RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.6815
(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en
(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat de afvalligheid van eiser niet als asielmotief hoefde te worden aangemerkt. Ook mocht de minister de problemen van eiser met de Houthi’s door zijn werkzaamheden ongeloofwaardig achten. De minister heeft verder terecht gesteld dat eiser bij terugkeer naar Jemen geen reëel risico op ernstige schade loopt vanwege het incident over het tijdschrift en vanwege zijn werkzaamheden voor de [organisatie] . De minister heeft verder voldoende gemotiveerd dat in Jemen sprake is van een minder uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en dat het beroep op artikel 3 van het EVRM niet slaagt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 12 januari 2026 afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend, waarop eiser vervolgens heeft gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 29 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. [persoon] als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
3. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Jemenitische nationaliteit en behoort tot de islamitische bevolkingsgroep. Eiser is sinds 2010 werkzaam als sociaal- en vrijwillig netwerker bij een lokale [organisatie] . Hierbij heeft eiser meerdere evenementen georganiseerd, waaronder TEDx-bijeenkomsten en startupprojecten. Vanwege de werkzaamheden en controles op vergunningen door de Houthi’s heeft eiser problemen gehad. Eiser staat op een lijst van de Houthi’s vanwege het verspreiden van tijdschriften over normalisering in relatie tot Israël. Ook is eiser afvallig en heeft hij problemen gehad vanwege een video waarop zijn vrouw zonder hoofdbedekking te zien is. Bij terugkeer naar Jemen vreest eiser voor problemen met de veiligheids- en inlichtingendiensten.
Ter onderbouwing van zijn asielrelaas heeft eiser de volgende documenten overgelegd: een Jemenitisch paspoort, een Jemenitische identiteitskaart, een familieboekje, twee huwelijksdocumenten, foto’s, contracten, een tijdschrift, rapporten en een lijst met weblinks.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. werkzaamheden voor de [organisatie] ;
3. problemen met de Houthi’s door de werkzaamheden.
Het eerste en tweede asielmotief van eiser zijn door de minister geloofwaardig geacht. Het derde asielmotief, de problemen met de Houthi’s door de werkzaamheden, is niet geloofwaardig geacht. Eiser heeft dit asielmotief niet onderbouwd met objectieve documenten. Het asielmotief is niet alsnog geloofwaardig, omdat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Ook heeft eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en heeft hij daar geen goede verklaring voor. Volgens de minister is eiser geen vluchteling en loopt eiser bij terugkeer naar Jemen geen reëel risico op ernstige schade. De minister heeft de aanvraag daarom afgewezen als ongegrond.
Heeft de minister de afvalligheid van eiser ten onrechte niet inhoudelijk beoordeeld als asielmotief?
6. Eiser betoogt dat de minister de afvalligheid van eiser ten onrechte niet inhoudelijk heeft beoordeeld als zelfstandig asielmotief. Eiser kwam na eigen en lang onderzoek tot de conclusie dat er geen religie bestaat. Ook gelooft eiser niet in religie. Na de komst van de Houthi’s heeft eiser besloten om geen religie meer te hebben. De problemen van eiser houden mede verband met zijn afvalligheid. Eiser voert aan dat hij dit asielmotief om goede redenen pas later naar voren heeft gebracht. Zijn afvalligheid is een persoonlijke overtuiging die in Jemen niet openlijk kan worden uitgedragen. De ernst hiervan kon dan ook pas in Nederland worden uitgedrukt. De minister gaat ook ten onrechte niet in op de toegedichte afvalligheid. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waaruit blijkt dat er geen concrete problemen zijn vanwege de foto’s van zijn echtgenote zonder hoofddoek. De verklaringen van eiser in het nader gehoor bevatten een concreet verloop van de dreiging. Zijn echtgenote heeft op Instagram foto’s geplaatst zonder hoofdsluier en een van haar volgers is waarschijnlijk de vrouw van een veiligheidsagent. Eiser door de recherche gebeld en bedreigd en er werd hem verteld dat hij zijn vrouw moest terugbrengen naar Jemen.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat de afvalligheid van eiser geen asielmotief is. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat een asielmotief een feit of omstandigheid is die raakt aan tenminste één onderwerp of verhaallijn dat in verband staat met vluchtelingschap dan wel de subsidiaire beschermingsstatus. De minister stelt zich terecht op het standpunt gesteld dat de afvalligheid van eiser niet is aangemerkt als asielmotief omdat eiser geen vrees aan zijn afvalligheid heeft gekoppeld. Eiser heeft ook zelf verklaard dat ze in Jemen niet weten dat hij afvallig is. De rechtbank volgt het betoog van eiser dat de minister ook had moeten ingaan op de toegedichte afvalligheid dan ook niet. Ten aanzien van de foto’s van zijn echtgenote zonder hoofddoek die op Instagram zijn geplaatst, stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser niet heeft uitgelegd welke problemen hij concreet heeft ondervonden door deze foto’s. De door eiser geschetste problemen worden door eiser niet gekoppeld aan zijn afvalligheid maar aan de problemen met de Houthi’s.
