ECLI:NL:RBDHA:2026:30797

ECLI:NL:RBDHA:2026:30797

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 20-10-2026
Datum publicatie 19-10-2026
Zaaknummer 09/124872-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Veroordeling voor doodslag. De verdachte heeft hevig geweld op haar tien maanden oude zoontje toegepast, waardoor hij ernstige en uiteindelijk fatale hersenschade heeft opgelopen. Gevangenisstraf van zeven jaren, met aftrek van voorarrest, opgelegd.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/124872-23

Datum uitspraak: 20 oktober 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1992 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 19 juni 2024, 17 september 2024, 15 november 2024, 15 januari 2025, 4 april 2025, 17 juni 2025, 3 september 2025, 12 november 2025, 27 januari 2026, 21 april 2026, 14 juli 2026 (telkens pro forma) en 6 oktober 2026 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. I. Doves, en van hetgeen door de verdachte en haar raadsman, mr. M.G. Eckhardt, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 17 september 2024 – ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 14 april 2023, althans in of omstreeks de periode van 14 april 2023 tot en met 9 mei 2023 te Voorschoten en/of te Leiden, althans in Nederland, haar zoon [slachtoffer] (geboren [geboortedatum 2] 2022) opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] vast te pakken en/of (vervolgens) te schudden, althans forse repeterende acceleratie-deceleratie krachtsinwerkingen te maken, en/of fors geweld op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] uit te oefenen.

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Bewijsoverwegingen

Inleiding

De verdachte en haar echtgenoot hebben op 14 april 2023 omstreeks 18:00 uur de hulpdiensten ingeschakeld, nadat hun kind – de tien maanden oude [slachtoffer] – onwel was geworden. Uit de 112-melding blijkt dat [slachtoffer] een val van een halve meter zou hebben gemaakt. [slachtoffer] zou na de val hebben geschreeuwd, slap zijn geworden, blauwe lippen en koude handen en voeten hebben gekregen en buiten bewustzijn zijn geraakt. Met hulp van de 112-centralist is de echtgenoot van de verdachte gestart met reanimeren. De hulpdiensten hebben na aankomst de reanimatie voortgezet, waarna [slachtoffer] weer een hartslag en bloeddruk kreeg. Daarna is hij naar een ziekenhuis te Leiden overgebracht, waar sprake bleek van ernstig hersenletsel. [slachtoffer] is op 9 mei 2023 – na staking van de medische behandeling wegens een zeer slechte neurologische prognose – in het ziekenhuis overleden.

Uit nader onderzoek – zowel medisch als strafrechtelijk – is het vermoeden ontstaan dat het letsel niet door een val (van beperkte hoogte) is gekomen, maar door toedoen van de verdachte. De rechtbank ziet zich voor de vragen gesteld hoe het letsel waaraan [slachtoffer] uiteindelijk is overleden, is ontstaan, en of de verdachte daarvoor verantwoordelijk is.

Door welk letsel is [slachtoffer] overleden?

In het ziekenhuis is door de behandelend artsen geconstateerd dat bij [slachtoffer] sprake was van (onder andere) een bloedophoping onder het harde hersenvlies, uitgebreide hersenschade door zuurstoftekort, een bloeding in het ruggenmergkanaal en uitgebreide bloedingen in het netvlies van beide ogen. Na het overlijden van [slachtoffer] is op 10 mei 2023 door deskundige I.H.R. Hundscheid, forensisch patholoog bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) (hierna: Hundscheid), een gerechtelijke sectie op het lichaam van [slachtoffer] uitgevoerd. Vervolgens is door Hundscheid op 28 december 2023 een forensisch pathologisch rapport opgesteld, waarin is weergegeven wat de medische voorgeschiedenis van [slachtoffer] is en welke letsels postmortaal zijn vastgesteld. Samengevat blijkt daaruit dat het fataal verlopen letsel bestond uit een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies met als gevolg een zuurstoftekort van de hersenen, waardoor holtevorming in het hersenweefsel en een achteruitgang en zuurstoftekort van de zenuwen in de hersenstam en het ruggenmerg is ontstaan. Dit letsel heeft tot hersenfunctiestoornissen geleid, op basis waarvan de noodzaak tot ziekenhuisopname en het uiteindelijke overlijden van [slachtoffer] – na staken van de medische behandeling – worden verklaard.

Hoe is het letsel ontstaan?

De verklaring van de verdachte

Op hoofdlijnen heeft de verdachte als volgt verklaard. De dag verliep normaal. [slachtoffer] at, dronk en sliep goed. Rond 17.00 uur was hij wakker, gaf de verdachte hem de fles en op enig moment daarna is zij samen met [slachtoffer] en zijn broertje – de (bijna) tweejarige [naam] – naar de woonkamer gegaan. In de woonkamer lag vloerbedekking en daaroverheen een tapijt. Zij was op de bank de koran aan het lezen. Op een gegeven moment heeft [slachtoffer] zich aan de bank opgetrokken en is hij, terwijl hij stond met zijn handen op de zijkant van de bank, gevallen. [slachtoffer] schreeuwde hard, anders dan normaal, en daarna werden zijn handen en voeten slap en viel hij flauw. De verdachte heeft vervolgens haar echtgenoot geroepen, die in de kamer ernaast lag te slapen. In de panieksituatie die hierna ontstond, heeft haar echtgenoot [slachtoffer] zachtjes geschud om te kijken of hij ging ademen. Uiteindelijk is (via de bovenbuurman) contact opgenomen met noodnummer 112 en heeft de vader, op instructie van de centralist van 112, reanimatiehandelingen bij [slachtoffer] verricht.

Verder heeft de verdachte verklaard dat [slachtoffer] een aantal dagen eerder met zijn hoofd hard op de keukenvloer is gevallen, toen [naam] op de tafel van de loopstoel van [slachtoffer] sprong en [slachtoffer] omverviel. De verdachte dacht er toen over na om medische hulp voor [slachtoffer] op te zoeken, maar de vader van [slachtoffer] vond dit niet nodig. De dagen na deze val zou [slachtoffer] onrustiger gedrag dan gebruikelijk hebben vertoond, zoals ’s nachts huilend wakker worden, maar (tot aan het incident van 14 april 2023) was er geen alarmerend gedrag. Los van deze situatie kwam het volgens de verdachte wel vaker voor dat [naam] hardhandig met [slachtoffer] omging door bijvoorbeeld speelgoed tegen het hoofd van [slachtoffer] aan te gooien en was [slachtoffer] een aantal maanden eerder met zijn hoofd tegen de verwarming gevallen.

Tot slot heeft de verdachte gewezen op de medische voorgeschiedenis van [slachtoffer] . Sinds zijn geboorte zijn meerdere aandoeningen bij [slachtoffer] geconstateerd, waaronder een hartaandoening. Daarom moet er volgens de verdachte rekening mee worden gehouden dat zijn overlijden door een onderliggende aandoening, of door een combinatie van factoren, kan zijn veroorzaakt.

De verklaring van de vader

De vader van [slachtoffer] heeft op hoofdlijnen de verklaring van de verdachte bevestigd. Hij bevond zich in een andere kamer van het huis, toen hij plots een lange harde schreeuw van [slachtoffer] hoorde. Vervolgens zag hij in de woonkamer dat [slachtoffer] buiten bewustzijn was en hoorde hij van de verdachte dat [slachtoffer] was gevallen. Ook bevestigt hij dat [slachtoffer] een aantal dagen eerder in de keuken was gevallen en in de periode hierna een onrustige indruk maakte.

