RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.60201
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken),
en
(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann),
Procesverloop
Bij besluit van 8 oktober 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, van de Vw opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting in Middelburg behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Toetsingskader
1. De vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft, voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28, kan door verweerder in vreemdelingenbewaring worden gesteld, indien vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28, Vw en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer sprake is van een onderduikrisico. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
2. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken.
3. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
- a) Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt.
- b) eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging ontvangen heeft waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
- j) een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond.
- r) geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.
- s) niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Verweerder heeft grond j ter zitting laten vallen, zodat deze niet meer aan de maatregel ten grondslag ligt. De overige aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden zijn door eiser niet bestreden. De rechtbank is van oordeel dat de gronden a en b feitelijk juist zijn en dat daarom een risico op onttrekking kan worden aangenomen. Deze gronden zijn samen voldoende om de maatregel van vreemdelingenbewaring te kunnen dragen. Ook heeft verweerder in de maatregel de gronden gemotiveerd aan de hand van de feiten en omstandigheden van het individuele geval.
Ambtshalve toets
5. Ook met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van vreemdelingenbewaring onrechtmatig is geweest.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 19 oktober 2026 door mr. M.J. Paffen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Hiddouch, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.