofwaardig geachte asielmotieven leveren volgens verweerder geen asielgrond op als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw, omdat op grond daarvan niet aannemelijk is dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft als bedoeld in het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) of bij terugkeer naar Pakistan een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hierom, en omdat eiser zijn paspoort en de documenten van zijn Spaanse asielaanvraag heeft vernietigd en onjuiste gegevens heeft verstrekt, heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, d en e, van de Vw. Daarnaast omvat het bestreden besluit een terugkeerbesluit, met onmiddellijke vertrekplicht, en een inreisverbod voor de duur van twee jaar.
Beroepsgronden
3. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en heeft daartegen – samengevat – het volgende aangevoerd. Verweerder heeft in het bestreden besluit miskend dat de situatie voor Ahmadi’s in Pakistan sinds de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 10 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2667, is verslechterd. Volgens eiser is er thans sprake van groepsvervolging. Eiser verwijst hierbij (onder andere) naar de Algemene Ambtsberichten Pakistan van september 2022 en juli 2024, de thematische ambtsberichten over de positie van Ahmadi’s en christenen in Pakistan van april 2017 en december 2020, en het UK Home Office rapport ‘Country Policy and Information Note Pakistan: Ahmadi’s’ van maart 2025. Verweerder heeft daarnaast in strijd met de hiervoor genoemde Afdelingsuitspraak niet beoordeeld welke religieuze handelingen eiser wil verrichten bij terugkeer, en of de wijze waarop hij zijn geloof in Pakistan heeft belijd, nog steeds mogelijk is. Verder handelt verweerder volgens eiser in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Er is namelijk sprake van een duidelijke trend van zaken van vreemdelingen die ook tot de Ahmadi-gemeenschap behoren waarbij de asielaanvraag wordt ingewilligd, of waarbij het besluit vlak voor de zitting werd ingetrokken. Eiser heeft in dit kader meerdere V-nummers en zaaknummers genoemd.
Het oordeel van de rechtbank
4. De rechtbank toetst het bestreden besluit aan de hand van de daartegen aangevoerde beroepsgronden.
Groepsvervolging
Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in de uitspraak van 24 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:22002, ten aanzien van de rechtsvraag of er thans in Pakistan sprake is van groepsvervolging van Ahmadi’s het volgende overwogen:
“ 7.1. De Afdeling heeft in de hiervoor genoemde uitspraak van 10 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2667, r.o. 2.6, beoordeeld of er op dat moment – dus in 2015 – in Pakistan sprake was van groepsvervolging van Ahmadi’s. De Afdeling heeft er in die uitspraak op gewezen dat Ahmadi’s volgens de Pakistaanse grondwet niet als moslims worden beschouwd, dat de blasfemiewetgeving, vooral de zogenoemde anti-Ahmadi bepalingen, de religieuze vrijheid van Ahmadi’s verder inperkt, dat de Pakistaanse autoriteiten in de praktijk de vrijheid van godsdienst voor Ahmadi’s beperken door het hen moeilijk te maken om nieuwe gebedshuizen te bouwen en bijeen te komen in moskeeën en dat Ahmadi’s te maken krijgen met maatschappelijke intolerantie, ontvoeringen, gedwongen bekeringen en religieus gemotiveerd geweld, waartegen de autoriteiten vaak geen bescherming bieden. De Afdeling leidt hieruit, met verweerder, af dat de situatie in Pakistan voor Ahmadi's zorgwekkend is en dat Ahmadi's die zich publiekelijk als zodanig manifesteren zich aan grote risico’s blootstellen, maar overweegt ook dat Ahmadi’s in Pakistan hun geloof nog steeds wel, zij het binnen de in dit land geldende grenzen, kunnen belijden en uitoefen. Daarbij wijst de Afdeling erop dat Ahmadi’s gedrukte media hebben, eigen instellingen en organisaties hebben en kunnen bijeenkomen in eigen gebedshuizen. Verder wijst de Afdeling erop dat weliswaar de blasfemiewetgeving wordt misbruikt en het aantal beschuldigingen van blasfemie tegen Ahmadi’s is toegenomen ten opzichte van het vorige ambtsbericht, maar dat het aantal beschuldigingen tegen Ahmadi's, afgezet tegen de omvang van de Ahmadi-gemeenschap in Pakistan, betrekkelijk gering is. Op grond hiervan komt de Afdeling tot de conclusie dat niet aannemelijk is gemaakt dat Ahmadi’s in Pakistan als groep worden vervolgd.
