RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.62557
geboren op [geboortedatum] ,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A.M. Veld)
en
(gemachtigde: mr. L. Drenthe).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Eritrese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op
[geboortedatum] . De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van
16 december 2025 in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij de Eritrese nationaliteit heeft en dat hij vanwege de militaire dienstplicht Eritrea illegaal heeft verlaten.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
De minister vindt het eerste asielmotief niet geloofwaardig. Eiser heeft geen identificerende documenten overgelegd en heeft daarvoor geen goede verklaring. Gelet op de inhoud van landeninformatie zou eiser, mede vanwege zijn schoolgang, over verschillende identificerende documenten moeten kunnen beschikken. Niet wordt ingezien waarom eiser dergelijke documenten niet kan overleggen. Volgens de minister vormen de verklaringen van eiser over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst ook geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser heeft verklaard dat hij enkel Tigrinya spreekt. Dit toont niet aan dat hij daadwerkelijk afkomstig is uit Eritrea en de Eritrese nationaliteit heeft, aangezien deze taal ook in Ethiopië gesproken wordt. Verder blijkt uit verschillende openbare bronnen dat meertaligheid in Eritrea de norm is. Daarnaast maakt eiser met de beantwoording van enkele topografische vragen over het land en de woonomgeving zijn identiteit, nationaliteit en herkomst nog niet aannemelijk. Tot slot vindt de minister dat eiser over onvoldoende algemene kennis van Eritrea beschikt. Van eiser mag worden verwacht dat hij meer uitgebreid, gedetailleerd en in overeenstemming met beschikbare landeninformatie weet te verklaren over algemene zaken in Eritrea, zoals de wijze van oproepen voor militaire dienst of school. Eiser heeft bovendien onvoldoende gedetailleerd en niet consistent over zijn uitreis verklaard.
De minister toetst het tweede en derde asielmotief niet op geloofwaardigheid, omdat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet geloofwaardig worden gevonden. De minister komt tot de conclusie dat de asielaanvraag moet worden afgewezen.
De integrale geloofwaardigheidsbeoordeling
5. Eiser voert onder verwijzing naar een aantal uitspraken van deze rechtbank aan dat er een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling moet worden gemaakt. De minister heeft deze beoordeling in dit geval niet gemaakt, aangezien de aanvraag volgens eiser enkel is afgewezen vanwege het ontbreken van documenten.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank ziet in deze procedure geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de minister geen integrale beoordeling heeft verricht of in strijd met het Unierecht heeft gehandeld. Uit het bestreden besluit volgt niet dat de minister enkel heeft beoordeeld of eiser aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid Vw voldoet. Evenmin heeft de minister overwogen dat het niet voldoen aan een van deze voorwaarden automatisch leidt tot de beslissing dat het relaas ongeloofwaardig is. Anders dan eiser stelt, is de aanvraag bovendien niet alleen afgewezen vanwege het ontbreken van documenten. De minister heeft, met andere woorden, geen checklist afgewerkt, maar heeft eerst de relevante asielmotieven geïnventariseerd en heeft vervolgens de geloofwaardigheid van eisers identiteit, nationaliteit en herkomst beoordeeld. Daarbij heeft hij in aanmerking genomen dat eiser geen goede verklaring heeft voor het ontbreken van documenten en heeft hij ook de verklaringen van eiser gewogen en beoordeeld. Verder heeft hij landeninformatie betrokken. Van een slechts afvinkmatige beoordeling is dan ook geen sprake.