Onderzoek Nederlandse deskundigen

In het eerdergenoemde rapport van 28 december 2023 heeft Hundscheid benoemd dat het bij [slachtoffer] geconstateerde (ernstige) hersenletsel door één of meerdere impacts op het hoofd kan zijn veroorzaakt. Krachtsinwerkingen door vallen van beperkte hoogte en/of gebruikelijke ‘huis-, tuin- en keukenongevallen’ zijn in beginsel onvoldoende voor het ontstaan van een bloedophoping onder het harde hersenvlies of hersenletsel door zuurstoftekort. Verder wordt ten aanzien van de uitgebreide bloedingen in het netvlies, het glasvocht en rond de oogzenuwen van beide ogen gesteld dat hiervoor geen andere oorzaak is gebleken dan een hevige dynamische en/of botsende krachtsinwerking op het hoofd. Volgens Hundscheid is een toenemende uitgebreidheid van bloeduitstortingen in het netvlies in toenemende mate gecorreleerd met toegebracht letsel en worden bloeduitstortingen rond de oogzenuwen vaker gezien bij toegebracht hersenletsel dan bij accidenteel hersenletsel. Er zijn geen aanwijzingen voor ziekelijke afwijkingen die deze letsels bij [slachtoffer] kunnen verklaren.

Deskundige H.C. Terlingen, kinderarts en deskundige forensische geneeskunde

minderjarigen bij het NFI (hierna: Terlingen), heeft in de forensisch-medische rapportage van 12 januari 2024 onderzocht wat de waarschijnlijkheid van de letsels van [slachtoffer] is onder diverse scenario’s, waaronder de aangedragen scenario’s van de ouders, schudden en contacttrauma. Daarnaast heeft zij op de terechtzitting haar bevindingen toegelicht.

Een geboorteafwijking als oorzaak van de letsels wordt door haar uitgesloten. Voor ziekelijke of erfelijke afwijkingen die de (combinatie van) letsels hebben kunnen veroorzaken, zijn ook geen aanwijzingen. In het bijzonder merkt Terlingen hierover op dat, hoewel bij [slachtoffer] twee aangeboren hartafwijkingen zijn geconstateerd, het op basis van de medische gegevens – onder andere de omstandigheid dat er snel na het starten van de reanimatie weer een circulatie aanwezig was – veel waarschijnlijker is dat de hartstilstand bij [slachtoffer] het gevolg was van een probleem met de ademhaling dan een primair probleem van het hart. Verder vermeldt zij dat bij [slachtoffer] , vanwege de aangeboren afwijkingen, een mogelijke ontwikkelingsstoornis en bloedverwantschap van de ouders sprake kan zijn geweest van een genetische afwijking, maar dat haar vanuit de literatuur geen genetische aandoening bekend is waarbij de combinatie van letsels zoals bij [slachtoffer] aangetroffen – bloeduitstortingen onder het harde hersenvlies én uitgebreide netvlies- en glasvochtbloedingen én bloedingen bij het ruggenmerg en een acuut optredend moment met het ontstaan van reanimatiebehoefte en fatale hersenfunctiestoornissen – wordt beschreven. Verder concludeert Terlingen dat op basis van (het fatale beloop van) de klinische bevindingen, de vaststelling van een eerder op de dag normaal functionerend kind, de bevindingen bij aanvullend onderzoek en de afwezigheid van ondersteunende bevindingen voor een ziekte, de hersenfunctiestoornissen die bij [slachtoffer] optraden, duiden op doorgemaakte forse krachtsinwerking(en) op het hoofd van het type forse impact (botsend geweld op of tegen het hoofd) en/of acceleratie/deceleratiekrachten (zoals bij een schudincident) of een combinatie van beide. Een val van beperkte hoogte vanuit staande positie past daar niet bij, omdat de krachtsinwerking daarbij te gering is. Daarnaast is het passend dat zeer kort – seconden tot minuten – na die forse krachtsinwerking een reanimatiebehoeftige toestand is ontstaan. Het scenario dat [slachtoffer] bij een eerdere val hersenletsel heeft opgelopen en pas dagen later ernstige verschijnselen hiervan heeft vertoond, wordt daarom zeer onwaarschijnlijk geacht.

