RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiseres,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.14680
V-nummer: [nummer] ,
en
[naam] , eiser,
V-nummer: [nummer] ,
samen: eisers
(gemachtigde: mr. H. Postma),
en
(gemachtigde: mr. S.H. de Vries).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers om een mvv voor verblijf bij hun zus. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij hebben daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt het beroep mede aan de hand van de beroepsgronden.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag niet in stand kan blijven, omdat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eisers hun identiteit niet aannemelijk hebben gemaakt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eisers hebben op 18 september 2024 samen met hun ouders en twee zusjes een mvv-aanvraag ingediend voor verblijf bij hun zus [naam] (referente) in het kader van nareis asiel. De minister heeft de aanvraag van eisers met het besluit van
5 september 2025 afgewezen. De minister heeft de aanvraag van de ouders en de twee zusjes ingewilligd.
De minister heeft referente en de vader van eisers op 17 februari 2026 gehoord.
Met het bestreden besluit van 6 maart 2026 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referente, de ouders van eisers, de gemachtigde van eisers, samen met mr. G.M. van der Woude - Bouius, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Ten aanzien van het griffierecht
3. Eisers hebben verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank wijst dat verzoek toe.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft de aanvraag van eisers afgewezen, omdat volgens hem de identiteit van eisers na nader onderzoek niet aannemelijk is geworden. Eisers hebben origineel bevonden Somalische geboortecertificaten, origineel bevonden certificaten van identiteitsbevestiging en kopieën van Somalische paspoorten overgelegd. De minister hecht echter geen bewijswaarde aan Somalische documenten, omdat de echtheid en de gegevens van de documenten oncontroleerbaar zijn.
De minister heeft eisers het voordeel van de twijfel gegeven en nader onderzoek verricht door middel van DNA-onderzoek en interviews. Vervolgens heeft de minister beoordeeld of eisers met alle overgelegde documenten en afgelegde verklaringen in onderlinge samenhang bezien hun identiteit en de onderlinge familierechtelijke relatie aannemelijk hebben gemaakt. Eisers hebben volgens de minister hun identiteit niet aannemelijk gemaakt. Allereerst heeft referente volgens de minister tegenstrijdige verklaringen afgelegd over de geboortedata van eisers, waardoor er aanleiding was voor nader onderzoek naar de identiteit van eisers. Op foto’s op het Facebook account van eiser staan foto’s waarop hij ouder lijkt dan hij op dat moment op basis van de opgegeven geboortedatum zou zijn. De minister vindt eisers verklaringen over het Facebook account niet aannemelijk. Eisers hebben verder tijdens hun gehoren geen enkele verklaring gegeven waaraan een leeftijd verbonden kan worden. Ook hun vader heeft tijdens de hoorzitting geen indicaties kunnen geven over de periode waarin eisers geboren zijn.
De minister vindt de gestelde geboortedatum van eiseres niet aannemelijk, omdat gesteld is dat zij ouder is dan eiser. De minister vindt niet aannemelijk dat eiser in 2010 is geboren en daarom ook niet dat eiseres in 2009 is geboren. Dat eisers stellen dat eiseres een verstandelijke beperking heeft, leidt niet tot een andere beslissing. Het geschil gaat namelijk over het niet aannemen van de geboortedatum van eiseres en dat staat los van een eventuele beperking. Tot slot vindt de minister dat het feit dat met het DNA-onderzoek de familierechtelijke relatie tussen eisers, referente en hun ouders vast is komen te staan, niet betekent dat de identiteit van eisers aannemelijk is. DNA zegt namelijk niets over een naam of leeftijd van een persoon.
Heeft de minister voldoende gemotiveerd dat eisers hun leeftijd niet aannemelijk hebben gemaakt?
5. Eisers voeren aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij hun leeftijd en daarmee hun identiteit niet aannemelijk hebben gemaakt. De minister heeft ten onrechte geen integrale beoordeling verricht van alle overgelegde documenten en verklaringen. Volgens eisers werpt de minister allereerst ten onrechte tegen dat referente tegenstrijdig heeft verklaard over de leeftijden van eisers. Verder heeft de minister volgens eisers onzorgvuldig gehandeld door de foto van 14 mei 2022 tijdens het gehoor niet aan eiser te laten zien. Van de minister mag bovendien worden verwacht dat hij de foto’s laat beoordelen door een deskundige voordat hij tot de conclusie komt dat eiser op de foto’s te zien is en dat de leeftijd van de afgebeelde persoon niet zou passen bij eisers gestelde leeftijd. Verder wijzen eisers erop dat het onzorgvuldig is om doorslaggevende waarde toe te kennen aan informatie op sociale media. Het is bekend dat jongeren regelmatig onjuiste informatie over zichzelf plaatsen op sociale media om zich ouder, beter of mooier voor te doen. Daarom is de informatie op sociale media, waaronder Facebook, volgens eisers niet betrouwbaar. Eisers wijzen ter onderbouwing op een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 3 juni 2016. De minister heeft verder volgens eisers ten onrechte geen enkele waarde toegekend aan het positieve DNA-onderzoek. Eisers verwijzen naar een uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2026. Ook bij eisers is sprake van positief beoordeelde documenten en blijkt uit DNA-onderzoek dat zij de biologische kinderen van hun ouders zijn. Bovendien heeft de minister niet gemotiveerd waarom de vaststelling van de exacte leeftijd van eisers van dusdanig groot belang is dat de aanvragen alleen op basis daarvan worden afgewezen. Kijkend naar zowel de leeftijd die referente tijdens haar asielprocedure heeft opgegeven als naar de geboortedata op de documenten, zijn eisers immers hoe dan ook minderjarig.
Welke feiten staan vast?
6. De rechtbank stelt, voordat zij de beroepsgronden van eisers beoordeelt, allereerst het volgende vast:
Referente heeft tijdens haar asielprocedure bij het aanmeldgehoor van 14 februari 2023 verklaard dat zij een jongere broer en zussen heeft, dat haar zusje (eiseres) volgens referente vijftien jaar is, haar broertje (eiser) veertien jaar en haar tweelingzusjes dertien jaar.
Op de mvv-aanvraag van 16 september 2024 is vermeld dat eiseres is geboren in 2008, eiser in 2009 en de tweelingzusjes in 2010.
Eisers en de zusjes hebben bij hun aanvraag een kopie van hun Somalische paspoort, originele identiteitscertificaten en originele geboortecertificaten overgelegd. Op deze documenten staan als geboortedata respectievelijk [datum] 2009, [datum] 2010 en [datum] 2011.
De minister heeft eisers het voordeel van de twijfel gegeven en eisers in de gelegenheid gesteld om hun identiteit op andere wijze aannemelijk te maken, namelijk door middel van DNA-onderzoek en een gehoor. Verder heeft de minister zelf onderzoek verricht op sociale media.
Uit het DNA-onderzoek is gebleken dat eiseres de dochter is van de ouders van referente en de zus van referente en dat eiser de zoon is van de ouders van referente en de broer van referente. Ook het DNA-onderzoek van de tweelingzusjes is positief bevonden.
De minister heeft eiser op 3 juni 2025 en eiseres op 21 augustus 2025 via een videoverbinding gehoord. De hoormedewerker heeft eiser geconfronteerd met bevindingen op sociale media. De hoormedewerker heeft aangegeven dat op het Facebook account van eiser staat dat hij 23 jaar is, getrouwd is, student is aan de Plasma University en ook dat hij sinds 2020 op de Al Farajschool zit. Verder heeft de hoormedewerker de foto van 14 mei 2022 beschreven. De hoormedewerker heeft de foto niet aan eiser getoond. De hoormedewerker heeft eiser verder geconfronteerd met het bestaan van een Instagram account dat is gekoppeld aan het Facebook account van eiser en beschreven dat daarop een foto staat van eiser met zijn familie en een foto van [naam] .
Eiser heeft verklaard dat het Facebook account voor hem is aangemaakt en beheerd door een andere jongen, omdat eiser zelf geen mobiele telefoon had. Eiser heeft verklaard dat hij niet weet waarom de jongen erop heeft vermeld dat hij 23 jaar is, getrouwd is en student is. Verder heeft eiser verklaard dat hij niet weet wat Instagram is en dat de jongen dat misschien ook heeft aangemaakt. Eiser kent de persoon [naam] niet. Eiser heeft verder verklaard dat de jongen foto’s van hem maakte. Over de foto van 14 mei 2022 heeft eiser verklaard dat hij weet dat er een foto is gemaakt, dat de jongen hem naar een plek heeft gebracht en daar een foto heeft gemaakt, dat hij de jongen niet gevraagd heeft om een foto te maken, dat het op een plek was waar je foto’s maakt, dat de jongen hem heeft gevraagd om een pak aan te doen en toen een foto heeft gemaakt. Eiser wist niet dat de jongen deze foto zou maken en het was niet eisers bedoeling dat deze foto’s werden gemaakt. Eiser heeft verder verklaard dat dit een fotostudio was en dat een fotograaf de foto’s maakte. De jongen gaf eiser zijn mobiele telefoon om mee op de foto te gaan. Eiser weet niet wat er met de foto’s is gedaan en eiser weet verder niet bij benadering wanneer hij voor het laatst foto’s heeft laten maken.
De minister heeft in de bezwaarfase op 19 december 2025 een rapport met zes screenshots van het Facebook account van eiser aan de gemachtigde van eiser gestuurd en de gemachtigde in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. De gemachtigde heeft op 31 december 2025 laten weten dat de personen op de screenshots niet allemaal gelijkenis vertonen met eiser.
De minister heeft op 18 februari 2026 referente en de vader van eisers gehoord. Tijdens dit gehoor zijn zij geconfronteerd met elf screenshots van een Facebook account van ‘ [naam] ’. Referente en haar vader hebben verklaard dat zij de personen op deze foto’s niet herkennen en dat eiser niet op deze foto’s te zien is.
Eiser heeft in de beroepsgronden aangegeven dat hij niet de persoon is op de foto van 14 mei 2022, maar dat hij wel op de foto’s van 16 november 2023 en 10 april 2024 staat.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
7. De rechtbank stelt voorop dat het in de eerste plaats aan eisers is om hun identiteit, waaronder hun leeftijd, aannemelijk te maken. In Werkinstructie 2025/5, geldig ten tijde van het bestreden besluit, staat dat de minister aan de hand van alle overgelegde documenten en verklaringen in onderlinge samenhang moet beoordelen of eisers hun identiteit aannemelijk hebben gemaakt. Aan de hand van de uitkomst van deze integrale beoordeling wordt overgegaan tot een inwilliging, een afwijzing of een nader onderzoek. Als naar aanleiding van de integrale beoordeling het voordeel van de twijfel wordt gegund, zijn er twee opties mogelijk. Er kan worden overgegaan tot nader onderzoek, of de zaak kan worden ingewilligd. De werkinstructie vermeldt verder dat aanvullend op dat uitgangspunt voor biologische kerngezinnen het volgende geldt. In nareiszaken moet de identiteit van de na te reizen ouder en meerderjarige kinderen altijd aannemelijk gemaakt worden. Ten aanzien van de identiteit van minderjarige kinderen geldt in beginsel dat het voordeel van de twijfel wordt gegund. Bij een biologisch kerngezin stelt de IND minder hoger eisen aan het bewijs van de identiteit van de betrokkenen, omdat een kerngezin in beginsel recht heeft op gezinshereniging.
8. De rechtbank overweegt dat de Nederlandse staat documenten uitgegeven door de Somalische overheid niet erkent. Eisers kunnen hun identiteit daarom niet aannemelijk maken met de door hen opgestuurde documenten.
De rechtbank stelt verder vast dat referente, eisers en de vader diverse verklaringen hebben afgelegd rondom de leeftijd van eisers. Op het aanvraagformulier is aangegeven dat eiseres in 2008 is geboren en eiser in 2009. Referente heeft tijdens het aanmeldgehoor in het kader van haar asielprocedure verklaard dat zij denkt dat eiseres 15 jaar oud is en eiser 14 jaar oud. Dit betekent dat eiseres in 2007 of 2008 geboren zou moeten zijn en eiser in 2008 of 2009. Eiseres heeft tijdens de hoorzitting verder verklaard dat zij denkt dat eiser 14 of 15 jaar oud is. Dit zou betekenen dat eiser in 2010 of 2011 zou zijn geboren. Op de door eisers overgelegde documenten staat daarentegen vermeld dat eiseres geboren is op [datum] 2009 en eiser op [datum] 2010. De rechtbank stelt tot slot vast dat de vader van eisers wisselende verklaringen heeft afgelegd over hoe hij de geboortedatum van zijn kinderen weet.
De rechtbank overweegt dat referente tijdens haar asielprocedure weliswaar heeft verklaard dat zij denkt dat eiseres 15 jaar oud is, maar dit laat onverlet dat op het aanvraagformulier is vermeld dat eiseres in 2008 is geboren en eiser in 2009, wat niet overeenkomt met de documenten. Dat eiseres ten tijde van het indienen van de aanvragen de exacte geboortedata niet wist, leidt niet tot een ander oordeel. Niet valt in te zien dat referente dit niet had kunnen navragen bij haar familieleden. De rechtbank volgt eisers verder niet in het standpunt dat bij eiseres sprake zou zijn van een mogelijke verstandelijke beperking en dat dit een verschoonbare reden zou zijn voor het afwijken van haar verklaring, nu deze stelling op geen enkele wijze is onderbouwd. De rechtbank volgt eisers tot slot niet in het standpunt dat de minister onvoldoende heeft doorgevraagd naar de verklaringen van de vader, dan wel dan de vader ten onrechte niet met de tegenstrijdigheden is geconfronteerd. Uit het verslag van de hoorzitting volgt immers dat verschillende vragen zijn gesteld aan de vader over de geboortedata van zijn kinderen en de vader is eveneens geconfronteerd met de eerdere verklaring over het bijhouden van de geboortedata. Dat niet zou zijn doorgevraagd over de omstandigheden waaronder de vader het boekje met persoonlijke aantekeningen zou zijn kwijtgeraakt, kan aan de tegenstrijdigheid van deze verklaring met zijn eerdere verklaring over de wijze waarop hij de geboortedata van zijn kinderen wist, niet af doen.
9. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande evenwel vast dat uit zowel de verklaringen van referente tijdens haar asielprocedure, als uit de opgegeven geboortejaren bij de mvv-aanvraag, de verklaringen van eisers en de geboortedata op de Somalische documenten een minderjarige leeftijd volgt voor zowel eiser als eiseres ten tijde van de aanvraag. Bovendien blijkt uit het positieve DNA-onderzoek dat eisers behoren tot het kerngezin van referente, de ouders en de zusjes. Alhoewel het aan eisers is om hun identiteit aannemelijk te maken en de verklaringen rondom de gestelde leeftijden afwijken, acht de rechtbank de vraag of de minister desondanks uitgaat van de minderjarigheid van eisers evenwel van belang bij de beoordeling. Uit Werkinstructie 2025/5 volgt namelijk dat in geval van minderjarigheid in beginsel het voordeel van de twijfel wordt gegeven en in geval van een biologisch kerngezin minder hoge eisen aan het bewijs, en daarmee ook aan de verklaringen van eisers, worden gesteld. Uit het bestreden besluit blijkt niet eenduidig of de minister de gestelde minderjarigheid van eisers betwist. Ook op de zitting heeft de minister daarover desgevraagd herhaaldelijk geen duidelijkheid gegeven. De minister heeft aangegeven dat het er (uitsluitend) om gaat dat eisers hun gestelde leeftijd aannemelijk moeten maken, maar dat het er tegelijkertijd niet om gaat dat de exacte leeftijd van eisers komt vast te staan. Gelet op het voorgaande, en gelet op het feit dat in alle gevallen op basis van de verklaringen over de leeftijd sprake zou zijn van minderjarigheid, heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd op welke wijze het bepaalde in WI 2025/5 is betrokken bij de beoordeling. De rechtbank wijst in dit verband ook op hetgeen onder 9.1 en 9.2 is overwogen. De rechtbank merkt ten aanzien van de afwijkende verklaringen over de leeftijden van eisers tot slot op dat ook ten aanzien van de zusjes van eisers afwijkende verklaringen zijn afgelegd over de leeftijd, maar dat dit in hun situatie voor de minister kennelijk geen aanleiding was om de mvv-aanvraag af te wijzen.
De rechtbank overweegt ten aanzien van de sociale media accounts van eiser als volgt. Uit het bestreden besluit volgt dat het standpunt dat de identiteit van eisers niet aannemelijk is geworden voor een (groot) deel gebaseerd is op het onderzoek naar de sociale media accounts van eiser. Ondanks dat het de rechtbank onduidelijk is gebleven of de minister de minderjarigheid van eisers is betwist, stelt de rechtbank vast dat op basis van de foto’s en teksten op het Facebookaccount van eiser wordt geconcludeerd dat eiser ouder zou zijn dan de gestelde leeftijd. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek naar de sociale media-accounts onvoldoende zorgvuldig is geweest en dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de teksten en foto’s op sociale media leiden tot de conclusie dat eisers gestelde leeftijd niet aannemelijk is. De rechtbank acht het daarbij allereerst onzorgvuldig dat de minister de foto van 14 mei 2022 en de overige foto’s van het Facebook account niet aan eiser heeft laten zien, maar slechts een beschrijving van de betreffende foto heeft gegeven. De gemachtigde van de minister heeft op de zitting ook erkend dat het zorgvuldiger zou zijn geweest om de betreffende foto’s aan eiser te tonen. Bovendien heeft eiser, nadat hij de foto van 14 mei 2022 alsnog heeft kunnen bekijken via zijn gemachtigde en referente, laten weten dat hij niet de persoon op de betreffende foto is. Dat eiser weliswaar bevraagd is over een foto, zittend achter een bureau in pak met een laptop en eiser heeft verklaard dat hij naar een plek is gebracht, een pak heeft aangehad en er foto’s zijn gemaakt, laat onverlet dat eiser heeft ontkend dat hij degene is die te zien is op de betreffende foto van 14 mei 2022. Indien de minister van oordeel is dat uit eisers verklaringen over de foto voldoende blijkt dat eiser wel degelijk degene is die op de foto zichtbaar is, moet de minister dit, mede gelet op de ontkenning van eiser, nader motiveren. Daarbij moet de minister nader motiveren waarop hij heeft gebaseerd dat eiser daadwerkelijk de persoon op de foto is. De motivering dat, gelet op de uiterlijke kenmerken zoals de adamsappel, gezichtsbeharing, terugtrekkende haarlijn en lichamelijke bouw niet aannemelijk is dat eiser in 2010 zou zijn geboren zegt immers niets over de vraag of eiser degene is die op de foto te zien is. De rechtbank stelt verder vast dat eiser heeft verklaard dat hij wel de persoon is op de foto’s van 16 november 2023 en 10 april 2024. Met betrekking tot deze (en de overige) foto’s heeft de minister slechts gesteld dat eiser daarop ouder lijkt dan twaalf of dertien jaar, maar is niet gemotiveerd waarop die conclusie is gebaseerd.
Ten aanzien van de teksten die op het Facebook account van eiser zijn aangetroffen is de rechtbank van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen sprake zou kunnen zijn van onjuiste gegevens. De rechtbank overweegt dat de minister de teksten weliswaar opvallend kon vinden, maar tegelijkertijd blijkt uit de bronnen waarnaar eisers in bezwaar hebben verwezen dat het niet ongebruikelijk is dat onjuiste gegevens op sociale media accounts worden ingevuld. De minister heeft dat op zichzelf niet betwist. De minister heeft in het verweerschrift verder gemotiveerd dat de door eiser aangehaalde uitspraak niet opgaat nu die uitspraak ziet op subjectieve en manipuleerbare profielteksten op LinkedIn en het in het onderhavige geval niet zou gaan om zelfgekozen teksten op een online profiel, maar om foto’s van Facebook. De minister heeft hiermee naar het oordeel van de rechtbank miskend dat het in het onderhavige geval niet enkel gaat om foto’s, maar dat uit de besluitvorming ook volgt dat eiser wordt tegengeworpen dat op zijn Facebookaccount vermeld staat dat hij aan de Plasma University studeert en sinds 2023 gehuwd is. De minister heeft nagelaten om nader te motiveren waarom aan de teksten op het Facebook account in het licht van het voorgaande toch gewicht wordt toegekend.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een zorgvuldige voorbereiding en niet deugdelijk is gemotiveerd. Het beroep is dan ook gegrond. De rechtbank komt daarom niet toe aan een bespreking van de overige beroepsgronden.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken de tijd.
Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 6 maart 2026;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C.
Drenten - Boon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Deze datum staat hierboven. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.