De rechtbank leidt uit deze uitspraak af dat de Afdeling haar oordeel dat er destijds in Pakistan geen sprake was van groepsvervolging van Ahmadi’s gebaseerd heeft op twee ‘pijlers’, die in samenhang moeten worden bezien, te weten: 1) Ahmadi’s kunnen in Pakistan hun geloof in enige mate belijden en uitoefenen, en 2) het aantal Ahmadi’s dat slachtoffer is van de blasfemiewetgeving is relatief gering.
Verweerder heeft zich in het bestreden besluit en op zitting op het standpunt gesteld dat ook thans geen sprake is van groepsvervolging van Ahmadi’s in Pakistan. Hiertoe heeft verweerder toegelicht dat weliswaar wordt ingezien dat de situatie voor Ahmadi’s in Pakistan na de uitspraak van de Afdeling is verslechterd, maar dat de hiervoor genoemde twee ‘pijlers’ nog voldoende overeind staan. Zo is het volgens verweerder voor Ahmadi’s nog steeds mogelijk om hun geloof te belijden, onder andere door naar gebedshuizen te gaan of door binnenshuis te bidden. Daarnaast blijkt volgens verweerder uit het Algemeen Ambtsbericht Pakistan van juli 2024 dat het aantal Ahmadi’s dat slachtoffer is van geweld of blasfemie nog steeds relatief laag is. Dit laatste acht verweerder van zwaarwegend belang voor de beoordeling of er sprake is van groepsvervolging.
Eiser heeft gesteld dat de situatie voor Ahmadi’s na de Afdelingsuitspraak ernstig is verslechterd en dat het voor hen nagenoeg, zo niet volledig, onmogelijk is geworden om hun geloof te belijden en uit te oefenen. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser in de eerste plaats verwezen naar het Thematisch Ambtsbericht over de positie van Ahmadi’s en christenen in Pakistan 2014-2016, van april 2017. Daarin staat dat de intolerantie en discriminatie jegens Ahmadi’s in de verslagperiode is toegenomen, dat er meer valse aanklachten zijn voor blasfemie (p. 34) en dat de provinciale regering van de Punjab Ahmadi-geschriften heeft verboden, wat inhoudt dat het verspreiden, publiceren en in bezit hebben illegaal werd (p. 47). Eiser heeft verder verwezen naar het Thematisch Ambtsbericht over de positie van Ahmadi’s en christenen in Pakistan 2017-2020, van december 2020. Daarin staat dat de vijandigheid jegens de Ahmadi-gemeenschap weer is toegenomen en steeds verder doordringt in het DNA van Pakistan, waaronder instellingen, rechtbanken, media en wetshandhavingsinstanties (p. 50) en dat de autoriteiten het Ahmadi’s verboden om conferenties en bijeenkomsten te houden (p. 81). Uit het Algemeen Ambtsbericht Pakistan van september 2022, waarnaar eiser ook heeft verwezen, volgt dat er zowel van overheidswege als in de publieke samenleving veel intolerantie tegenover Ahmadi’s bestaat en dat het voor Ahmadi’s vrijwel onmogelijk is om hun geloof vrij te belijden. Verder blijkt daaruit dat Ahmadi’s bij het aanvragen van documenten verklaringen moeten tekenen die volledig indruisen tegen hun Ahmadi-geloofsovertuiging (p. 68). Uit het Algemeen Ambtsbericht Pakistan van juli 2024, waarnaar eiser eveneens heeft verwezen, blijkt dat de situatie van Ahmadi’s de laatste twee jaar wederom is verslechterd. Ahmadi’s bleven doelwit voor (valse) blasfemie beschuldigingen en er waren meer gerichte