Al met al concludeert Terlingen dat de geconstateerde letsels in combinatie beschouwd veel waarschijnlijker zijn als ze door een krachtsinwerking zijn veroorzaakt dan wanneer ze een medische (ziekelijke) oorzaak hebben. Daarbij acht zij de geconstateerde letsels in combinatie beschouwd waarschijnlijker bij een niet-accidentele dan bij een accidentele krachtsinwerking. Zij benoemt dat de letsels niet passen bij de door de verdachte en haar echtgenoot vermelde toedrachten en dat er voor de letsels zoals gezien bij [slachtoffer] een forse krachtsinwerking nodig is. De krachten die spelen bij de door verdachte vermelde toedrachten, zijn te gering om dergelijk letsel te veroorzaken.

Onderzoek Duitse deskundige

Op verzoek van de verdediging heeft deskundige S. Banaschak (hierna: Banaschak), gespecialiseerd arts forensische geneeskunde bij het Universitair Ziekenhuis Keulen te Duitsland, een onafhankelijk tegenonderzoek uitgevoerd. Waar Terlingen de waarschijnlijkheid van de letsels zelf weegt onder de aangedragen scenario’s, is Banaschak nagegaan welke scenario’s passend zijn om de (combinatie van) letsels bij [slachtoffer] te veroorzaken. Ook Banaschak heeft op de terechtzitting een toelichting van haar onderzoeksresultaten gegeven. Volgens haar kunnen de bloedingen onder het harde hersenvlies en aan het netvlies enkel zijn ontstaan doordat bloedvaten scheuren. Daarvoor is een uitwendige krachtsinwerking vereist. Andere mogelijke oorzaken, zoals een val op de grond vanuit stilstaande positie, zijn niet geschikt om deze letsels teweeg te brengen en kunnen volgens haar dus worden uitgesloten. Daarnaast moeten de letsels direct voor de reanimatiebehoeftige toestand van [slachtoffer] zijn ontstaan. De door de verdachte beschreven (accidentele) val van [slachtoffer] in de woonkamer kan de reanimatiebehoeftige toestand van [slachtoffer] niet verklaren. De benodigde krachtsinwerking om (een deel van) de letsels te verklaren kan wel door gewelddadig schudden tot stand zijn gekomen.

Deskundigheid rapporteurs

Door de verdediging is aangevoerd dat Terlingen betrokken is geweest bij de totstandkoming van LECK-adviezen over [slachtoffer] en dat daardoor het risico bestaat dat zij daarna, bij het opstellen van de forensisch-medische rapportage, niet met open blik naar de situatie heeft kunnen kijken en alternatieven mogelijk niet serieus door haar zijn onderzocht. De rechtbank volgt dit niet. Zoals in voornoemde rapportage, maar ook door Terlingen ter terechtzitting is toegelicht, was zij zich hiervan bewust en heeft zij ter waarborging van haar objectiviteit de gegevens van het LECK pas na beoordeling van de andere medische gegevens bekeken. Bovendien is de medisch-forensische rapportage gebaseerd op veel meer en uitgebreidere (medische) informatie dan waarop de LECK-adviezen destijds waren gebaseerd. Ook is haar rapportage door een collega meegelezen. Tot slot heeft Terlingen in haar rapportage uitgebreid stilgestaan bij de door de verdachte aangedragen andere scenario’s die het letsel zouden kunnen verklaren en heeft zij haar bevindingen daarover inzichtelijk gemotiveerd op papier gezet.

Samengevat ziet de rechtbank in wat is aangevoerd door de verdediging geen aanleiding om te twijfelen aan de deskundigheid (en objectiviteit) van Terlingen en zal zij dan ook van die deskundigheid uitgaan. Datzelfde geldt voor de deskundigheid van Banaschak, die overigens niet door de verdediging in twijfel is getrokken.

Gelet op de deskundigheid van de rapporteurs zal de rechtbank ook uitgaan van de (juistheid van) de bevindingen en conclusies van deze deskundigen, zoals neergelegd in de door hen opgestelde rapportages.

Tussenconclusie rechtbank

De rechtbank leidt uit de deskundigenrapporten het volgende af. Er zijn geen onderliggende medische aandoeningen bij [slachtoffer] vastgesteld – en in zijn algemeenheid niet bekend – die de vastgestelde combinatie van letsels kunnen verklaren. Alleen een forse krachtsinwerking kan de combinatie van letsels bij [slachtoffer] verklaren. Bovendien moeten ernstige ziekteverschijnselen zich zeer snel na het ontstaan van het hersenletsel voordoen, waardoor de benodigde forse krachtsinwerking hooguit enkele minuten voor het intreden van de reanimatiebehoeftige toestand van [slachtoffer] kan hebben plaatsgevonden. De door de verdachte beschreven incidenten zijn qua tijdsduur te ver verwijderd van het intreden van de reanimatiebehoeftige toestand van [slachtoffer] , dan wel qua fysieke impact onvoldoende krachtig om de combinatie van letsels te kunnen veroorzaken. Daarom acht de rechtbank alle mogelijke verklaringen die de verdachte voor de letsels heeft gegeven onaannemelijk.

Naar het oordeel van de rechtbank resteert enkel de verklaring dat als gevolg van fors geweld, zoals het herhalend en zeer hevig schudden en/of het met kracht gooien van [slachtoffer] , ernstig hersenletsel bij [slachtoffer] is ontstaan en dat dit geweld kort voor het intreden van de reanimatiebehoeftige toestand van [slachtoffer] moet zijn toegepast.

Heeft de verdachte het letsel toegebracht?

Uit de verklaring van zowel de verdachte als de vader van [slachtoffer] volgt dat enkel de verdachte zich in de nabijheid van [slachtoffer] bevond op het moment dat [slachtoffer] symptomen van ernstig hersenletsel begon te vertonen. Omdat deze symptomen acuut na het ontstaan van zulk letsel verschijnen, kan het enkel de verdachte zijn geweest die het geweld heeft toegepast. Het (proberen wakker te) schudden van [slachtoffer] door zijn vader maakt deze conclusie niet anders, omdat dit volgens de verklaringen van de verdachte en haar echtgenoot pas plaatsvond nadat [slachtoffer] al reanimatiebehoeftig was en dit dus niet aan het ontstaan van dat letsel kan hebben bijgedragen.

Door de verdediging is nog naar voren gebracht dat er ten aanzien van het daderschap meerdere scenario’s mogelijk zijn. Gewezen is op OVC- en tapgesprekken die zich in het dossier bevinden. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Hoewel op basis van de bevindingen van de deskundigen kan worden vastgesteld dat de verdachte niet de waarheid heeft verklaard over wat [slachtoffer] is overkomen, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan haar verklaring dat zij de enige was die bij [slachtoffer] in de buurt was toen hij symptomen van ernstig hersenletsel begon te vertonen. De door de verdediging genoemde OVC- en tapgesprekken leiden niet tot zulke twijfel. Hoewel sommige van deze gesprekken tussen de verdachte en haar echtgenoot opmerkelijk zijn (zo lijkt de verdachte door haar echtgenoot te worden geïnstrueerd over wat zij moet zeggen over wat [slachtoffer] is overkomen en wat zij daarvan wel en niet heeft gezien, er wordt gesproken over ‘het geheim houden’ en over mogelijke getuigen tegen wie de echtgenoot moet zeggen dat ze ‘hun mond onder controle moeten houden’), bevestigen noch ontkrachten die gesprekken de verklaring van de verdachte (en haar echtgenoot) dat zij aanwezig was bij [slachtoffer] toen hij onwel werd en kort daarvoor. De rechtbank ziet geen aanleiding om de gesprekken zo te interpreteren dat daaruit aanwijzingen blijken voor een ander dan de verdachte die het letsel zou kunnen hebben toegebracht bij [slachtoffer] , zoals door de verdediging wordt gesuggereerd. Daarbij speelt mee dat naar het oordeel van de rechtbank uiterst terughoudend moet worden omgegaan met het interpreteren van dergelijke gesprekken, omdat deze dienen te worden bezien tegen de achtergrond van de situatie waarin de verdachte en haar echtgenoot zich in die periode bevonden. Ze werden gehoord door de politie over de gebeurtenissen op 14 april 2023, waarbij al bekend was dat Veilig Thuis melding bij de politie had gedaan over de gebeurtenissen en het LECK onder meer had geconcludeerd dat de bij [slachtoffer] aangetroffen letsels niet zondermeer pasten bij de gemelde toedracht. Daarnaast was [naam] tegen de wil van de verdachte en haar echtgenoot in uit huis geplaatst vanwege de gebeurtenissen. Die context maakt dat eventuele opmerkelijkheden in wat er tussen de verdachte en haar echtgenoot wordt gezegd, niet op zichzelf staan en bij de rechtbank niet tot twijfel leiden over dat het niet anders kan dan dat het de verdachte is geweest die de letsels bij [slachtoffer] heeft veroorzaakt.