Het referentiekader
6. Eiser voert daarnaast aan dat de minister bij zijn beoordeling onvoldoende rekening houdt met zijn referentiekader. Uit de gehoren komt namelijk duidelijk naar voren dat eiser zeer beperkt is. Toch verwacht de minister veel van hem.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met eisers referentiekader. De minister heeft namelijk gemotiveerd dat hij eisers leeftijd, zijn schoolgang tot klas zeven en de omstandigheid dat eiser op het platteland is opgegroeid bij de beoordeling van de verklaringen over de herkomst in aanmerking neemt. Uit het medisch advies van
6 februari 2025 blijkt verder niet dat sprake is van een verstandelijke beperking. Hieruit volgt wel dat eiser moeite heeft met het noemen van precieze data. De minister heeft eiser daarom terecht niet tegengeworpen dat zijn verklaringen over de tijdlijn niet kloppen. De rechtbank constateert daarnaast dat tijdens het gehoor rekening is gehouden met het referentiekader van eiser. De vragen zijn eenvoudig, worden uitgelegd of anders verwoord als dat nodig blijkt. Wanneer eiser een beetje afwezig lijkt en niet goed op vragen reageert, geeft eiser aan dat het goed met hem gaat. Wanneer de gehoormedewerker opmerkt dat eiser op bepaalde vragen stil blijft, stelt deze de vraag nogmaals. Eiser verklaart in reactie hierop dat het goed met hem gaat. Hij geeft bovendien aan wanneer hij iets niet begrijpt. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat de stelling dat eiser zeer beperkt is, niet met (medische) stukken wordt onderbouwd.
De geloofwaardigheid van eisers identiteit, nationaliteit en herkomst
7. Eiser voert aan dat de minister zijn identiteit, nationaliteit en herkomst ten onrechte niet geloofwaardig heeft geacht en draagt daartoe een aantal argumenten aan. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank legt dat hieronder uit.
Documenten
Eiser vindt dat de minister van hem ten onrechte een hogere inspanning verwacht om met alternatieve bewijsmiddelen te komen waarmee hij zijn identiteit, nationaliteit en herkomst kan onderbouwen. Eiser is nooit in het bezit geweest van de door de minister genoemde documenten. Openbare bronnen geven aan dat de betreffende documenten, zoals de tassiera, alleen in steden gebruikelijk zijn. Eiser verwijst naar het Algemeen Ambtsbericht van Eritrea van december 2025 waarin staat dat de praktijk ten aanzien van het afnemen van overheidsdiensten en welke identificerende documenten daarvoor nodig zijn, niet consistent was en mede afhankelijk van de woonplaats.
De rechtbank is van oordeel dat de minister eiser op goede gronden heeft tegengeworpen dat hij geen enkel document ter onderbouwing van zijn identiteit, nationaliteit of herkomst heeft overgelegd en dat hij daarvoor geen goede verklaring heeft. De minister heeft zich hierbij gebaseerd op het Algemeen Ambtsbericht Eritrea van 2023, waaruit volgt dat identiteitspapieren noodzakelijk zijn om te functioneren in de Eritrese samenleving. Niet blijkt dat deze informatie achterhaald is door het recentere ambtsbericht van 2025, waarnaar eiser verwijst. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister er terecht op gewezen dat uit deze landeninformatie volgt dat kinderen die naar school gaan meestal een identiteitsbewijs voor scholieren, een tassiera, bezitten. Eiser zou daarom ook over een dergelijk document moeten kunnen beschikken. Daarnaast heeft de minister terecht naar voren gebracht dat eiser ook een doopakte of een geboorteakte had kunnen overleggen. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat de minister eiser zowel in het aanmeldgehoor als in het nader gehoor heeft gewezen op het belang van het (alsnog) onderbouwen van zijn identiteit, herkomst en nationaliteit. Niet is gebleken dat eiser, die heeft verklaard in contact te staan met zijn familie in Eritrea, daartoe enige inspanning heeft verricht.
De afgelegde verklaringen
Eiser stelt zich op verder op het standpunt dat hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat zijn verklaringen geen samenhangend geheel vormen en dat hij onvoldoende kennis heeft van de militaire dienstplicht. Dat hij geen details weet, past bij wat hij ziet en past bij zijn referentiekader. Dit past ook bij het feit dat hij niet in militaire dienst is geweest en het niet zelf heeft meegemaakt. Eiser kan zich evenmin verenigen met de stelling van de minister dat hij weinig gedetailleerd over de uitreis heeft verklaard. Hij heeft namelijk de plaatsen genoemd waar hij is geweest.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister heeft eiser kunnen tegenwerpen dat hij onvoldoende kennis heeft over algemene zaken in Eritrea, zoals de wijze van oproepen voor militaire dienst of school. Dat hij de dienstplicht zelf niet heeft meegemaakt, doet daaraan niet af. De minister verwacht van eiser bovendien terecht dat hij voldoende kennis van de militaire dienstplicht heeft, omdat hij stelt dat dit de reden is voor zijn illegale uitreis en zijn asielaanvraag. De rechtbank is van oordeel dat de minister eiser ook op goede gronden heeft tegengeworpen dat hij niet meer weet te vertellen over school, aangezien hij aangeeft dat hij tot de zevende klas naar school is geweest. Daarbij kon de minister het niet aannemelijk vinden dat hij op dat moment 19 jaar was. De minister kon hierbij in aanmerking nemen dat de plaats waar eiser vandaan stelt te komen een groot dorp is. Hij komt dus niet van het (afgelegen) platteland. Dat eiser ook enkele topografische vragen over het land en de woonomgeving heeft kunnen beantwoorden, maakt niet dat de minister de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig heeft moeten vinden. De omstandigheid dat eiser (enige) kennis heeft over een land of woonomgeving zegt immers nog niets over een (langdurig) verblijf in dat land. Deze kennis kan bovendien eenvoudig via diverse openbare bronnen worden verkregen. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de minister eiser terecht heeft tegengeworpen dat hij niet consistent heeft verklaard over de uitreis en dat dit afdoet aan zijn algehele geloofwaardigheid. Dat hiervoor in de correcties en aanvullingen een uitleg is gegeven, doet hier niet aan af. Deze verklaring is immers pas gevolgd, nadat eiser in het nader gehoor op deze inconsistenties is gewezen.
Taal
Daarnaast voert eiser aan dat op grond van de samenwerkingsplicht een taalanalyse had moeten worden aangeboden. Door een taalanalist is namelijk wel degelijk een onderscheid te maken tussen het Ethiopische en het Eritrese Tigrinya. Verder brengt eiser naar voren dat de stelling van de minister dat mensen in Eritrea meertalig zijn niet klopt. Uit meerdere bronnen volgt namelijk dat de meeste mensen in Eritrea maar één taal spreken. De minister stelt daarnaast dat het beleid is om op school Engels te spreken. Uit bronnen volgt echter dat dit voornamelijk in de steden gebeurt. Bovendien is het een verkeerde veronderstelling dat het beleid van de Eritrese overheid in de praktijk wordt uitgevoerd.
De rechtbank is van oordeel dat de minister geen aanleiding heeft hoeven zien om een taalanalyse uit te voeren. Daarbij heeft de minister in aanmerking kunnen nemen dat een taalanalyse geen uitspraak over de nationaliteit kan doen en dat de onderscheidende waarde ervan in dit geval ook voor de herkomst beperkt is, omdat de taal niet uitsluitend in Eritrea wordt gesproken, maar ook daarbuiten. De omstandigheid dat er dialectkenmerken zijn, maakt dit niet anders. Voordat een taalanalyse tot betrouwbare resultaten kan leiden, moet namelijk worden onderzocht of er sprake is van een taalonderscheid dat redelijk samenvalt met de staatkundige grenzen die voor het asielbesluit relevant zijn. Niet gebleken is dat er een eenduidig beeld bestaat van dialectkenmerken die iemand binnen of buiten de grenzen van Eritrea kunnen plaatsen.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk maakt dat hij uit Eritrea komt door de omstandigheid dat hij alleen Tigrinya spreekt. De minister heeft namelijk in aanmerking genomen dat uit verschillende openbare bronnen blijkt dat meertaligheid in Eritrea de norm is. In deze door de minister genoemde bronnen staat dat in Eritrea geen strikt eentalige gebieden bestaan en dat een groot deel van de bevolking naast de moedertaal nog in enige mate een andere taal of talen beheerst. Dat uit de bronnen die eiser aandraagt volgt dat er ook Eritreeërs zijn die alleen hun moedertaal beheersen en dat het gebruik van Tigrinya toeneemt, doet hier niet aan af. De minister heeft er namelijk terecht op gewezen dat eiser tot klas zeven op school heeft gezeten en dat daarom van hem verwacht mag worden dat hij enige kennis heeft van de Engelse taal.
Conclusie en gevolgen
8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dijkstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.