moorden en aanvallen door menigten op Ahmadi’s de laatste jaren. Zo vonden er verschillende incidenten gericht tegen Ahmadi’s plaats, waaronder aanvallen op personen, graven, moskeeën en andere religieuze plaatsen (p. 67). Volgens vertrouwelijke bronnen liepen Ahmadi’s het meeste risico van alle minderheden om vervolgd te worden en zijn Ahmadi’s nergens in Pakistan veilig (p. 69). Tot slot heeft eiser verwezen naar het rapport van UK Home Office ‘Country Policy and Information Note Pakistan: Ahmadis’, van maart 2025. Daarin wordt onder meer ingegaan op de uitspraak van het Pakistaanse hooggerechtshof in de zaak van de [naam 1] . Daarover wordt geschreven dat die uitspraak, die onder druk van de Pakistaanse overheid en geestelijken tweemaal is herzien, in feite inhoudt dat de bepekte bescherming die Ahmadi’s werd geboden om hun geloof in privé uit te oefenen en te belijden is ingetrokken, en met zich brengt dat het Ahmadi-geloof nu effectief is gecriminaliseerd en dat Ahmadi’s hun geloof niet meer binnenshuis kunnen belijden (p. 40-41). Ook is in dat rapport vermeld dat er in de verslagperiode aanhoudende aanvallen plaatsvonden op gebedshuizen, soms met medeplichtigheid van de staat (p. 37) en dat het verboden is om Ahmadi-literatuur te drukken, publiceren en verspreiden en dat alle websites die Ahmadi’s als moslims afschilderen in Pakistan geblokkeerd zijn (p. 38).
Uit de hiervoor vermelde, door eiser ingeroepen landeninformatie blijkt naar het oordeel van de rechtbank duidelijk dat de situatie van Ahmadi’s in Pakistan na de Afdelingsuitspraak van 10 augustus 2015 steeds verder en verder is verslechterd. Waar Ahmadi’s ten tijde van de Afdelingsuitspraak nog enige mogelijkheid hadden om hun geloof te uiten en te belijden, waarbij is gewezen op de eigen gedrukte media en instellingen en organisaties van Ahmadi’s en het kunnen bijeenkomen in eigen gebedshuizen, blijkt uit de hiervoor vermelde landeninformatie dat deze vrijheden inmiddels grotendeels zijn weggevallen. Zo is het niet meer toegestaan om Ahmadi-literatuur te drukken, publiceren en hebben en zijn bijeenkomsten van Ahmadi’s verboden. Verder vinden er steeds vaker aanvallen plaats op Ahmadi-gebedshuizen en andere religieuze plaatsen van Ahmadi’s. De nieuwste ontwikkeling is dat met de herziene uitspraak van het Pakistaanse hooggerechtshof in de zaak [naam 1] ook de mogelijkheid voor Ahmadi’s om hun geloof in de privésfeer, waaronder de eigen woning, te belijden en uit te oefenen aan banden is gelegd (hetgeen verweerder in het bestreden besluit, p. 2, ook heeft erkend). Gelet hierop, en nu verweerder niet heeft gewezen op concrete passages in de landeninformatie die wijzen op het tegendeel, volgt de rechtbank eiser in zijn standpunt dat het voor Ahmadi’s in Pakistan inmiddels nagenoeg, zo niet volledig, onmogelijk is geworden om hun godsdienst te uiten en te belijden. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de eerste ‘pijler’ uit de Afdelingsuitspraak – te weten: Ahmadi’s kunnen in Pakistan hun geloof in enige mate belijden en uitoefenen – niet langer (voldoende) overeind staat. Het andersluidende standpunt van verweerder houdt dus geen stand.
Voor zover verweerder stelt dat de tweede ‘pijler’ uit de Afdelingsuitspraak – te weten: het aantal Ahmadi’s dat slachtoffer is van de blasfemiewetgeving is relatief gering – op zichzelf voldoende is voor het oordeel dat er in Pakistan geen sprake is van groepsvervolging van Ahmadi’s, overweegt de rechtbank als volgt. Dit standpunt lijkt verweerder ook ten grondslag te hebben gelegd aan zijn landenbeleid, waarin hij voor Ahmadi’s een risicoprofiel heeft aangenomen en geen groepsvervolging (zie de nota Landenbeleid Pakistan van 18 september 2024, p. 4). Verweerder heeft echter niet gemotiveerd hoe dit standpunt zich verhoudt tot de Afdelingsuitspraak van 10 augustus 2015, waarin de twee pijlers tezamen tot het oordeel hebben geleid dat er geen sprake is van groepsvervolging van Ahmadi’s in Pakistan. Daarnaast is verweerder niet deugdelijk gemotiveerd ingegaan op het ter zitting door eiser ingenomen standpunt dat de omstandigheid dat uit gerapporteerde cijfers in het ambtsbericht blijkt dat het aantal Ahmadi-slachtoffers van (dodelijk) geweld en blasfemie relatief laag is (zie weer de nota Landenbeleid Pakistan, p. 4) op zichzelf niet doorslaggevend is voor de beoordeling of er groepsvervolging van Ahmadi’s plaatsvindt. Daarbij heeft eiser erop gewezen dat de Pakistaanse autoriteiten en samenleving thans zo repressief zijn ten opzichte van Ahmadi’s, waarvan de zaak van de [naam 1] – die uiteindelijk (in december 2025) is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf wegens blasfemie – een voorbeeld is, dat Ahmadi’s hun geloof in de praktijk nauwelijks meer durven te uiten. Verder heeft eiser er in dit verband op gewezen dat veel incidenten tegen Ahmadi’s niet worden gemeld en daarom niet worden gerapporteerd. Dit standpunt vindt enige steun in het UK Home Office rapport van maart 2025, waarin staat dat het voor Ahmadi’s zeer moeilijk is om incidenten te melden bij de politie, die zich zelf ook schuldig maakt aan daden tegen de Ahmadi’s, dat de politie bang is om Ahmadi’s rechten toe te kennen en dat de politie daden tegen Ahmadi’s niet wil onderzoeken (p. 39). Daarnaast zijn Ahmadi’s bang om aangifte te doen omdat de politie hen zou kunnen aanklagen wegens blasfemie (p. 40).
Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verweerder met zijn toelichtingen in het bestreden besluit en ter zitting niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de door eiser ingebrachte landeninformatie die dateert van na het Algemeen Ambtsbericht Pakistan van juli 2024 er niet toe leidt dat wordt aangenomen dat er thans in Pakistan sprake is van groepsvervolging van Ahmadi’s.”
De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak anders te oordelen dan zij in voormelde uitspraak heeft gedaan. Verweerder heeft in deze zaak – voornamelijk in het verweerschrift en ter zitting – immers een vergelijkbaar standpunt ingenomen als weergegeven in overweging 7.3. van voormelde uitspraak en heeft ook in deze zaak:
niet concreet toegelicht uit welke objectieve bronnen zou blijken dat Ahmadi’s hun geloof in Pakistan nog in enige mate kunnen belijden en uitoefenen (zie overweging 7.5 van voormelde uitspraak),
niet deugdelijk gemotiveerd waarom aan de omstandigheid dat het aantal Ahmadi’s dat slachtoffer is van de blasfemiewetgeving relatief gering is doorslaggevend gewicht toekomt, terwijl de Afdelingsuitspraak van 10 augustus 2015 berust op twee pijlers (zie overweging 7.6 van voormelde uitspraak), en
niet deugdelijk gereageerd op het gemotiveerde standpunt van eiser dat het relatief lage aantal Ahmadi-slachtoffers wordt verklaard door de omstandigheden dat Ahmadi’s hun geloof in de praktijk nauwelijks meer durven te uiten en dat veel incidenten tegen Ahmadi’s niet worden gemeld en gerapporteerd (zie overweging 7.6 van voormelde uitspraak).
Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat verweerder ook in onderhavige zaak niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de door eiser ingebrachte landeninformatie die dateert van na het Algemeen Ambtsbericht Pakistan van juli 2024 er niet toe leidt dat wordt aangenomen dat er thans in Pakistan sprake is van groepsvervolging van Ahmadi’s. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt.
Persoonlijke vrees voor vervolging/ernstige schade
Hierna toetst de rechtbank – volledigheidshalve en er veronderstellenderwijs van uitgaand dat er ten aanzien van Ahmadi’s ‘slechts’ sprake is van een risicoprofiel – het standpunt van verweerder dat eiser er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat hij op individuele gronden in Pakistan te vrezen heeft voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade vanwege zijn geloofsuitoefening.
Uit vaste Afdelingsrechtspraak over dit onderwerp, bijvoorbeeld de uitspraken van 20 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2420, en 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5349, volgt dat verweerder moet onderzoeken en beoordelen of, en zo ja, op welke wijze een vreemdeling na terugkeer naar zijn land van herkomst uiting wil geven aan zijn geloof en of hij daardoor een risico op vervolging/ernstige schade loopt. Hierbij is van belang dat verweerder van de vreemdeling niet mag verlangen dat hij zich, om vervolging te voorkomen, terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van zijn geloof.
Voorts volgt uit de hiervoor vermelde Afdelingsuitspraak van 10 augustus 2015, r.o. 2.8, dat uit de enkele omstandigheid dat de vreemdeling voor zijn vertrek uit Pakistan geen belemmeringen heeft ondervonden bij zijn geloofsactiviteiten, niet zonder meer kan worden afgeleid dat hij ook bij terugkeer niet te vrezen heeft voor vervolging, zeker niet als uit de verklaringen van de vreemdeling kan worden afgeleid dat hij zich in het verleden wegens de blasfemiewetgeving juist heeft onthouden van bepaalde religieuze handelingen en zich dus terughoudend heeft opgesteld.
Verweerder heeft in het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat eiser bij terugkeer maar Pakistan geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade vanwege zijn geloof. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd, zo volgt uit het bestreden besluit (p. 3) en heeft verweerder ter zitting verduidelijkt, dat het niet aannemelijk wordt geacht dat eiser zijn religie in Pakistan op enige manier zal uiten (dus ook niet bidden). Hiertoe heeft verweerder gesteld dat niet aannemelijk is dat het voor eiser van bijzonder belang is om zijn geloof te belijden. Daarbij heeft verweerder erop gewezen dat eiser van 2008 tot 2023 in Pakistan op een boot heeft gewerkt waar hij zijn religie maar beperkt kon uiten, dat eiser Pakistan niet heeft verlaten omdat hij werd beperkt in zijn godsdienstuitoefening en dat eiser weinig persoonlijke betekenis kan geven aan de manier waarop hij zijn geloof in Nederland uitoefent.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat het voor eiser persoonlijk niet belangrijk is om zijn geloof op enige wijze te belijden. Dit legt de rechtbank hierna uit.
In de eerste plaats geldt hiertoe dat verweerder niet deugdelijk heeft uitgelegd waarom het voor eiser niet van belang zou zijn om te bidden. Eiser heeft tijdens de gehoren herhaaldelijk verklaard dat hij in Pakistan bad. Zo heeft eiser verklaard dat hij thuis bad en dat hij heel af en toe nog naar een gebedsruimte kon voor gebed (p. 17-18 nader gehoor) en dat hij ook op de boot, waar hij werkte, bad (p. 7 aanvullend gehoor). In Nederland bidt eiser ook (p. 28 aanvullend gehoor). Uit deze verklaringen, die door verweerder niet ongeloofwaardig zijn geacht, volgt dat eiser consequent en over een lange periode, zowel in Pakistan – en dus ook op de boot waar hij werkte – als in Nederland, uitoefening heeft gegeven aan zijn geloof door (in de privésfeer) te bidden. Dit is een zeer sterke aanwijzing dat het voor eiser persoonlijk van belang is om te bidden. Dit heeft verweerder ten onrechte niet onderkend.
In de tweede plaats geldt dat verweerder ook niet deugdelijk heeft uitgelegd waarom het voor eiser niet van belang zou zijn om zijn geloof te uiten zoals hij dat nu in Nederland doet. Naast bidden (wat hij dus ook in Pakistan al deed), belijdt eiser zijn geloof in Nederland – zo is door verweerder niet betwist – door naar de moskee te gaan, zichzelf moslim te noemen, religieuze rituelen na te leven, religieus vrijwilligerswerk te verrichten en naar openbare bijeenkomsten te gaan, zoals [naam 2] en [naam 3] . In Pakistan kon eiser al deze geloofsactiviteiten niet verrichten vanwege de blasfemiewetgeving en repressie. De omstandigheid dat eiser deze geloofsactiviteiten wel is gaan verrichten zodra hij in Nederland was, is naar het oordeel van de rechtbank een duidelijke aanwijzing dat het voor eiser juist van belang is om dit soort, meer openlijke geloofsactiviteiten te verrichten. Daarbij komt dat eiser ook met zoveel worden heeft gezegd dat hij in Pakistan zijn geloof op verdergaande wijze had willen uiten en belijden dan hij kon doen (p. 10-11 aanvullend gehoor). Ook dit is een aanwijzing dat het voor eiser van belang is om zijn geloof te belijden. Deze aanwijzingen zijn door verweerder ten onrechte niet onderkend.