Mocht de minister de problemen van eiser met de Houthi’s door zijn werkzaamheden ongeloofwaardig achten?
7. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat zijn problemen met de Houthi’s door zijn werkzaamheden ongeloofwaardig zijn.
Omdat dit asielmotief niet volledig met objectieve documenten is onderbouwd heeft de minister geoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. In dat kader heeft de minister eiser het volgende tegengeworpen: tegenstrijdige verklaringen over de aanvraag van een vergunning voor evenementen, tegenstrijdige verklaringen over de lijst ‘Al Harb Naima/soft oorlog’ waar eisers naam op staat, de gestelde ervaren dreiging komt niet overeen met eisers eigen verklaringen, tegenstrijdige en vage verklaringen over de oproep van Abu Amjah en wisselende verklaringen over aansluiting bij een bepaalde groepering. Voorts is het asielmotief niet alsnog geloofwaardig omdat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en daartoe geen goede reden heeft.
Tegenstrijdige verklaringen over de aanvraag van een vergunning voor evenementen
Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de aanvraag van een vergunning voor evenementen. Eiser heeft een tijdlijn en een procedurele ontwikkeling beschreven. Eerst werden vergunningen schriftelijk verstrekt door de overgebleven instanties van het oude regime. Daarna nam de Supreme Council for the Administration and Coordination of Humanitarian Assistance (Scamcha; een orgaan van de Houthi’s) de controle over, waarna de procedures fundamenteel veranderden en de afwijzing mondeling werd gedaan. Een inwilliging werd alsnog soms schriftelijk verleend. In het nader gehoor heeft eiser bovendien beschreven hoe het verkrijgen van een vergunning er aan toe gaat in Jemen. In de correcties en aanvullingen is verduidelijkt dat bij een evenement een voorstel gedaan moet worden bij de inlichtingen- en veiligheidsdienst van de Houthi’s. De minister heeft dit niet duidelijk weerlegd.
De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het arrest van het Hof van Justitie in Ebilum, het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid zal beoordelen. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten van de relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom niet langer, wanneer zij het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid toetst, beoordelen of de minister zich ‘niet ten onrechte’ op een bepaald standpunt heeft gesteld. Dit in aanmerking nemend oordeelt de rechtbank dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over het verlenen van een vergunning voor evenementen. Van eiser mag, gezien zijn referentiekader, worden verwacht dat hij kan verklaren over hoe het traject van het aanvragen van een vergunning voor evenementen eruit ziet. Op de zitting heeft de minister toegelicht dat de tegenstrijdige verklaringen blijken uit het nader gehoor van eiser. Eiser heeft in het nader gehoor een verandering in de procedure omschreven, waarbij het lijkt dat een schriftelijk document juist belangrijker is geworden. Eiser bevestigt vervolgens dat hij op papier te horen heeft gekregen of zijn aanvraag ingewilligd of afgewezen werd. Daarna ontkent eiser dat hij een papieren document kreeg, wat wordt bevestigd in de zienswijze. Eiser heeft niet verduidelijkt vanaf welk moment de Houthi’s geen papieren vergunningen meer verstrekten of in welke bijzondere situaties dit wel gebeurde, waardoor eiser de door hem betoogde fundamentele verandering onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Dit mocht de minister zwaar meewegen, omdat het onder het regime van de Houthi’s juist belangrijk is om een papieren vergunning aan de veiligheidsdiensten te kunnen tonen. Ook stroken de verklaringen van eiser in de zienswijze niet met zijn verklaringen tijdens het nader gehoor of met hetgeen in de correcties en aanvullingen is aangevoerd.
Tegenstrijdige verklaringen over de lijst ‘Al Harb Naima/soft oorlog’ waar de naam van eiser op staat
Eiser betoogt dat het standpunt van de minister dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de hiervoor bedoelde lijst, berust op een misinterpretatie van de verklaringen van eiser. Eiser heeft met zijn verklaring dat zijn vriend zijn naam op de lijst heeft gezien en zijn verklaring dat er geen lijst is, bedoeld te zeggen dat hij zelf niet beschikt over een kopie van een intern veiligheidsdocument, omdat deze documenten niet aan burgers worden verstrekt. Hierbij verwijst eiser naar het nader gehoor, waarin eiser heeft verklaard dat de Houthi’s geen documenten gebruiken voor hun werk omdat zij niet onder de wet vallen. Het enkel ontbreken van een kopie van de lijst doet niet af aan het bestaan van de lijst in interne registraties van de veiligheidsdiensten. Het bestaan van een lijst met de naam van eiser erop betekent niet dat er een document bestaat zoals de minister bedoelt.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de lijst. Tijdens het nader gehoor is aan eiser gevraagd om toe te lichten dat er geen document bestaat, maar dat er wel een lijst is. Eiser heeft daarop verklaard dat de Houthi’s geen documenten gebruiken voor hun werk. Het is daarmee niet duidelijk geworden of er wel of geen lijst bestaat. Dit heeft de minister terecht aan eiser tegengeworpen. Bovendien komt het betoog van eiser uit de zienswijze niet overeen met wat eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard of met wat eiser in de correcties en aanvullingen naar voren heeft gebracht. De verklaringen van eiser in beroep maken dit niet anders, aangezien ook deze verklaringen geen duidelijkheid verschaffen over het al dan niet bestaan van de lijst.
Tegenstrijdige en vage verklaringen over de oproep van Abu Amjah
Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de verklaringen van eiser over de oproep van Abu Amjah tegenstrijdig zijn. Allereerst betoogt eiser dat de minister de door hem ingediende correcties en aanvullingen onvoldoende heeft betrokken in de besluitvorming. In het nader gehoor is de term ‘bericht’ gebruikt. In de correcties en aanvullingen is verduidelijkt dat het niet een bericht betrof maar dat eiser gebeld is. Door het incident nog als bericht te kwalificeren schendt de minister het zorgvuldigheidsbeginsel. Verder stelt eiser dat uit het nader gehoor blijkt dat er concrete elementen zijn die de oproep aannemelijk maken. Eiser is gebeld door een privé-nummer, achtervolgd door een voertuig met een camouflage-print en de persoon in de auto vertelde dat hij voor Scamcha werkt. Eiser is toen in de auto gestapt en meegegaan. Omdat eiser alleen met de persoon in de auto zat, dacht hij dat het minder gevaarlijk was. Hierbij ligt de nuance op minder gevaarlijk, omdat dit een risico-inschatting is binnen de bedreigende situatie. Dit is geen ontkenning van het gevaar. Het gedrag van eiser is, in combinatie met het telefoontje, de achtervolging van de auto en het sturen van de live-locatie naar zijn vrouw, consistent met de reële vrees. De minister heeft deze elementen onvoldoende in onderlinge samenhang betrokken.
De rechtbank oordeelt als volgt. Op de zitting heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de door eiser ingediende correcties en aanvullingen zijn meegenomen in de besluitvorming. Uit het bestreden besluit blijkt dat het incident waarbij eiser werd achtervolgd is meegewogen. Dat niet kenbaar uit het bestreden besluit blijkt dat de discussie over of het een telefoongesprek of een bericht is meegenomen maakt dit niet anders, aangezien de minister zich op zitting terecht op het standpunt heeft gesteld dat dit niet relevant is voor de (inhoudelijke) beoordeling. De minister stelt zich voorts terecht op het standpunt dat eiser tegenstrijdig en vaag heeft verklaard over de oproep van Abu Amjah. Niet valt in te zien waarom eiser instapt bij een onbekend persoon, aangezien hij niet zeker wist of hij te maken had met iemand van de veiligheidsdienst en er geen sprake leek te zijn van een directe dreiging. De verklaring van eiser dat hij dit kon zien aan de bruine kleur en camouflageprint van de auto volgt de minister terecht niet, aangezien deze gebeurtenis zich ’s avonds en dus in het donker afspeelde, het voertuig achter eiser aanreed en geen kentekenplaat bevatte. Gelet hierop blijft het vaag hoe eiser zo snel tot de conclusie kwam dat hij met de veiligheidsdienst te maken had en de opdracht moest opvolgen. Uit de verklaring van eiser blijkt niet dat hij telefonisch te horen heeft gekregen met wat voor partij hij te maken had. Bovendien valt niet in te zien waarom het risico lager was omdat eiser maar met één persoon in de auto zat, terwijl eiser daarvoor de situatie heeft omschreven als dusdanig gevaarlijk dat hij wel moest parkeren en instappen om geweld te voorkomen. Dit maakt dat de verklaringen van eiser tegenstrijdig en vaag zijn.
Te laat indienen van de asielaanvraag
Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waaruit blijkt dat het laat indienen van zijn asielaanvraag afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas. Eiser twijfelde, beschikte over een geldig visum en oriënteerde zich op zijn opties. Dit doet geen afbreuk aan de reële vrees van eiser. De enkele motivering van de minister dat eiser zijn asielaanvraag binnen 48 uur had moeten indienen is onvoldoende om voorbij te gaan aan het betoog van eiser. Hierbij verwijst eiser naar het arrest Chakroun, waaruit blijkt dat een asielaanvraag individueel beoordeeld moet worden.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser geen verschoonbare reden heeft voor het te laat indienen van zijn asielaanvraag. Er is begrip voor het feit dat mensen enige tijd nodig hebben om hun asielaanvraag in te dienen, waarvoor de 48-uurstermijn bestaat. Eiser heeft enkel als reden gegeven dat hij twijfelde of hij asiel wilde aanvragen omdat hij nog over een visum beschikte, hetgeen geen verschoonbare reden oplevert. Er zit een zekere urgentie aan het vragen van internationale bescherming, omdat eiser stelt niet terug te kunnen keren naar het land van herkomst. Als eiser internationale bescherming wil, mag van hem worden verwacht dat hij zo spoedig mogelijk asiel aanvraagt. De verwijzing van eiser naar het arrest Chakroun maakt dit niet anders, aangezien de asielaanvraag van eiser individueel is beoordeeld.
Tussenconclusie
8. Deze beroepsgronden slagen niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de problemen van eiser met de Houthi’s door zijn werkzaamheden ongeloofwaardig zijn.
Heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade loopt vanwege het incident over het tijdschrift?
9. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat het incident over het tijdschrift geen reëel gevaar oplevert bij terugkeer naar Jemen. Ten onrechte stelt de minister dat de link met het tijdschrift ‘Arabia Felix’ onvoldoende is omdat de naam van eiser niet in het tijdschrift staat en dat niet duidelijk is hoe eiser hieraan wordt gekoppeld. Eiser heeft verklaard dat het tijdschrift de aanleiding is voor de problemen. De Houthi’s hebben dit gezien en de normalisering met Joden ligt gevoelig. Eiser heeft een contract/overeenkomst overgelegd waaruit blijkt dat hij projectmanager van de distributie en activiteiten was. Ook heeft eiser het eindrapport dat voor het tijdschrift is gebruikt overgelegd, net als het tijdschrift zelf. Het tijdschrift behoort tot het programma van de GIZ, dit is een ontwikkelingsproject waar eiser aan meedeed. Eiser verspreidde hierbij tijdschriften op scholen. Het enkele feit dat de naam van eiser niet in de publicatie staat moet niet doorslaggevend zijn. Het gaat hierbij om de rol/activiteit van eiser in het tijdschrift, die blijkt uit de overgelegde projectdocumentatie. De naam van eiser wordt genoemd in het contract en in het eindrapport. Dit is een hoog risico-thema in de perceptie van de Houthi’s, waardoor de minister dit inhoudelijk had moeten onderzoeken.