Had de verdachte opzet op de dood van [slachtoffer] ?

Voor een bewezenverklaring van doodslag dient de rechtbank vast te stellen dat de verdachte met haar handelen opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op de dood van [slachtoffer] heeft gehad. De rechtbank ziet onvoldoende bewijs in het dossier dat de verdachte ‘vol’ opzet had op de dood van het slachtoffer, in die zin dat zij echt de bedoeling had om hem te doden. De rechtbank komt daarom toe aan de vraag of de verdachte opzet heeft gehad in voorwaardelijke zin.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – in dit geval de dood van [slachtoffer] – is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of het handelen van de verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij gekeken moet worden naar de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Daarbij zal het moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Bij de beantwoording van de (vervolg)vraag of de aanmerkelijke kans door de verdachte ook bewust is aanvaard, spelen de gedragingen van de verdachte eveneens een rol. Bepaalde gedragingen kunnen namelijk naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat het letsel bij [slachtoffer] moet zijn ontstaan door fors geweld. Het is een feit van algemene bekendheid dat een kind van nog geen jaar oud bijzonder kwetsbaar is. De kans dat het uitoefenen van forse kracht op (het hoofd van) een baby of het zeer heftig schudden van een baby tot de dood van die baby kan leiden, is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te noemen. Noch uit de verklaringen van de verdachte noch uit de medische rapportages kan de rechtbank afleiden wat voor geweld de verdachte precies heeft toegepast bij [slachtoffer] , maar vaststaat dat voor het ontstaan van het hersenletsel van [slachtoffer] dusdanig fors geweld moet zijn toegepast – zoals het zeer hevig schudden, zeer krachtig slaan of met kracht gooien van [slachtoffer] – dat het naar algemene ervaringsregels voor een ouder herkenbaar moet zijn dat een baby niet tegen zo’n heftige krachtsinwerking bestand is. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het handelen van de verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer op het toebrengen van dodelijk letsel aan [slachtoffer] was gericht, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het ontstaan van dit letsel bewust heeft aanvaard en dus opzet op de dood van [slachtoffer] heeft gehad.

Conclusie

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde doodslag heeft gepleegd.

De bewezenverklaring

De rechtbank is van oordeel het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

zij in de periode van 14 april 2023 tot en met 9 mei 2023 te Voorschoten en Leiden, althans in Nederland, haar zoon [slachtoffer] (geboren [geboortedatum 2] 2022) opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] vast te pakken en/of (vervolgens) te schudden, althans forse repeterende acceleratie-deceleratie krachtsinwerkingen te maken, en/of fors geweld op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] uit te oefenen.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om, in geval van een veroordeling van de verdachte, een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke strafdeel gelijk is aan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag op haar 10 maanden oude zoontje [slachtoffer] . De verdachte heeft hevig geweld toegepast waardoor [slachtoffer] ernstige en uiteindelijk fatale hersenschade kreeg. De verdachte heeft haar jonge baby het meest fundamentele recht ontnomen, namelijk het recht op leven. Het staat buiten discussie dat dit een ernstig feit is. [slachtoffer] was als baby volledig weerloos en afhankelijk van de verdachte, die op dat moment voor hem zorgde. [slachtoffer] hoorde van de verdachte als zijn moeder zorg, geborgenheid en bescherming te krijgen. Hierin is de verdachte op de meest vergaande wijze die men zich kan voorstellen tekortgeschoten. De dood van [slachtoffer] heeft niet alleen een intens, onvoorstelbaar en onuitwisbaar verlies binnen de familie veroorzaakt, maar ook als gevolg gehad dat de tweejarige [naam] tijdelijk uit huis werd geplaatst en in een pleeggezin moest verblijven. Daarnaast brengt het doden van een kind in de hele maatschappij gevoelens van verdriet en verontwaardiging teweeg.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 6 september 2025, waaruit blijkt dat zij niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.

