RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[naam], V-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.63652 en NL25.63662
en
[naam] , V-nummer: [nummer], eiseres
samen: eisers
(gemachtigde: mr. F. van Dijk),
en
(gemachtigde: mr. D.A.M. Frieser).
1. Deze uitspraak gaat over de besluiten van de minister waarbij de aanvragen van eisers om hun verblijfsvergunning voor medische behandeling te verlengen is ingewilligd. Eisers vinden dat de minister ambtshalve had moeten toetsen of ze al eerder in aanmerking kwamen voor een verblijfsvergunning voor medische behandeling, waarna ze een vergunning op niet-tijdelijke humanitaire gronden hadden moeten krijgen. Zij hebben daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt de beroepen mede aan de hand van de beroepsgronden.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de bestreden besluiten niet in stand kunnen blijven. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet goed gemotiveerd heeft waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om ambtshalve te beoordelen of eisers met terugwerkende kracht in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking humanitair niet-tijdelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eisers hebben op 9 april 2025 aanvragen voor verlenging van de geldigheidsduur van hun verblijfsvergunning voor medische behandeling ingediend. Eisers hebben de minister bij deze aanvragen ook gevraagd om te toetsen of zij in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier met als verblijfsdoel humanitair niet-tijdelijk.
De minister heeft de aanvragen met de besluiten van 4 juni 2025 ingewilligd en de geldigheidsduur verlengd van 3 juli 2025 tot 3 juli 2026 onder de beperking medische behandeling.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de besluiten.
Met de bestreden besluiten van 2 december 2025 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
De rechtbank heeft de beroepen op 29 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Voorgeschiedenis
3. Eisers hebben op 6 februari 2017 in Nederland asiel aangevraagd. De minister heeft deze aanvragen afgewezen en aan eisers voorlopig uitstel van vertrek verleend vanwege hun medische situatie van 10 april 2017 tot 10 juli 2017, in afwachting van een ambtshalve besluit.
4. De minister heeft op 18 september 2019 besloten dat eisers geen uitstel van vertrek krijgen. De minister heeft het bezwaar van eisers tegen dat besluit ongegrond verklaard.
5. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft de beroepen van eisers bij uitspraak van 22 december 2020 gegrond verklaard. De minister heeft vervolgens bij besluiten van 11 juli 2023 alsnog uitstel van vertrek verleend aan eisers met ingang van 8 juni 2020, met steeds verlenging van een jaar, tot 8 juni 2024.
6. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de besluiten van de minister van 11 juli 2023, omdat zij het niet eens waren met de ingangsdatum van het verleende uitstel van vertrek en omdat de minister gelet op het tijdsverloop volgens eisers ambtshalve een verblijfsvergunning op medische gronden had moeten verlenen. Op 11 oktober 2023 heeft deze rechtbank en zittingsplaats de beroepen van eisers ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in deze uitspraak overwogen dat de minister terecht uitstel van vertrek heeft verleend met ingang van 8 juni 2020. Verder heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om de minister op te dragen om te beoordelen of ambtshalve verblijfsvergunningen met als verblijfsdoel medische behandeling verleend kunnen worden, omdat niet is aangevoerd en niet is komen vast te staan dat het lange tijdsverloop uitsluitend dan wel grotendeels het gevolg is van onzorgvuldig handelen door de minister. Eisers hebben hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
7. Eisers hebben op 3 juli 2024 aanvragen gedaan om verblijfsvergunningen met het verblijfsdoel ‘humanitair niet-tijdelijk’. De minister heeft bij besluiten van 27 januari 2025 aan eisers een verblijfsvergunning verleend onder de beperking ‘medische behandeling’ voor de duur van 3 juli 2024 tot 3 juli 2025. De minister heeft in dit besluit verder overwogen dat hij niet ambtshalve beoordeelt of aan eisers vanwege het verleende uitstel van vertrek met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning op medische gronden of voor voortgezet verblijf moet worden verleend, omdat die beoordeling thuishoort in de artikel 64 procedure, waarin nog het hoger beroep van 7 november 2023 openstaat. Eisers hebben geen bezwaar gemaakt tegen deze besluiten.
8. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de uitspraak van de rechtbank van 11 oktober 2023 op 11 juli 2025 bevestigd.
Beoordeling door de rechtbank
Griffierecht
9. Eisers hebben verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek toe. Eisers hoeven dus geen griffierecht te betalen.
Heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom hij niet ambtshalve heeft beoordeeld of eisers een verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk krijgen?
Wat vinden eisers?
10. Eisers voeren aan dat de minister ten onrechte opnieuw niet ambtshalve heeft beoordeeld of zij met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning voor medische behandeling hadden moeten krijgen met ingang van 8 juni 2021, en aansluitend een vergunning op niet-tijdelijke humanitaire gronden. Eisers wijzen erop dat ze op 8 juni 2021 een jaar rechtmatig verblijf hadden op grond van artikel 64 van de Vw en daarmee voldeden aan de voorwaarden van artikel 3.46, eerste en vierde lid van het Vb, om in aanmerking te komen van een verblijfsvergunning voor medische behandeling. Twee jaar later, op 8 juni 2023, werd volgens hen voldaan aan de voorwaarde van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb om in aanmerking te komen van een verblijfsvergunning regulier op niet-tijdelijke humanitaire gronden. Volgens eisers gaat de stelling van de minister niet op dat niet is gebleken dat Nederland het meest aangewezen land is voor eisers om de voor hen noodzakelijke behandeling te ondergaan. Eisers wijzen er in dit kader op dat de minister op 3 juli 2027 de verblijfsvergunningen ‘medische behandeling’ weer heeft verlengd, nu tot 3 juli 2027. Eisers voeren aan dat de minister ten onrechte stelt dat de ambtshalve toets alleen kan plaatsvinden in de procedure waarbij aan eisers met terugwerkende kracht uitstel van vertrek is verleend en dat deze toets al heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft namelijk niet geoordeeld dat een ambtshalve toets inhoudelijk heeft plaatsgevonden, maar dat de minister niet verplicht was om tot ambtshalve beoordeling over te gaan.
Wat vindt de minister?
11. De minister vindt dat hij terecht niet ambtshalve heeft beoordeeld of eisers met ingang van 8 juni 2021 in aanmerking hadden moeten komen voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’ en aansluitend een vergunning op niet-tijdelijke humanitaire gronden. Deze beoordeling is volgens de minister geen onderdeel van de onderhavige procedure, maar moet plaatsvinden in de procedure waarin met terugwerkende kracht uitstel van vertrek is verleend op grond van artikel 64 van de Vw. Deze toets heeft volgens de minister al plaatsgevonden. De minister verwijst daartoe naar de besluiten van 11 juli 2023 en de daarop volgende uitspraken van de rechtbank en de Afdeling.
12. In het verweerschrift is de minister teruggekomen op het standpunt dat de ambtshalve toets geen onderdeel vormt van de onderhavige procedure, omdat voor het doortoetsen op grond van artikel 3.6 van het Vb geen specifieke aanvraag nodig is. De minister blijft bij het standpunt dat hij terecht geen gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om door te toetsen. Uit IB 2024/19 volgt namelijk dat de minister daarvan geen gebruik maakt als de eerst gevraagde verblijfsvergunning wordt verleend of als de beperking al eerder is beoordeeld en er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. De minister wijst er verder op dat de artikelen 3.46 en 3.51 van het Vb een discretionaire bevoegdheid bevatten, waardoor er voor de minister geen verplichting bestaat om een dergelijke reguliere verblijfsvergunning aan eisers te verlenen. Uit artikel 3.46 van het Vb volgt volgens de minister bovendien niet dat uitstel van vertrek ertoe leidt dat de vreemdeling van rechtswege een reguliere verblijfsvergunning krijgt. Eisers voldoen volgens de minister niet aan de voorwaarden van artikel 3.46 van het Vb, omdat niet is gebleken dat Nederland het meest aangewezen land is voor eisers om de voor hen noodzakelijke behandeling te ondergaan. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat de noodzakelijke zorg niet aanwezig is in Koerdistan.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
13. De rechtbank overweegt als volgt. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat de minister de bevoegdheid heeft en niet de plicht om op grond van artikel 3.6b van het Vb ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Dat neemt niet weg dat de minister deugdelijk moet motiveren waarom hij geen gebruik maakt van die bevoegdheid. De minister moet dit motiveren als de vreemdeling impliciet of expliciet een beroep doet op de bevoegdheid van de minister om ambtshalve te toetsen. De minister kan voor die motivering verwijzen naar het toepasselijke beleid als daarin is toegelicht waarom in bepaalde gevallen geen gebruik wordt gemaakt van deze bevoegdheid of, als dat beleid ontbreekt, in het individuele geval toelichten waarom van deze bevoegdheid geen gebruik wordt gemaakt. Vanzelfsprekend kan de minister er ook voor kiezen zonder een daartoe strekkende aanvraag inhoudelijk te beoordelen of er aanleiding is van deze bevoegdheid gebruik te maken.
14. In IB 2024/19, waarnaar de minister in het verweerschrift verwijst, staat onder andere het volgende:
‘Het informatiebericht geeft handvatten aan de uitvoering over hoe om te gaan met de doortoetsbevoegdheid van artikel 3.6b Vb. Bij het opstellen van deze handvatten is rekening gehouden met de bedoeling van deze doortoetsbevoegdheid en de uitvoerbaarheid ervan. Het al dan niet gebruik maken van deze bevoegdheid is een kwestie van maatwerk en zal per individueel geval moeten worden bepaald. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van de richtlijnen hieronder.
Het informatiebericht bevat geen beleidsregels. Daarom kan er ook niet naar verwezen worden voor de motivering.’
‘De IND zal gebruik maken van de bevoegdheid om door te toetsen als: 1. de vreemdeling aangeeft ook in aanmerking te komen voor een beperking verband houdend met medische behandeling, tijdelijke humanitaire gronden of niet-tijdelijke humanitaire gronden (art. 3.6b, onder a, Vb), mits (i) deze beperking in nauw verband staat tot dan wel in het verlengde ligt van de eerst gevraagde beperking of de huidige verblijfsvergunning en (ii) voldoende is onderbouwd; (…)’
‘De IND maakt geen gebruik van deze bevoegdheid als de eerst gevraagde verblijfsvergunning wordt verleend, (…) of de nu ambtshalve te beoordelen beperking al eerder is beoordeeld en nu geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden.’
‘Uitgangspunt is dat de IND gebruik maakt van de doortoetsbevoegdheid tenzij hier om organisatorische redenen bezwaren tegen bestaan.’
15. De rechtbank stelt vast dat de minister in de besluiten van 11 juli 2023 niet ambtshalve heeft getoetst of eisers in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor medische behandeling en/of humanitair niet-tijdelijk. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraak van 11 oktober 2023 de minister niet opgedragen om deze ambtshalve toets (alsnog) te verrichten. De minister heeft in de besluiten van 27 januari 2025 ook geen ambtshalve toets verricht. De rechtbank stelt vast dat eisers tegen deze besluiten geen rechtsmiddel hebben aangewend. De rechtbank stelt verder vast dat de minister op de zitting heeft erkend dat het niet klopt dat in deze besluiten voor de ambtshalve toets is verwezen naar de artikel 64 procedure.
16. De rechtbank stelt verder vast dat de minister in het verweerschrift is teruggekomen op het standpunt in de bestreden besluiten dat de ambtshalve toets geen onderdeel is van de onderhavige aanvraagprocedure. De minister heeft op de zitting toegelicht dat in het verweerschrift vervolgens alsnog is uitgelegd waarom geen gebruik is gemaakt van de bevoegdheid om de ambtshalve toets te verrichten.
17. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom hij in de onderhavige procedure geen gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om op grond van artikel 3.6b van het Vb ambtshalve te beoordelen of eisers in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier met als verblijfsdoel humanitair niet-tijdelijk.
De rechtbank vindt daarbij allereerst van belang dat deze toets niet eerder heeft plaatsgevonden in de artikel 64 procedure en ook niet bij de eerdere verlengingsaanvraag. De motivering in het verweerschrift is naar het oordeel van de rechtbank ook niet toereikend. Allereerst heeft de minister in het verweerschrift onder verwijzing naar IB 2024/19 gesteld dat hij geen gebruikmaakt van de doortoetsbevoegheid als de eerst gevraagde verblijfsvergunning wordt verleend en dat dit in de besluiten van 27 januari 2025 en 22 januari 2025 is gebeurd. Verder verwijst de minister naar de voorwaarde uit het IB dat de ambtshalve te beoordelen beperking niet al eerder is beoordeeld en er sprake moet zijn van nieuwe feiten en omstandigheden. Volgens de minister is daaraan niet voldaan omdat in hoger beroep is bekrachtigd dat voor de minister geen aanleiding bestaat voor het verlenen van ambtshalve verblijfsvergunningen. De minister verwijst dus voor de motivering om niet ambtshalve door te toetsen naar het IB, terwijl het IB vermeldt dat daarnaar voor de motivering niet kan worden verwezen, omdat het IB geen beleidsregels bevat. Bovendien is niet gebleken dat de minister (elders) in beleidsregels heeft vastgelegd wanneer hij wel of niet van de doortoetsbevoegdheid van artikel 3.6b van het Vb gebruikmaakt.
Verder is niet gebleken dat de minister in eerdere procedures de te beoordelen beperking al heeft beoordeeld. In de besluiten van 27 januari 2025 heeft de minister overwogen dat dat hij niet ambtshalve beoordeelt of aan eisers met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning op medische gronden of voor voortgezet verblijf moet worden verleend, omdat die beoordeling thuishoort in de artikel 64 procedure. De minister heeft zich op de zitting echter op het standpunt gesteld dat deze overweging niet juist is. Bovendien is ook in de besluiten de ambtshalve beoordeling niet verricht. Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het dan ook niet doorslaggevend dat de besluiten van 27 januari 2025 in rechte vast staan.
Daarnaast heeft de minister op de zitting niet kunnen toelichten hoe de passage in het IB dat het uitgangspunt is dat de minister gebruikmaakt van de doortoetsbevoegdheid tenzij daartegen om organisatorische redenen bezwaren bestaan zich verhoudt tot de beschreven situaties waarin de minister daarvan geen gebruikmaakt. Tot slot vermeldt het IB dat het al dan niet gebruik maken van de doortoetsbevoegdheid een kwestie van maatwerk is en per individueel geval zal moeten worden bepaald, waarbij gebruikgemaakt kan worden van de richtlijnen in het IB. Uit het bestreden besluit en het verweerschrift blijkt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende op welke wijze de minister in de situatie van eisers maatwerk heeft verricht.
Gelet op het voorgaande heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om ambtshalve te beoordelen of eisers in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking humanitair niet-tijdelijk.
Conclusie en gevolgen
18. Het beroep is gegrond omdat de bestreden besluiten in strijd zijn met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van de besluiten in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat het aan de minister is om deugdelijk te motiveren waarom hij geen gebruik maakt van de bevoegdheid om ambtshalve te beoordelen of eisers in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking humanitair niet-tijdelijk, dan wel deze ambtshalve beoordeling alsnog te verrichten.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken. Deze termijn gaat op grond van artikel 8:106 van de Algemene wet bestuursrecht pas lopen als de termijn om hoger beroep in te stellen is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, als daarop is beslist.
Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de besluiten van 2 december 2025;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken, of als hoger beroep wordt ingesteld, na de dag nadat daarop is beslist, nieuwe besluiten op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C.
Drenten - Boon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Deze datum staat hierboven. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.