Het betoog slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser zijn problemen door het tijdschrift niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft verklaard dat zijn naam niet voorkomt in het tijdschrift. Ook valt niet in te zien hoe eiser in verband wordt gebracht met het tijdschrift, omdat eiser hier verder niet over heeft verklaard. De door eiser overgelegde overeenkomst is onvoldoende om zijn problemen aannemelijk te maken. Ook heeft eiser niet inzichtelijk gemaakt hoe zijn betrokkenheid bij de verspreiding van het tijdschrift tot problemen heeft geleid. Dit mocht, gezien het referentiekader van eiser, wel van hem verwacht worden. Het enkele feit dat de naam van eiser wordt genoemd in het contract en in het eindrapport maakt dit niet anders. Dit had de minister dan ook niet inhoudelijk hoeven te onderzoeken. De minister heeft zich in het verweerschrift ook terecht op het standpunt gesteld dat ook als eiser gevolgd kan worden in zijn betoog dat uit het overgelegde tijdschrift blijkt dat hij daarbij betrokken is geweest, daarmee nog niet gegeven is dat hij als gevolg van een publicatie in dat tijdschrift in de negatieve aandacht van de Houthi’s is komen te staan.
Heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de werkzaamheden van eiser voor de [organisatie] geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer oplevert?
10. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waaruit blijkt dat hij bij terugkeer naar Jemen geen reëel risico op ernstige schade loopt vanwege zijn werkzaamheden voor de [organisatie] . De minister heeft de werkzaamheden van eiser voor de [organisatie] geloofwaardig geacht. Ter staving van zijn betoog heeft eiser een brief van de [organisatie] overgelegd. Hieruit volgt dat eiser bescherming nodig heeft vanwege zijn werkzaamheden voor de [organisatie] . Oud-werknemers van de [organisatie] lopen het risico op vervolging door zowel de Houthi’s als door de autoriteiten in Jemen.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Jemen een risico op ernstige schade loopt door zijn werkzaamheden voor de [organisatie] . Er is geen reden om aan te nemen dat de door eiser verrichte werkzaamheden voor de [organisatie] op zichzelf hebben geleid of in de toekomst tot problemen zullen leiden. De minister heeft terecht in de overgelegde brief geen aanleiding hoeven zien om een ander standpunt in te nemen: de brief beschrijft namelijk slechts in algemene zin de potentiële risico’s. De minister heeft weliswaar erkend dat werknemers van [organisatie] ’s vervolgd kunnen worden in Jemen maar stelt terecht dat deze vrees wel geïndividualiseerd moet worden. Hier is eiser niet in geslaagd: hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk een risico op vervolging loopt.
Is voor eiser sprake van een binnenlands vestigingsalternatief?
11. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een binnenlands vestigingsalternatief in Hadramaut of Al Mahra.
Op de zitting heeft de minister toegelicht dat het binnenlands vestigingsalternatief in het bestreden besluit ten overvloede is opgenomen. Uit het verweerschrift blijkt ook dat het bestaan van een binnenlands vestigingsalternatief niet aan eiser wordt tegengeworpen. Om die reden behoeft deze beroepsgrond geen verdere bespreking.
Heeft de minister voldoende gemotiveerd dat in Jemen sprake is van een minder uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn?
12. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de situatie in Jemen, met name in Sana’a, niet leidt tot de hoogste gradatie van willekeurig geweld in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Eiser betoogt dat het huidige beleid over Jemen geen stand kan houden omdat het niet voldoet aan de uitspraak van de Afdeling. In dit kader verwijst eiser naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, waaruit volgt dat het beleid van de minister een onvoldoende concrete beoordeling is van de vraag of de actuele humanitaire omstandigheden in de betreffende provincie het directe of indirecte gevolg zijn van het handelen van strijdende partijen. Ook verwijst eiser naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, waarin is geoordeeld dat de minister met de beleidswijziging niet heeft voldaan aan de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025. Uit recente rechtspraak volgt verder dat de minister moet motiveren waarom sprake is van een ‘minder uitzonderlijke situatie’ van willekeurig geweld, in hoeverre de humanitaire situatie komt door het handelen van strijdende partijen en hoe de individuele omstandigheden van eiser in onderlinge samenhang met de algemene situatie worden beoordeeld. Hier heeft de minister niet aan voldaan. Het bestreden besluit bevat geen adequate beoordeling van de humanitaire situatie en ook geen beoordeling of de situatie in overwegende mate aan strijdende partijen kan worden verweten. Eiser betoogt verder dat de minister het ambtsbericht over Jemen van april 2025 ten onrechte niet kenbaar heeft betrokken bij de besluitvorming. Ook betoogt eiser dat de minister ten onrechte niet heeft onderzocht of het feit dat eiser jarenlang activist is geweest, internationale contacten heeft, op een lijst staat, herhaalde contacten met de veiligheidsdiensten heeft gehad en bedreigd is in verband met zijn werk en zijn echtgenote, in onderlinge samenhang bezien, moet leiden tot een verhoogd risico. Op de zitting heeft eiser nog betoogd dat hij bij terugkeer naar Jemen geen woning heeft en daardoor meer risico loopt het slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
Willekeurig geweld
De minister gaat sinds WBV 2024/9 voor geheel Jemen uit van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. De Afdeling heeft geoordeeld dat de minister in dit beleid onvoldoende heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De minister heeft volgens de Afdeling niet alle in de uitspraak genoemde relevante omstandigheden in zijn beoordeling betrokken en heeft de minister opgedragen een nieuwe beoordeling te verrichten met inachtneming van het ambtsbericht 2025. De minister heeft vervolgens het beleid met WBV 2025/20 gewijzigd, waarbij hij nog steeds aanneemt dat sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat in Sana’a geen sprake is van de hoogste gradatie van willekeurig geweld. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 5 februari 2026. In deze uitspraak heeft de meervoudige kamer geoordeeld dat de minister in het beleid, zoals volgt uit WBV 2025/20, terecht heeft aangenomen dat zich in Sana’a niet de hoogste gradatie van willekeurig geweld voordoet. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht en van de zittingsplaats Den Haag, waarin de rechtbank tot het oordeel komt dat WBV 2025/20 nog steeds onvoldoende gemotiveerd is, geeft onvoldoende aanknopingspunten om niet langer uit te gaan van de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 5 februari 2025. Tot slot slaagt het betoog van eiser dat het ambtsbericht van Jemen van april 2025 niet is betrokken bij de besluitvorming niet, nu de minister terecht stelt dat uit het besluit volgt dat dit wel is gebeurd.
Verhoogd risico slachtoffer willekeurig geweld
Omdat sprake is van een minder uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld, moet eiser aannemelijk maken dat hij vanwege zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden een verhoogd risico loopt om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Nu het aan eiser is om dit aannemelijk te maken en dus daartoe omstandigheden naar voren te brengen, slaagt het betoog van eiser dat de minister hierna geen onderzoek heeft gedaan niet. De enkele omstandigheid dat eiser geen onderdak heeft, hetgeen hij op zitting heeft betoogd, is onvoldoende om tot de conclusie te komen dat hij vanwege zijn individuele en persoonlijke situatie een hoger risico op willekeurig geweld loopt. Ten aanzien van zijn betoog dat eiser jarenlang activist is geweest, internationale contacten heeft, op een lijst staat, herhaalde contacten met de veiligheidsdiensten heeft gehad en bedreigd is in verband met zijn werk en zijn echtgenote, oordeelt de rechtbank dat deze individuele omstandigheden niet op willekeurig geweld zien maar op gericht geweld. Met betrekking tot het risico op gericht geweld, verwijst de rechtbank naar wat daarover hiervoor is geoordeeld.
Beroep op 3 EVRM Sufi en Elmi
13. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de humanitaire crisis niet in overwegende mate is of wordt veroorzaakt door strijdende partijen, zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Dit had de minister wel moeten doen, gelet op het arrest Sufi en Elmi. De minister kan voor de motivering hiervan niet enkel verwijzen naar de beoordeling onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, omdat een risico op schending van artikel 3 van het EVRM los hiervan moet worden beoordeeld.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het voornemen en het bestreden besluit blijkt dat de minister zijn standpunt dat bij terugkeer geen risico bestaat op schending van artikel 3 van het EVRM voldoende heeft gemotiveerd. Eiser heeft verder geen omstandigheden aangevoerd waarmee de lat uit het arrest Sufi en Elmi wordt behaald.
Conclusie en gevolgen
14. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de afwijzing van zijn asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van de griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.