Redelijke termijn

De redelijke termijn waarbinnen een strafzaak moet zijn afgedaan bedraagt twee jaren. In dit geval is de termijn aangevangen met de inverzekeringstelling van de verdachte op 6 maart 2024 en dus is de termijn op het moment van de einduitspraak met (ruim) zeven maanden overschreden. De strafzaak stond echter al in 2024 inhoudelijk gepland, maar is steeds uitgesteld omdat de – door de verdediging verzochte – contra-expertise nog niet gereed was. De rechtbank zal daarom volstaan met de constatering van overschrijding van de redelijke termijn en daaraan geen (strafverminderende) consequenties verbinden.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een Pro Justitia-rapport over de verdachte van 12 juli 2024. Daarin is vermeld dat er geen aanwijzingen zijn voor het bestaan van een psychische stoornis bij de verdachte. Gelet op het delictscenario, de ontkennende houding van de verdachte en haar blanco strafblad kan er geen inschatting van het recidiverisico of een passend behandelkader worden gemaakt.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 13 januari 2026. Ook daarin wordt geconcludeerd dat het risico op recidive niet kan worden ingeschat.

De op te leggen straf

Doodslag behoort tot de ernstigste delicten die onze rechtsorde kent. Het recht op leven is het meest fundamentele recht dat ieder mens bezit en het opzettelijk inbreuk maken hierop rechtvaardigt dan ook een jarenlange, onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank heeft er oog voor dat de verdachte zich al een zeer lange tijd in voorlopige hechtenis bevindt, terwijl haar echtgenoot zorgdraagt voor hun oudste zoon. Zij is bovendien in detentie bevallen van een derde kind dat kort na de geboorte bij haar is weggehaald en voor wie haar echtgenoot ook zorgdraagt. Onder die omstandigheden is invoelbaar dat de detentie de verdachte heel zwaar valt. Verder rekent de rechtbank het de verdachte zwaar aan dat zij geen openheid van zaken heeft gegeven en dat daardoor de nabestaanden nog steeds niet weten wat er is gebeurd met [slachtoffer] .

De rechtbank heeft ter oriëntatie naar de hoogte van opgelegde gevangenisstraffen in vergelijkbare zaken gekeken. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van zeven jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Voorlopige hechtenis

De raadsman heeft verzocht om bij een veroordelend vonnis de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen dan wel te schorsen.

De rechtbank is van oordeel dat de gronden die tot het verlenen van het bevel tot voorlopige hechtenis hebben geleid, onverkort aanwezig zijn. Het schorsen van de voorlopige hechtenis is gelet op de ernst van het bewezen verklaarde feit en de aangenomen gronden voor voorlopige hechtenis evenmin aan de orde. De rechtbank wijst de verzoeken dan ook af.

7. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Dit voorschrift is toegepast zoals het ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens gold dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens geldt.

8. De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

doodslag;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 7 (ZEVEN) JAREN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. V.J. de Haan, voorzitter,

mr. J.L.E. Bakels, rechter,

mr. T.W. van Gessel, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. F. Aksu en J.I. Poelsma MSc, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 oktober 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. V.J. de Haan
  • mr. J.L.E. Bakels
  • mr. T.W. van Gessel

Griffier

  • mr. F. Aksu en J.I. Poelsma MSc

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand