ECLI:NL:RBDHA:2026:3078

ECLI:NL:RBDHA:2026:3078

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 12-02-2026
Datum publicatie 17-02-2026
Zaaknummer NL25.61253 en NL25.612254
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom er ten aanzien van Ahmadi’s in Pakistan geen sprake is van groepsvervolging. Daarnaast heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom eiser niet persoonlijk heeft te vrezen voor vervolging in Pakistan.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser] , eiser/verzoeker, hierna: eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL25.61253 (beroep) en NL25.61254 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

(gemachtigde: mr. M. Spapens),

en

(gemachtigde: mr. Y.D. Ancion).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers asielaanvraag. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom er ten aanzien van Ahmadi’s in Pakistan geen sprake is van groepsvervolging. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom eiser niet persoonlijk heeft te vrezen voor vervolging in Pakistan. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 14 december 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft de voorzieningenrechter ook verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 2 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, R.B. Raj als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden

3. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1978 en de Pakistaanse nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 27 november 2025 een asielaanvraag gedaan. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij behoort tot de Ahmadi-gemeenschap. Hij werd gediscrimineerd en op zijn werk slecht behandeld vanwege zijn Ahmadi-religie. Hij heeft vanaf 2011 lange periodes in het buitenland gewerkt, maar keerde drie keer terug naar zijn gezin in Pakistan. Eiser heeft ook verklaard over de discriminatie waar hij bij het uiten van zijn geloof in Pakistan mee te maken heeft gekregen. Hij heeft onder meer verklaard dat hij geen offer mocht doen en religieuze bijeenkomsten vanwege de gevaarlijke situatie niet lang konden duren.

Afwijzing asielaanvraag

4. Volgens verweerder heeft eiser de volgende elementen aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd:

-nationaliteit, herkomst en identiteit;

-problemen vanwege eisers Ahmadi-religie.

Verweerder heeft eisers nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht, maar eisers identiteit ongeloofwaardig geacht. Eiser heeft zijn identiteit niet met een origineel paspoort aangetoond. Dat eiser zijn paspoort moest afstaan aan de reisagent is geen goede verklaring voor het ontbreken van een paspoort of identiteitsbewijs. Verweerder heeft eisers problemen vanwege zijn Ahmadi-religie wel geloofwaardig geacht, maar zich ook op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij individueel een vrees voor vervolging in Pakistan heeft. Uit eisers verklaringen blijkt niet dat de manier waarop eisers uiting van het geloof voor hem zou worden beperkt bij terugkeer naar Pakistan, daadwerkelijk een fundamenteel onderdeel vormt van zijn geloofsidentiteit als Ahmadi. Daarbij is ook relevant dat eiser al een aantal keer vanuit het buitenland is teruggekeerd. Daaruit blijkt dat de beperkingen om het geloof in Pakistan te uiten niet dusdanig zijn dat hij niet naar Pakistan kan terugkeren. Eiser verblijft in [plaats] , waar de meerderheid van de inwoners Ahmadi's zijn. De discriminatie en bedreigingen op het werk zijn onvoldoende om een vrees voor vervolging aan te nemen. Er is geen sprake van een dusdanig ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden dat het voor eiser onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren.

Verweerder heeft de asielaanvraag op grond van artikel 30b, eerste lid onder d van de Vw als kennelijk ongegrond afgewezen. Daarnaast heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. De rechtbank zal hierna aan de hand van eisers beroepsgronden uitleggen hoe zij tot haar oordeel is gekomen.

Is sprake van groepsvervolging van Ahmadi’s die uit Pakistan afkomstig zijn?

6. Eiser voert aan dat ten aanzien van Ahmadi's in Pakistan van groepsvervolging zou moeten worden uitgegaan. De situatie van Ahmadi’s in Pakistan is afgelopen twee jaar ernstig verslechterd. Ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake is van groepsvervolging heeft eiser in de zienswijze al een beroep gedaan op het Algemeen Ambtsbericht Pakistan van juli 2024 en een rapport van het UK Home Office van maart 2025. In de beroepsfase heeft eiser artikelen van het International Human Rights Committee overgelegd.

In het Algemeen Ambtsbericht Pakistan van juli 2024 staan, onder meer, de volgende passages over de situatie van Ahmadi’s:

Pagina 67: “Volgens verschillende bronnen is de situatie van Ahmadi’s de laatste twee jaar verslechterd. Ahmadi’s bleven een doelwit voor (valse) blasfemie beschuldigingen. Volgens twee vertrouwelijke bronnen waren er meer gerichte moorden en aanvallen door menigten op Ahmadi’s de laatste jaren. ”

Pagina 68: “Volgens dezelfde bron zijn Ahmadi’s nergens in Pakistan veilig en heeft het geen zin naar een ander deel van Pakistan te verhuizen. Ze zullen overal dezelfde vijandigheid en discriminatie tegenkomen. Dit geldt zelfs voor [plaats] (ofwel [plaats] ), de enige stad waar Ahmadi’s geen minderheid vormen.”

Pagina 69: “Voor Ahmadi’s zijn de risico’s nog groter dan voor anderen. Zij worden immers op basis van hun geloof sowieso al als afvalligen gezien. Veel Ahmadi’s voelen zich daarom zeer onveilig in Pakistan”.

In de samenvatting van het rapport van het UK Home Office op pagina 3 staan, onder meer, de volgende conclusies:

“Anti-Ahmadi rhetoric by public officials, attacks on Ahmadi places of worship, graves and gravestones occur, including demolition of minarets, graffiti, and arson – at times with police complicity. Ahmadis are at risk of prosecution under blasphemy laws and specific anti-Ahmadi laws.

Ahmadis who openly practice their faith (beyond the restricted basis permitted by domestic law) are likely to face a real risk of persecution or serious harm from the state.

Widespread societal harassment and discrimination against community members occurs, including hate speech, physical attacks including murder, and destruction of property.”

De rechtbank is van oordeel dat verweerder gelet op deze overgelegde informatie onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen sprake is van groepsvervolging van Ahmadi’s in Pakistan. Verweerder heeft gewezen op het individualiseringsvereiste dat uit het beleid volgt, maar de verslechtering die blijkt uit de ingebrachte bronnen vergt een nadere motivering. Daarbij komt dat eiser een bericht d.d. 29 oktober 2025 uit een andere asielzaak heeft overgelegd waarin staat dat verweerder zich opnieuw naar aanleiding van de hierboven genoemde bronnen wil beraden over de positie van Ahmadi’s uit Pakistan. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat de rapporten zijn bekeken en het individualiseringsvereiste gehandhaafd blijft, maar niet kunnen uitleggen waarom tot die conclusie is gekomen. Verweerder heeft dus ook op zitting geen afdoende motivering gegeven. Deze beroepsgrond slaagt dus.

Heeft eiser persoonlijk te vrezen voor vervolging of ernstige schade in Pakistan?

7. Eiser voert aan dat, als het individualiseringsvereiste wel kan worden tegengeworpen, ook daar aan is voldaan. Als eiser zijn geloof wil uiten dan krijgt hij direct problemen. Hij kan niet aan het offerfeest meedoen of mensen vertellen over zijn geloof. Uit eisers verklaringen blijkt dat het uiten van zijn geloof steeds meer wordt ingeperkt. Daarnaast is het voor eiser vanwege discriminatie ook onmogelijk om te werken in Pakistan. Hij heeft steeds ontslag moeten nemen en is 1 keer weggestuurd vanwege problemen en heeft daarom voornamelijk in het buitenland gewerkt.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser zijn persoonlijke vrees voor vervolging onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Uit eisers verklaringen volgt dat zijn religieuze vrijheid werd beperkt. Zo heeft eiser verklaard dat hij bij het laatste offerfeest geen offer mocht doen, niet met anderen over zijn geloof kon praten en religieuze bijeenkomsten vanwege de veiligheidssituatie snel moesten verlopen en moesten worden beveiligd door de geloofsgemeenschap. Ook heeft eiser verklaard over de discriminatie en bedreigingen die hij op zijn werk heeft ervaren vanwege zijn Ahmadi-geloof. Zo heeft eiser verklaard dat hij werd bedreigd door zijn collega’s toen zij erachter kwamen dat hij Ahmadi is en dat zij niet met hem wilden eten en drinken omdat hij Ahmadi is. Het verdere gegeven dat eiser, zoals verweerder tegenwerpt, wel steeds een baan kon vinden acht de rechtbank niet relevant bij de beoordeling van eisers vrees voor vervolging. Eiser heeft immers ook verklaard dat hij bij het vinden van een nieuwe baan niet vertelde dat hij Ahmadi was.

Verweerder heeft verder in de besluitvorming en op zitting met name tegengeworpen dat eiser nadat hij in het buitenland heeft gewerkt, zelf driemaal vrijwillig naar Pakistan is teruggekeerd. Deze reisbewegingen komen volgens verweerder niet overeen met de persoonlijke vrees die eiser stelt te hebben. Dit standpunt volgt de rechtbank echter niet. Eiser heeft namelijk een afdoende uitleg gegeven over het feit dat hij vanaf 2011 driemaal naar Pakistan is teruggekeerd. Eiser heeft verklaard dat hij, zoals ook hiervoor besproken, op zijn werk in Pakistan veel problemen had vanwege zijn Ahmadi-geloof en daarom in het buitenland is gaan werken. Hij is een aantal keer teruggekeerd naar zijn achtergebleven gezin, maar heeft ook verklaard dat hij dan voorzichtig was en niet naar buiten ging. Daarbij komt dat uit de algemene landeninformatie volgt dat de situatie voor Ahmadi’s in Pakistan in de afgelopen jaren verder is verslechterd. Eiser heeft zelf verklaard dat het laatste offerfeest en een recente aanslag op een moskee aanleiding waren om het land te verlaten. Eiser voelde immers, zo verklaart hij, dat het voor zijn kinderen niet meer veilig was. Daar komt bij dat eiser heeft verklaard op enig moment met zijn gezin naar [plaats] te zijn verhuisd, omdat daar een grotere Ahmadigemeenschap was, maar bovengenoemde problemen zich ook daar voordeden. Dit laatste volgt ook uit een onder 6.1 genoemde bron. Deze beroepsgrond slaagt ook.

Conclusie en gevolgen

8. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de aanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond afgewezen. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluiten niet deugdelijk is gemotiveerd. Dit is in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder opnieuw op de asielaanvraag moet beslissen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. Bij een nieuw te nemen besluit kan verweerder betrekken dat eiser inmiddels een origineel van zijn identiteitskaart heeft overgelegd. De rechtbank geeft een termijn van zes weken voor verweerder om opnieuw op de asielaanvraag te beslissen.

9. Nu de rechtbank op het beroep heeft beslist, bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. De rechtbank wijst het verzoek daartoe daarom af.

10. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn

proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing

van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door

een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke

proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend,

een verzoekschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen.

De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.802.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 14 december 2025;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

De voorzieningenrechter:

-wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

-veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Ankum, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J.P. Ankum

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?