RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
de ambtenaar belast met grensbewaking
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.53710
(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Procesverloop
Bij besluit van 11 september 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De ambtenaar heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 18 september 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De ambtenaar is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Toetsingskader
1. Als de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw 2000, dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw 2000, het beroep gegrond.
Over de vrijheidsontnemende maatregel
2. Op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000, kan aan een vreemdeling die aan de grens een asielaanvraag indient, een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang (de asielgrensprocedure).
Een maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000, wordt opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Dat staat in artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). In diezelfde bepaling staat dat de maatregel niet wordt opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
In beroep
3. De rechtbank stelt vast dat eiser aan de grens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend terwijl hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed.
4. Eiser voert aan dat het grensbewakingsbelang niet zonder nadere motivering als grondslag voor vrijheidsontneming kan worden gebruikt. Volgens eiser moet de ambtenaar de noodzaak van de vrijheidsontneming motiveren, zeker nu eiser bij aankomst op Schiphol al heeft aangegeven dat hij behoort tot de LHBTI-gemeenschap en daarom gevaar loopt in Rusland, het land waar hij vandaan komt. Deze omstandigheden maken namelijk dat eisers situatie niet valt onder de artikel 45, eerste lid, van de Procedureverordening genoemde gevallen, op grond waarvan de ambtenaar verplicht toepassing moet geven aan de asielgrensprocedure. Daarnaast had de ambtenaar ook moeten motiveren waarom niet wordt volstaan met een lichter middel. Eiser wijst ter onderbouwing van zijn betoog naar uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 17 juli 2026 en zittingsplaats Roermond van 31 juli 2026 en 10 augustus 2026.
Wat eiser aanvoert, slaagt niet. De rechtsvragen die eiser opwerpt zijn namelijk beantwoord in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 september 2026. In die uitspraak oordeelt de Afdeling dat de ambtenaar in het grensbewakingsbelang voldoende noodzaak mag zien om een vrijheidsontnemende maatregel overeenkomstig artikel 10, tweede lid, van de Opvangrichtlijn op te leggen. Die noodzaak hoeft niet nader te worden gemotiveerd. Dat en of de ambtenaar de asielaanvraag onverplicht of verplicht behandelt in de asielgrensprocedure maakt hierbij geen verschil. Een nadere of individuele motivering is in beide gevallen namelijk niet nodig.
Voor zover eiser bedoelt te betogen dat zijn asielaanvraag zich niet leent voor de behandeling in de asielgrensprocedure, verandert dit het oordeel niet. Om tot die conclusie te komen is namelijk eerst onderzoek nodig. De ambtenaar heft de grensdetentie op als hij concludeert dat de aanvraag niet verder kan worden behandeld in de asielgrensprocedure. In dit geval handelde de ambtenaar voldoende voortvarend door op 17 september 2026 een gehoor bij eiser af te nemen. De ambtenaar heeft op de zitting aangegeven dat op dit moment nog het voornemen bestaat om eisers asielaanvraag af te doen binnen de asielgrensprocedure.
Uit de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2026 volgt verder dat, zolang er geen realistische alternatieven voor grensdetentie worden opgeworpen, de beoordeling van de ambtenaar of met een lichter middel had moeten worden volstaan, niet verder strekt dan de beoordeling of de grensdetentie onevenredig bezwarend is. Eiser voert aan dat er hotels zijn bij Schiphol en daarmee een realistisch alternatief voorhanden is, maar dit volgt de rechtbank niet. Niet is onderbouwd dat die hotels realistische alternatieven zijn in voormelde zin. Eisers beroepsgrond slaagt daarom niet.
5. Eiser voert verder aan dat hij de volgende medische klachten heeft: galstenen, slokdarmklachten, problemen met zijn schildklier, huidklachten, OCS en ADHD. Volgens eiser is hier onvoldoende rekening mee gehouden bij het opleggen van de maatregel. Er is niet doorgevraagd naar de medische klachten en eiser is ook niet onderzocht door medisch gekwalificeerd personeel. Dit is wel vereist op grond van de Screeningsverordening. Eiser wijst hierbij op de uitspraak van zittingsplaats Roermond van 10 augustus 2026.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In deze procedure hoeft niet beoordeeld te worden of de screeningsprocedure volgens de regels van de Screeningsverordening is doorlopen. Het volledig hebben uitgevoerd van een screening is immers geen voorwaarde voor het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel op de grondslag dat de asielaanvraag van eiser wordt behandeld in de asielgrensprocedure.
In deze procedure ligt wel de vraag voor of de ambtenaar deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de grensdetentie niet onevenredig bezwarend is. Die vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. Daarbij is van belang dat in het verslag van het gehoor voorafgaand de maatregel is terug te lezen dat de ambtenaar vragen heeft gesteld over eisers gezondheidssituatie en medicijngebruik. Uit eisers antwoorden blijkt dat hij last heeft van galstenen, slokdarm, OCD en ADHD, en daar medicijnen voor gebruikt. Verder is aan eiser gevraagd of hij wil reageren op het voornemen om zijn asielaanvraag in een detentiecentrum te behandelen, waarop het reageert met ‘Nee hoor. Dat is allemaal ok’. In de maatregel heeft de ambtenaar de door eiser genoemde medische omstandigheden meegewogen en daarbij terecht gewezen op de aanwezige medische voorzieningen in het grensdetentiecentrum. Ook weegt de ambtenaar terecht mee dat eiser heeft verklaard geen bezwaren te hebben tegen de vrijheidsontnemende maatregel. Deze motivering volstaat. De verklaringen van eiser bevatten geen aanwijzingen voor de conclusie dat de maatregel voor eiser vanwege zijn medische problemen onevenredig bezwarend is.
6. Eiser voert verder aan dat de locatie waar hij verblijft ongeschikt voor hem is omdat hij daar niet de benodigde medicatie krijgt. Daarbij licht eiser toe dat hij medicatie nodig heeft voor zijn medische problemen, maar dat hij deze nog steeds niet gekregen heeft, ondanks het feit dat eiser daar wel om heeft verzocht. Ook heeft eiser gevraagd of hij gezien kon worden door een arts, maar ook daar is geen gehoor aan gegeven.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt daarbij het volgende voorop. Partijen hebben tijdens de zitting toegelicht dat iemand die in grensdetentie wordt gesteld, niet zijn of haar zelf meegebrachte medicatie mag gebruiken. Die medicatie wordt in beslag genomen en de medicatie die nodig is, wordt door de medische dienst in het grensdetentiecentrum besteld en verstrekt. Dat eiser verklaart dat hij niet meer beschikt over de medicatie die hij nodig heeft en dat die nog niet aan hem is verstrekt, is een punt aandacht dat de ambtenaar prioriteit zal moeten geven, zeker nu eiser al enige tijd in grensdetentie zit. De rechtbank is echter van oordeel dat uit die verklaring van eiser nog niet volgt dat de bewaring onrechtmatig is. Eiser kan zijn klacht over de tenuitvoerlegging van de medische voorzieningen bij de beklagcommissie van het detentiecentrum of de medisch adviseur bij het ministerie van Justitie en Veiligheid kenbaar maken. De enkele stelling van eisers gemachtigde, dat klagen geen nut heeft omdat klachten over een half jaar pas worden behandeld, is niet onderbouwd en onvoldoende voor de conclusie dat klagen bij voorbaat zinloos is. De rechtbank gaat er daarbij wel van uit dat de ambtenaar de op de zitting gegeven melding over het ontbreken van medicatie voortvarend oppakt.
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de ambtenaar en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.G.C. Lelifeld, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.