RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 23/14163
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
(gemachtigde: mr. R.E. Thijssen).
Procesverloop
Bij besluit van 13 augustus 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag tot afgifte van een document ‘duurzaam verblijf burgers van de Unie’ afgewezen.
Bij besluit van 20 november 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gerichte bezwaar gegrond verklaard. Het verzoek om vergoeding van de proceskosten in bezwaar heeft verweerder afgewezen.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb.
Overwegingen
1. In geschil is uitsluitend of verweerder terecht het verzoek om vergoeding van de proceskosten in bezwaar heeft afgewezen.
2. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten die een belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, vergoed voor zover het primaire besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
3. Niet in geschil is dat verweerder de stukken die eiser op 9 augustus 2023 heeft toegezonden niet bij het primaire besluit heeft betrokken. Dat betekent echter niet zonder meer dat het primaire besluit wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid is herroepen. Daarvoor is van belang of die stukken, wanneer verweerder deze wel bij de primaire besluitvorming had betrokken, tot inwilliging van de aanvraag hadden moeten leiden.
4. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. Uit het primaire besluit blijkt dat eiser op dat moment niet had aangetoond dat hij gedurende vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland had verbleven of dat op hem een uitzondering op die termijn van toepassing was. Ook als verweerder de op 9 augustus 2023 ingezonden stukken bij het primaire besluit had betrokken, hadden die stukken niet tot inwilliging van de aanvraag kunnen leiden. Verweerder heeft daarom in de bezwaarfase eiser bij brief van 26 september 2023 verzocht aanvullende stukken over te leggen. Op 11 oktober 2023 heeft eiser vervolgens onder meer vertaalde gegevens over zijn inkomsten in 2018 en 2019 en stukken van de Griekse Algemene Legerstad overgelegd. Uit die stukken bleek dat eiser van 6 februari 2019 tot 6 oktober 2019 in Griekenland verbleef wegens de vervulling van zijn militaire dienstplicht. Op basis van deze aanvullende stukken heeft verweerder kunnen vaststellen dat eiser aan de voorwaarden voor duurzaam verblijf voldeed.
5. De herroeping van het primaire besluit is daarmee niet het gevolg van het niet betrekken van de op 9 augustus 2023 toegestuurde stukken, maar van de aanvullende feiten en bewijsstukken die eiser eerst in bezwaar heeft overgelegd. Verweerder heeft het verzoek om een proceskostenvergoeding dan ook op goede gronden afgewezen.
6. Het beroep is kennelijk ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 12 oktober 2026 door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Afschrift verzonden aan partijen op: