RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.60110
geboren op [geboortedatum] 1999, Turkse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer], eiser,
(gemachtigde: mr. D. Schaap),
en
(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).
Procesverloop
Verweerder heeft eiser op 8 oktober 2026 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, onder a van de Vreemdelingenwet 2000 en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep en wordt tevens aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De gemachtigde van verweerder is eveneens verschenen.
Overwegingen
1. Eiser, die de Turkse nationaliteit heeft, heeft op 21 november 2023 een verzoek om internationale bescherming ingediend. Verweerder heeft dit verzoek op 27 maart 2026 afgewezen als ongegrond. Dit besluit omvat een terugkeerbesluit waarin Turkije als land van terugkeer is benoemd en een vertrektermijn van vier weken is verleend. De rechtbank, zittingsplaats Middelburg, heeft in haar uitspraak van 2 september 2026 het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBDHA:2026:25557). Eiser heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend om te bewerkstelligen dat hij de uitkomst van het hoger beroep in Nederland mag afwachten. Ten tijde van het onderzoek ter zitting in de onderhavige procedure heeft de Afdeling nog niet beslist op het verzoek en het hoger beroep.
2. Verweerder heeft eiser op 8 oktober 2026 in bewaring gesteld om de terugkeer naar Turkije voor te bereiden en de verwijderingsprocedure uit te voeren. In deze maatregel is vermeld dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is in het belang van de openbare orde, omdat er een onderduikrisico bestaat en omdat betrokkene de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. In de maatregel heeft verweerder om dit te onderbouwen als gronden opgevoerd dat eiser:
a. a) Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij hij zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt.
b) eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
h) te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer.
p) zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden.
r) geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.
s) niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat de maatregel onrechtmatig is opgelegd en hij daarom in vrijheid moet worden gesteld. Eiser voert aan dat er sprake is van schending van artikel 1, lid 1, van de Algemene wet op het binnentreden. In het proces-verbaal van binnentreden is namelijk vermeld dat eiser fysiek agressief is, aan drank en drugs is verslaafd en dat hij niet wil meewerken aan zijn terugkeer naar Turkije. Deze aanname heeft ertoe geleid dat de waarborgen uit artikel 1, lid 1, van de Algemene wet op het binnentreden, zoals het legitimeren voorafgaand aan het binnentreden en het vermelden van het doel van het binnentreden, zijn geschonden. Op grond van het tweede lid van artikel 1 van de Algemene wet op het binnentreden kan van de verplichtingen uit het eerste lid worden afgeweken, maar enkel als daar aanleiding toe is. Nu uit het dossier niet blijkt dat eiser fysiek agressief is en ook niet blijkt dat eiser verslaafd is aan drank en drugs bestond er geen aanleiding om de genoemde waarborgen over te slaan. Eiser vindt dat deze schending in het voortraject de nadien opgelegde maatregel reeds onrechtmatig maakt gelet op het recht dat is geschonden door de onrechtmatige binnentreding, subsidiair dat indien de rechtbank een belangenafweging aangewezen acht, deze in zijn voordeel moet uitvallen. Eiser heeft voorts de feitelijke juistheid van de gronden niet betwist, maar wel gemotiveerd gesteld dat de gronden het onderduikrisico kunnen dragen. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat er geen zicht is op uitzetting en dat verweerder ook onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. In het dossier is vermeld dat eiser een nufus heeft waarmee hij kan reizen, maar dit Turkse identiteitsbewijs zit niet in het dossier. Hierdoor is het niet te controleren of de nufus nog geldig is, en of eiser daar dus inderdaad mee kan reizen en kan worden verwijderd. Eiser vindt dat dit document een op de zaak betrekking hebbend stuk is en onderdeel moet uitmaken van het dossier.
4. De rechtbank zal de maatregel opheffen en eiser in vrijheid stellen en motiveert dit als volgt.
5. In de Algemene wet op het binnentreden is onder meer het navolgende bepaald:
(…)
Artikel 1 - Legitimatie
Artikel 2 – Schriftelijke machtiging
1. Voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is een schriftelijke machtiging vereist, tenzij en voor zover bij wet aan rechters, rechterlijke colleges, leden van het openbaar ministerie, burgemeesters, gerechtsdeurwaarders en belastingdeurwaarders de bevoegdheid is toegekend tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. De machtiging wordt zo mogelijk getoond.
Artikel 8 – Binnentreden door meer personen
(…)
2. Degene die bevoegd is zonder toestemming van de bewoner binnen te treden, kan zich door anderen doen vergezellen, voor zover dit voor het doel van het binnentreden redelijkerwijs is vereist en, indien krachtens een machtiging wordt binnengetreden, de machtiging dit uitdrukkelijk bepaalt.
6. Het dossier bevat een machtiging tot binnentreden woning. Hierin is vermeld dat aan twee met naam genoemde buitengewoon opsporingsambtenaren van de Dienst Vervoer en Ondersteuning machtiging gegeven wordt om:
X voor zover zulks nodig is ter uitzetting of overdracht, overeenkomstig artikel 44a, eerste lid aanhef en onder b, artikel 45, eerste lid aanhef en onder d en artikel 53 van de Vreemdelingenwet 2000, dan wel voor inbewaringstelling overeenkomstig artikel 59, 59a, of 59b van de Vreemdelingenwet 2000,
Zonder toestemming van de bewoner binnen te treden
X in de woning gelegen aan [xxx], bewoond door [eiser]
X voor zover dit voor het doel van het binnentreden redelijkerwijs is vereist; degene die bevoegd is zonder toestemming van de bewoner binnen te treden zich door anderen kan doen vergezellen.
(…)
7. In het proces-verbaal van binnentreden woning ter inbewaringstelling dat op 8 oktober 2026 op ambtseed is opgemaakt en getekend door een van de twee met naam genoemde buitengewoon opsporingsambtenaren van de Dienst Vervoer en Ondersteuning aan wie een machtiging tot binnentreden zonder toestemming van de bewoner is verleend, is onder meer het navolgende vermeld:
(…)
Op donderdag 8 oktober om 06:48 uur ben ik, vergezeld van 5 opsporingsambtenaren (….)
binnengetreden in de woning: [xxx]
X zonder toestemming van bovengenoemde bewoner.
X Voorafgaande aan het binnentreden van de woning heb ik mij door het tonen van mijn legitimatiebewijs gelegitimeerd, de hierboven vermelde machtiging getoond en het doel
van binnentreden medegedeeld.
Wijze van binnentreden:
Met behulp van een loper, verstrekt door het personeel van het COA ter plaatse.
Verrichtingen, eventuele voorvallen en bijzonderheden:
Voorafgaande aan de uitvoering heeft er een briefing plaats gevonden in het COA-gebouw met aanwezige collegae van DV&O, COA, regievoerder DT&V en de live tolk.
I.o.m. de operationeel commandant van DV&V is besloten direct de woning binnen te gaan.
Uit Informatie via DT&V bleek dat betrokkene fysiek agressief was geweest, bekend is met alcohol- en drugsverslaving en in gesprekken stellig was niet mee te zullen werken aan terugkeer naar het land van herkomst.
Er waren nog vijf medebewoners aanwezig in de woning
Ik, verbalisant, in uniform gekleed, en als zodanig herkenbaar, opende de voordeur van
woning 701 om 06:48 uur. In de woning klopte ik vervolgens op de deur van de slaapkamer waar betrokken vreemdeling zich zou moeten bevinden.
Ik riep met luide stem: “Justitie “en heb de deur geopend. Ik zag een man in bed liggen en herkende hem van de foto die ik in mijn bezit had. Vervolgens heb ik, verbalisant mij, voorafgaande aan het binnentreden van de slaapkamer gelegitimeerd door het tonen van mijn legitimatiebewijs, de hierboven vermelde machtiging getoond en het doel van binnentreden medegedeeld.
Om 06:48 uur ben ik, verbalisant, met 2 collegae opsporingsambtenaren de slaapkamer
binnen gegaan.
(…)
8. Zoals hiervoor weergegeven is dit proces-verbaal op ambtseed opgemaakt. De rechtbank gaat bij wijze van uitgangspunt uit van de inhoud van op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakte verbalen. In het bovenstaande proces-verbaal is echter enerzijds ‘aangekruist’ dat voorafgaande aan het binnentreden van de woning een legitimatiebewijs en machtiging is getoond en het doel van binnentreden is medegedeeld, terwijl ook is vermeld dat de woning met behulp van een loper, verstrekt door het personeel van het COA ter plaatse, is betreden en dat eiser zich op dat moment, achter een gesloten deur in zijn slaapkamer bevond. Het proces-verbaal van binnentreden is dus innerlijk tegenstrijdig. Uit het proces-verbaal blijkt immers dat ‘de woning’ is betreden met een loper en dat voorafgaande aan het binnentreden van ‘de slaapkamer’ onder het tonen van legitimatie kenbaar is gemaakt wat het doel van binnentreden is. Tevens blijkt uit dit proces-verbaal dat de deur van de slaapkamer van eiser is geopend zonder voorafgaand aan het openen van de deur is gevraagd om toestemming om binnen te treden. Weliswaar is ook vermeld dat het feitelijke binnentreden pas heeft plaatsgevonden nadat, bij een geopende deur, de verbalisant zijn legitimatie en machtiging heeft getoond en het doel van binnentreden heeft medegedeeld. De rechtbank overweegt dat niet is gerelateerd of eiser, die kennelijk in zijn bed lag, de legitimatie en machtiging die is getoond terwijl de verbalisant in de deuropening maar -net- buiten de slaapkamer stond, wel heeft kunnen waarnemen. Ook is niet gerelateerd of eiser het doel van binnentreden op dat moment heeft begrepen. Wat ook niet is vermeld in het proces-verbaal is waarom het noodzakelijk is geacht om met zes opsporingsambtenaren de woning te betreden en met drie van deze opsporingsambtenaren de slaapkamer te betreden om eiser staande te houden. Tot slot wordt uit het proces-verbaal van binnentreden niet duidelijk waarom niet eerst om toestemming om binnen te komen is gevraagd maar meteen met een machtiging de woning is binnengekomen en vervolgens de slaapkamerdeur is geopend terwijl eiser in zijn bed lag.
9. Eiser heeft ter zitting betwist dat hij fysiek agressief is, bekend is met
alcohol- en drugsverslaving en in gesprekken stellig is geweest niet mee te zullen werken aan terugkeer naar het land van herkomst. De rechtbank stelt vast dat nadere informatie over deze achtergrond ontbreekt in het dossier. Eiser heeft terecht aangevoerd dat als deze informatie wordt aangehaald om waarborgen uit de Algemene wet op het binnentreden niet na te leven, deze informatie aan het dossier moet worden toegevoegd zodat deze informatie door eiser kan worden gecontroleerd en zo nodig weersproken. De vermelding in het proces-verbaal dat “Voorafgaande aan de uitvoering er een briefing heeft plaats gevonden in het COA-gebouw met aanwezige collegae van DV&O, COA, regievoerder DT&V en de live tolk, in overleg met de operationeel commandant van DV&O is besloten direct de woning binnen te gaan en dat uit Informatie via DT&V bleek dat …..” is niet te controleren en eiser kan zich hier dan ook niet tegen verweren. Verweerder heeft op vragen van de rechtbank medegedeeld dat uit een intern stuk blijkt dat er een incident heeft plaatsgevonden waarbij eiser een ander persoon bij de keel zou hebben gegrepen. Verweerder heeft geen andere toelichting gegeven. Eiser heeft op vragen van de rechtbank aangegeven dat er inderdaad een keer een incident is geweest, maar dat hij niemand bij de keel heeft gegrepen en dat hij niet kampt met een alcohol- en drugsverslaving en dat hij vreest bij terugkeer te zullen onderworpen aan een met artikel 3 EVRM-strijdige situatie en daarom ook hoger beroep heeft ingesteld en daarom niet wil terugkeren naar Turkije.
10. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een schending in het voortraject omdat de wijze waarop voorafgaande aan de staandehouding de woning waar eiser verbleef is binnengetreden niet in overeenstemming met de voorschriften in Algemene wet op het binnentreden is geschied. Weliswaar is een machtiging tot binnentreden zonder toestemming van de bewoner afgegeven. Uit het dossier blijkt echter onvoldoende waarom de woning met de loper is betreden en niet eerst op de deur van de woning is geklopt om kenbaar te maken dat eiser zal worden staandegehouden, aangehouden en gehoord zal worden over een mogelijk op te leggen bewaringsmaatregel. De machtiging vermeldt dat de twee gemachtigden voor zover dit voor het doel van het binnentreden redelijkerwijs is vereist bij het zonder toestemming van de bewoner binnentreden zich door anderen kunnen doen vergezellen. Uit het proces-verbaal blijkt dat zes opsporingsambtenaren de woning hebben betreden zonder toestemming van eiser of de andere vijf bewoners. In dit proces-verbaal zijn geen feiten en omstandigheden opgenomen op grond waarvan kan worden vastgesteld dat het binnentreden met zes in plaats van vier opsporingsambtenaren ‘redelijkerwijze was vereist’. De rechtbank overweegt dat de indruk bestaat dat standaardmatig met meer dan twee opsporingsambtenaren ter plaatse wordt gegaan om een staandehouding ter fine van een mogelijke inbewaringstelling te verrichten terwijl hiertoe vaker geen aanleiding bestaat en dat verweerder zich rekenschap moet geven van de impact van een dergelijke wijze van binnentreden terwijl de staande te houden persoon zich in bed of elders in de woning bevindt. Tevens kan uit het proces-verbaal niet worden opgemaakt waarom het niet mogelijk was om alvorens de slaapkamerdeur te openen, op de deur te kloppen en om toestemming te vragen om de deur te openen. Dat sprake is geweest van een situatie waarin de naleving van de in het eerste lid van de Algemene wet op het binnentreden bedoelde verplichtingen naar redelijke verwachting ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van personen of goederen, feitelijk onmogelijk was dan wel naar redelijke verwachting de strafvordering zou schaden ten aanzien van misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, is in het geheel niet gebleken. De vermelding in het proces-verbaal van binnentreden dat “Uit Informatie via DT&V bleek dat betrokkene fysiek agressief was geweest, bekend is met alcohol- en drugsverslaving en in gesprekken stellig was niet mee te zullen werken aan terugkeer naar het land van herkomst” is hiertoe onvoldoende. Eiser heeft inderdaad vaker verklaard niet mee te zullen werken aan terugkeer naar Turkije. Eiser is echter nimmer ‘mob gemeld’ en is thans in afwachting van een uitspraak in hoger beroep in zijn asielprocedure. Dat eiser bekend is met alcohol- en drugsverslaving is niet onderbouwd in het dossier en is ook door verweerder niet nader toegelicht ter zitting. Eiser heeft op vragen van de rechtbank ter zitting erkend dat er een voorval in de opvang heeft plaatsgevonden maar heeft betwist dat hij iemand bij de keel heeft gegrepen. Dat eiser ‘fysiek agressief is geweest’, is niet nader onderbouwd. Niet duidelijk is bovendien of deze melding in het proces-verbaal van binnentreden betrekking heeft op één of meerdere incidenten, of over en weer agressief gedrag is vertoond, hoeveel anderen mogelijk betrokken zijn geweest, in welke omstandigheden mogelijk agressief gedrag is vertoond en wanneer sprake is geweest van mogelijk agressief gedrag. Uit het proces-verbaal van binnentreden blijkt wel dat eiser rechtmatig verbleef in de woning en dus gebruik mocht maken van opvangfaciliteiten in deze woning.
11. De beroepsgrond van eiser dat er gebreken kleven aan het binnentreden en er daardoor sprake is van een gebrek in het voortraject slaagt. De rechtbank is het eens met eiser dat niet moet worden onderschat dat binnentreden op deze wijze, met zes geüniformeerde opsporingsambtenaren en een tolk om 06:48 uur, een grote impact kan hebben op de betrokkene. De rechtbank merkt hierbij op dat verweerder ervoor moet waken om te snel met teveel opsporingsambtenaren over te gaan tot een staandehouding en daarbij een woning met een loper te betreden terwijl er meerdere bewoners in de woning aanwezig zijn en na ‘met luide stem “Justitie” te roepen’ de slaapkamerdeur te openen. Deze handelwijze is meer geschikt indien deze strekt tot een strafrechtelijke aanhouding. Verweerder wilde eiser evenwel ‘slechts’ aanhouden omdat hij zou worden gehoord over een mogelijke inbewaringstelling terwijl eiser in afwachting is van de uitspraak op zijn hoger beroep in zijn -eerste en enige- asielprocedure.
12. Anders dan eiser, acht de rechtbank het gebrek in het voortraject niet zodanig ernstig dat dit de maatregel van vreemdelingenbewaring reeds onrechtmatig maakt. Eiser heeft niet gesteld dat hij veel ‘last heeft of heeft gehad’ van het binnentreden in de woning en de wijze waarop hij is aangehouden en verweerder was bevoegd om zonder toestemming de woning te betreden mits de machtiging op rechtmatige wijze zou zijn gebruikt. De rechtbank heeft beide partijen ter zitting in de gelegenheid gesteld om hun belangen kenbaar te maken voor het geval de rechtbank een gebrek in het voortraject zou vaststellen en een belangenafweging zou gaan verrichten. Eiser heeft in dit verband gewezen op zijn hoger beroep en heeft benoemd dat het belang van verweerder om eiser reeds nu uit te zetten niet groot is. Eiser heeft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend en de Afdeling zal hier op beslissen op het moment dat verweerder de feitelijke uitzetting ter hand neemt. Verweerder heeft gewezen op zijn belang om eiser te verwijderen en op het onttrekkingsrisico zoals dit in de maatregel is gemotiveerd.
13. De rechtbank beslist dat de belangenafweging in het voordeel van eiser uitvalt. Eiser heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 2 september 2026 waarin zijn beroep tegen de afwijzing van zijn (eerste) asielaanvraag is afgewezen. In de maatregel is vermeld dat eiser op 24 september 2023 Nederland is ingereisd en zich op 25 september 2023 heeft gemeld. Eiser heeft een asielaanvraag ingediend en is voorafgaand, tijdens en na deze procedure niet met onbekende bestemming vertrokken. Ter zitting heeft hij toegelicht dat hij niet aan alle vertrekgesprekken heeft deelgenomen omdat hij vreest bij terugkeer naar Turkije in een met artikel 3 EVRM-strijdige situatie te geraken en hoger beroep heeft ingesteld en daarom nu niet te willen terugkeren. Eiser heeft gewezen op het verslag van het op 14 mei 2026 gevoerde (uitgebreide) vertrekgesprek waarin eiser heeft verzocht om het vervolggesprek te laten vervallen en heeft verklaard het prima te vinden als het niet verschijnen op volgende gesprekken wordt opgevat als een niet meewerkende houding. Verweerder heeft gewezen op het onttrekkingsrisico en heeft alleen dat risico benoemd als belang om de bewaring nu niet op te heffen. De rechtbank overweegt dat indien er geen sprake was van een onttrekkingsrisico, de bewaring reeds om die reden onrechtmatig zou zijn, zodat het onttrekkingsrisico niet doorslaggevend kan zijn in de te verrichten belangenafweging. Dat zou immers meebrengen dat een belangenafweging altijd in het voordeel van verweerder zou uitvallen waardoor gebreken in het voortraject altijd zonder gevolg zouden blijven. De rechtbank overweegt dat gelet op de omstandigheid dat nog niet is beslist op het hoger beroep, eiser zich kennelijk steeds aan zijn meldplicht heeft gehouden, eiser nooit ‘mob is gegaan’ en verweerder geen nadere belangen heeft gesteld, doorslaggevend gewicht toekomt aan het belang van eiser om in vrijheid te worden gesteld en vanuit een gewone opvanglocatie de uitkomst op zijn hoger beroep af te wachten. De rechtbank betrekt hierbij dat verweerder in zijn aanbiedingsbrief heeft medegedeeld dat op 12 oktober 2026 een vluchtaanvraag is verzonden naar de KMar in verband met escorts en dat op 13 oktober 20226 een vluchtaanvraag is verzonden naar de reisagent. Verweerder heeft dus nog geen concrete vlucht geboekt en verweerder heeft in deze fase van de terugkeerprocedure eiser niet in persoon nodig omdat hij alleen nog in afwachting is van het ontvangen van vluchtgegevens. Verweerder beschikt bovendien over de Turkse identiteitskaart van eiser die verweerder, ter zitting op verzoek van de gemachtigde van eiser, heeft getoond in het digitale dossier en op verzoek van de rechtbank aan het dossier heeft toegevoegd (na sluiting van het onderzoek). De rechtbank overweegt dat zodra er concrete vluchtgegevens bekend zijn, de Afdeling op het verzoek om een voorlopige voorziening zal beslissen. Dan zal een nieuwe situatie ontstaan waarbij de rechtbank, gelet op de aangedragen redenen om asiel aan te vragen en de landgebonden informatie over Turkije, het niet uitgesloten acht dat de Afdeling zal beslissen dat deze zaak zich niet leent om af te doen in de voorlopige voorziening-procedure en het verzoek om die reden zal toewijzen.
14. De rechtbank stelt dus vast dat er sprake is van een gebrek in het voortraject en dat de daarom te verrichten belangenafweging in het voordeel van eiser uitvalt. Dit betekent dat de maatregel van bewaring hierdoor van aanvang af onrechtmatig is geweest en de andere beroepsgronden en rechtmatigheidsaspecten van de maatregel geen nadere beoordeling behoeven.
15. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en zal eiser in vrijheid stellen en in aanmerking brengen voor schadevergoeding en een proceskostenveroordeling uitspreken.
16. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 13 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) bewaring ten bedrage van 13 x € 120,- = € 1.560,-.
17. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de onmiddellijke opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring;
- gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.560,-.te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr. D. Damoiseaux, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 20 oktober 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.