RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.61434
geboren op [geboortedatum] 1980, Syrische nationaliteit,
(V-nummer: [V-nummer]), eiser,
(gemachtigde: mr. E.P.A. Zwart),
en
(gemachtigde: mr. G. Gambier).
Procesverloop
Verweerder heeft op 23 september 2026 aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw.
Deze rechtbank en zittingsplaats heeft bij uitspraak van 6 oktober 2026 de oplegging van de maatregel en de voortduring tot en met het sluiten van het onderzoek in die procedure op 1 oktober 2026 rechtmatig geacht (ECLI:NL:RBLIM:2026:10641, niet gepubliceerd maar bij beide partijen bekend).
Eiser heeft op 14 oktober 2026 tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld en daarbij verzocht om schadevergoeding. Eiser heeft op 14 oktober 2026 tevens beroepsgronden kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft verweerder op 15 oktober 2026 middels een bericht in het dossier verzocht om bij de overlegging van de M120 tevens te reageren op de reeds ingediende beroepsgronden.
Verweerder heeft op 15 oktober 2026 een voortgangsrapportage overgelegd en gereageerd op de beroepsgronden.
Eiser heeft op 16 oktober 2026 gereageerd op het standpunt van verweerder en de beroepsgronden nader toegelicht.
De rechtbank heeft op 16 oktober 2026 een bericht in het dossier geplaatst met de volgende inhoud:
“De rechtbank stelt verweerder, gelet op het principiële karakter van de beroepsgrond en de
omstandigheid dat hoger beroep is uitgesloten, nogmaals in de gelegenheid om te reageren op de -concreet aangevoerde- beroepsgrond alvorens de rechtbank besluit of een zitting nodig is om de rechtmatigheid van de voortduring van de maatregel te beoordelen.” De rechtbank heeft verweerder tot en met 19 oktober 2026 in de gelegenheid gesteld om te reageren.
Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om nogmaals te reageren.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 20 oktober 2026 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.
Beoordeling door de rechtbank
1. De rechtbank beoordeelt in deze procedure de rechtmatigheid van de voortduring van de tenuitvoerlegging van de op 23 september 2026 opgelegde maatregel. De te beoordelen periode is de periode van 1 oktober 2026 tot en met 20 oktober 2026.
2. Eiser stelt zich gemotiveerd op het standpunt dat de grondslag aan de maatregel is komen te ontvallen en de maatregel daarom moet worden opgeheven.
3. De rechtbank overweegt dat deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank zal de maatregel opheffen en eiser in vrijheid stellen en motiveert dit als volgt.
4. Eiser heeft op 23 september 2026 aan de buitengrens van de Unie, op Luchthaven Schiphol, een verzoek om internationale bescherming ingediend. Bij besluit van 3 oktober 2026 is dit verzoek afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft op 7 oktober 2026 beroep ingediend tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening. In het besluit van 3 oktober 2026 heeft verweerder bepaald dat de grensdetentie blijft voortduren.
5. Eiser heeft ten aanzien van het voortduren van de maatregel op dezelfde grondslag terecht gewezen op het Unierechtelijke juridische kader. De Unierechtelijke grondslag van de maatregel die wordt opgelegd aan verzoekers om internationale bescherming volgt uit richtlijn 2024/1346.
6. Artikel 3, lid 1, van richtlijn 2024/1346 bepaalt het navolgende:
(…)
“Deze richtlijn is van toepassing op alle onderdanen van derde landen en staatlozen die een verzoek om internationale bescherming doen op het grondgebied, waaronder aan de buitengrens, in de territoriale zee of in de transitzones, van de lidstaten op voorwaarde dat deze onderdanen van derde landen en staatlozen als verzoeker op het grondgebied mogen verblijven. Deze richtlijn is ook van toepassing op gezinsleden van een verzoeker, mits die gezinsleden overeenkomstig het nationale recht onder een dergelijk verzoek om internationale bescherming vallen.
(…)
7. Artikel 10, lid 4 onder d, van richtlijn 2024/1346 bepaalt het navolgende:
Een verzoeker mag alleen op een of meer van de volgende gronden in bewaring worden gehouden:
(…)
om in het kader van een grensprocedure als bedoeld in artikel 43 van Verordening (EU) 2024/1348 een beslissing te nemen over het recht van de verzoeker om het grondgebied te betreden;
(…)
8. Artikel 68 van Verordening 2024/1348 bepaalt het navolgende:
(…)
3. Onverminderd het beginsel van non-refoulement hebben verzoekers en personen van wie de internationale bescherming wordt ingetrokken geen recht om te blijven op grond van lid 2 wanneer de bevoegde autoriteit een van de volgende beslissingen heeft genomen:
(…)
a. a) een beslissing waarbij een verzoek als ongegrond of kennelijk ongegrond is afgewezen, indien op het moment waarop de beslissing wordt genomen:
(…)
ii) de verzoeker onderworpen is aan de grensprocedure, behalve als de verzoeker een niet-begeleide minderjarige is.
(…)
9. Uit artikel 68 van Verordening 2024/1348, lid 4 en 5, blijkt dat het instellen van beroep en het indienen van een voorlopige voorziening geen opschortende werking heeft en dus geen recht om op het grondgebied te blijven oplevert, maar slechts betekent dat eiser, omdat hij tijdig een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend, niet mag worden verwijderd totdat op dit verzoek is beslist.
10. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn verzoek om internationale bescherming. Hiermee kan eiser weliswaar bewerkstelligen dan hij niet mag worden verwijderd voordat uitspraak is gedaan op zijn beroep, maar anders dan vóór 12 juni 2026, verkrijgt eiser geen (procedureel) rechtmatig verblijf door het aanwenden van dit rechtsmiddel. Eiser heeft dus geen toestemming om in Nederland te verblijven. Eiser heeft dan ook terecht aangevoerd dat hij door de afwijzing van zijn verzoek als kennelijk ongegrond niet langer onder richtlijn 2024/1346 valt en de maatregel dus niet kan blijven voortduren op grond van richtlijn 2024/1346.
11. Verweerder erkent dat uit artikel 68, lid 3, van Verordening 2028/1348 volgt dat eiser geen recht heeft om op het grondgebied van Nederland te verblijven. Omdat uit artikel 68, lid 5, van Verordening volgt dat eiser thans niet mag worden verwijderd, stelt verweerder zich op het standpunt dat hij bevoegd is om de maatregel op grond van artikel 6, lid 3, van de Vw te laten voortduren gelet op paragraaf A5/3.1 van de Vc onder c. Hierin is het navolgende bepaald:
(…)
Op grond van artikel 6, derde lid, Vw kan aan een vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd, zolang hij wordt aangemerkt als verzoeker in de zin van artikel 2, aanhef en onder 2, van de Opvangrichtlijn. Deze grondslag voor vrijheidsontneming wordt toegepast zolang het de vreemdeling wordt toegestaan als verzoeker op het grondgebied te verblijven dan wel zolang de vreemdeling op grond van artikel 68, vijfde lid, onderdeel d Procedureverordening niet wordt verwijderd. Dat betreft de volgende situaties:
(…)
c. “na afwijzing van de asielaanvraag, indien de vreemdeling op grond van artikel 68, derde lid Procedureverordening niet op het grondgebied mag blijven maar op grond van artikel 68, vijfde lid onder d, Procedureverordening niet mag worden verwijderd gedurende de termijn voor het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening en, bij tijdige indiening van dat verzoek, totdat uitspraak is gedaan op het verzoek;”
(…)
12. Verweerder meent dus bevoegd te zijn om de maatregel te laten voortduren omdat dit op grond van de Vreemdelingencirculaire is toegestaan. Zoals eiser terecht heeft aangevoerd is het Unierecht van toepassing. De rechtbank concludeert dat deze bepaling in paragraaf A5/3.1 van de Vc onder c in strijd is met het Unierecht en dus buiten toepassing moet worden gelaten. Verweerder heeft niet onderkend dat het recht om niet verwijderd te worden, met ingang van 12 juni 2026 niet zonder meer het recht om op het grondgebied te blijven oplevert.
13. Eiser heeft om zijn beroepsgrond te onderbouwen verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 3 september 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:5134). Verweerder vindt die uitspraak voor deze procedure niet relevant omdat in die uitspraak een maatregel op grond van artikel 59, lid 1 sub a, van de Vw was opgelegd, terwijl in het geval van eiser een artikel 6 Vw-maatregel is opgelegd en daarom paragraaf A5/3.1 van de Vc van toepassing is.
14. De rechtbank overweegt dat de redenering van de Afdeling naar analogie kan worden toegepast op de onderhavige procedure omdat ook in die procedure de juridische positie van een derdelander wiens asielaanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond met ingang van 12 juni 2026 is gewijzigd en uit artikel 3, lid 1, van richtlijn 2024/1346 volgt dat de grondslag aan de maatregel komt te ontvallen. Ook in de onderhavige procedure had verweerder dus na de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond op 3 oktober 2026 moeten onderzoeken of eiser ofwel in vrijheid zou worden gesteld, ofwel het opleggen van een nieuwe maatregel op een andere grondslag noodzakelijk, proportioneel en evenredig is. Dat verweerder na de afwijzing nog een beslissing moet nemen over de toegang tot Nederland, welke beslissing in eerste instantie is uitgesteld, maakt dit niet anders omdat richtlijn 2024/1346 de grondslag vormt voor de grensdetentiemaatregel. Eiser heeft terecht benoemd dat artikel 6, lid 3, van de Vw een implementatie is van artikel 10, lid 4 onder d, van richtlijn 2024/1346.
15. Voor zover verweerder zou menen dat artikel 6 van de Vw kan dienen als de grondslag om één maatregel op verschillende opvolgende Unierechtelijke grondslagen te baseren, wijst de rechtbank op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 15 september 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:26835).
16. De rechtbank stelt gelet op het bovenstaande vast dat door de afwijzing op 3 oktober 2026 van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond, de grondslag aan de maatregel is komen te ontvallen. Omdat verweerder geen opvolgende maatregel heeft opgelegd, maakt eiser met ingang van 3 oktober 2026 aanspraak op schadevergoeding. De rechtbank overweegt hierbij dat eiser niet heeft gesteld dat de maatregel in de periode van 1 tot 3 oktober 2026 onrechtmatig heeft voortgeduurd en de rechtbank komt ambtshalve ook niet tot het onrechtmatig achten van de maatregel in die periode.
17. De rechtbank zal eiser in aanmerking brengen voor een schadevergoeding van
€ 2.160,- (18 x € 120,00). De rechtbank veroordeelt verweerder tevens in de door eiser gemaakte proceskosten die de rechtbank vaststelt op € 934,-.
18. Beslist wordt als volgt.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van
mr. F.A.E. van de Venne, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 20 oktober 2026.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.