Dat eiser jarenlang, meerdere maanden per jaar, op een boot heeft gewerkt waar hij zijn religie beperkt kon uiten, kan naar het oordeel van de rechtbank, anders dan verweerder stelt, niet worden gezien als een indicatie dat het voor eiser niet belangrijk is om zijn geloof te uiten. Nog daargelaten dat eiser zijn religie dus wel degelijk op de boot heeft geuit, heeft eiser namelijk uitgelegd dat hij op een boot is gaan werken om geen problemen te krijgen met zijn geloof. Deze uitleg past in het beeld dat volgt uit het Thematisch Ambtsbericht van december 2020, waarin staat (p. 44) dat de beste wijze voor Ahmadi’s om zich te onttrekken aan dagelijks geweld is om niet op te vallen, om ‘onder de radar te leven’. Ook in de omstandigheid dat eiser, ondanks de beperkingen in zijn geloofsuitoefening, lange tijd in Pakistan is gebleven, kan naar het oordeel van de rechtbank, anders dan verweerder stelt geen (sterke) indicatie worden gezien dat het voor eiser niet belangrijk zou zijn om zijn geloof te uiten. Eiser heeft namelijk uitgelegd dat hij een modus had gevonden om te overleven (werken op de boot) en dat hij in Pakistan moest blijven voor zijn (zieke) moeder en zijn kind. Dat hij niet eerder is vertrokken, wil niet zeggen dat het voor hem niet belangrijk is om zijn geloof uit te oefenen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser onvoldoende persoonlijk heeft verklaard over het belang van zijn geloofsuitoefening in Nederland. Over de impact van het vrijelijk kunnen uitoefenen van zijn geloof in Nederland heeft eiser verklaard (p. 31 aanvullend gehoor): “Mijn ziel lijkt nu een waarde te hebben. Dat ik nu pas echt goed mijn leven kan gaan leven zoals het hoort. Mijn hoofd is helemaal relaxt. Mijn lichaam is ook heel ontspannen. Eerder was dat heel anders.” Dit is naar het oordeel van de rechtbank een vrij adequate verklaring voor iemand die voor het eerst vrij zijn geloof kan uitoefenen. Verweerder heeft onvoldoende uitgelegd waarom dit niet toereikend zou zijn en waarom van eiser meer of andere verklaringen worden verlangd, nog daargelaten dat na dit antwoord van eiser nauwelijks nog vervolgvragen zijn gesteld om uit te diepen wat de vrijheid om zijn geloof te uiten met hem doet.
Uit het vorenstaande, in samenhang bezien, volgt dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat het voor eiser persoonlijk niet belangrijk is om (1) te bidden en (2) andere, meer openlijke geloofsactiviteiten uit te oefenen. In het verlengde hiervan heeft verweerder zich ook ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het niet aannemelijk is dat eiser zijn Ahmadi-geloof in Pakistan op enige manier zal uiten. Verweerder heeft daardoor, ten onrechte, niet beoordeeld wat het voor gevolgen voor eiser zal hebben als hij in Pakistan zal bidden en andere geloofsactiviteiten zal uitoefenen.
Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser op individuele gronden in Pakistan geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade vanwege zijn geloofsuitoefening. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gezien het voorgaande gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.
8. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat verweerder de hiervoor geconstateerde gebreken niet in de beroepsfase heeft hersteld. De rechtbank ziet ook geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien, omdat het (vooralsnog) aan verweerder is en blijft om te beoordelen of er zich een grond voor asielverlening voordoet. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus, aangezien dit naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zal inhouden. De rechtbank zal verweerder daarom opdragen om, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van acht weken.
9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser, met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.