Alimentatie
Beschikking op het op 26 februari 2026 ingekomen verzoek van:
[verzoekster] ,
hierna: ‘ [verzoekster] ’,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. B. Valeton te Utrecht.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[belanghebbende] ,
hierna ‘ [belanghebbende] ’,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.G. Schnoor te ’s-Gravenhage.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift van 25 februari 2026, met bijlagen, van [verzoekster] ;
het F9 formulier van 3 maart 2026, met bijlage, van [verzoekster] .
Feiten
[verzoekster] en [belanghebbende] zijn gehuwd geweest met elkaar van [dag 1] 2016 tot [dag 2] 2020.
Zij zijn de ouders van de nu nog minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] .
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uit.
Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 5 augustus 2020 is de echtscheiding tussen [verzoekster] en [belanghebbende] uitgesproken en is bepaald dat het aangehechte convenant en ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking. In het convenant en ouderschapsplan zijn [verzoekster] en [belanghebbende] – voor zover hier van belang – het volgende overeen gekomen:
Convenant
Artikel 2.1: [belanghebbende] zal, met ingang van datum inschrijving echtscheiding in het register van de burgerlijke stand, bijdragen in het levensonderhoud van [verzoekster] met een bedrag van € 1.662,- bruto, welk bedrag bij vooruitbetaling maandelijks aan [verzoekster] zal worden voldaan.
Artikel 2.5: de in de artikelen 2.1 tot en met 2.3 vastgestelde bedragen zullen worden verhoogd met de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2021.
Ouderschapsplan
Artikel 2.1: [minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij [verzoekster] en zal op haar adres in het bevolkingsregister van de gemeente ingeschreven staan. Aan [verzoekster] komt daarom het recht toe om de kinderbijslag te innen.
Artikel 3.1: de ouders zijn een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken overeengekomen, inhoudende dat [minderjarige] elke week van woensdag 17.00/17.30 uur tot donderdagochtend naar opvang/school en om de week van vrijdag na opvang/school tot maandagochtend naar opvang/school bij [belanghebbende] is. Voor de vakanties is overeengekomen dat de ouders dit in onderling overleg verdelen. Voor de feestdagen is het volgende afgesproken:
Koningsdag: in onderling overleg
Sinterklaas: in onderling overleg:
Kerst: eerste kerstdag bij [verzoekster] , tweede kerstdag bij [belanghebbende]
Oud en nieuw: in onderling overleg
Goede vrijdag: bij [belanghebbende]
Pasen en Pinksteren: eerste paas- en pinksterdag bij [belanghebbende] , tweede paas- en pinksterdag bij [verzoekster]
Moederdag: bij [verzoekster]
Verjaardag [minderjarige] : bij [verzoekster]
Daarbij is afgesproken dat [minderjarige] ongeacht de zorgverdeling naar de verjaardag van [belanghebbende] dan wel [verzoekster] en hun familie kan gaan;
Artikel 6.4: met ingang van datum inschrijving echtscheiding in het register van de burgerlijke stand en zolang [minderjarige] bij [verzoekster] woont, betaalt [belanghebbende] aan [verzoekster] maandelijks bij vooruitbetaling een bijdrage voor [minderjarige] van € 446,-. [verzoekster] draagt de overige kosten van [minderjarige] . Deze regeling blijft gehandhaafd als [minderjarige] na zijn achttiende verjaardag nog bij [verzoekster] woont, tenzij [minderjarige] zich daartegen zal verzetten.
Artikel 6.5: de in artikel 6.1 tot en met 6.4 vastgestelde bedragen zullen worden verhoogd met de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2021.
Verzoek
[verzoekster] verzoekt bij voorlopige voorziening – voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad – :
1. een zorgregeling te bepalen, inhoudende
regulier
dat [minderjarige] bij [belanghebbende] is van maandag na school tot woensdag naar school en bij [verzoekster] op woensdag na school tot vrijdag naar school;
weekendregeling
dat [minderjarige] de weekends om en om bij een van de ouders doorbrengt, waarbij het weekend begint op vrijdag na school en loopt tot maandag naar school en waarbij [minderjarige] in het weekend van:
jan t/m april 2026 in oneven weken zal zijn bij [belanghebbende] en in even weken bij [verzoekster]
mei t/m aug 2026 in oneven weken zal zijn bij [verzoekster] en in even weken bij [belanghebbende]
sep t/m dec 2026 in oneven weken zal zijn bij [belanghebbende] en in even weken bij [verzoekster]
jan t/m april 2027 in oneven weken zal zijn bij [verzoekster] en in even weken bij [belanghebbende]
etc.
vakantie- en feestdagenregeling
dat [minderjarige] in vakanties en feestdagen zal zijn bij de ouders
vakanties algemeen: 50/50 in onderling overleg af te spreken
Zomervakantie: in de even jaren week 1+2 bij [verzoekster] , week 3+4 bij [belanghebbende] en week 5+6 volgens de reguliere regeling en in de oneven jaren andersom;
kerst: even jaren eerste kerstdag bij [belanghebbende] en tweede kerstdag bij [verzoekster] , oneven jaren andersom;
oud en nieuw: even jaren bij [verzoekster] en oneven jaren bij [belanghebbende] ;
Pasen en Pinksteren: even jaren eerste paas- en pinksterdag bij [verzoekster] , tweede paas- en pinksterdag bij [belanghebbende] , oneven jaren andersom;
Sinterklaas/Hemelvaartsdag/Koningsdag/verjaardag [minderjarige] : regulier schema;
ten aanzien van de alimentatie primair
2. om de overeengekomen bijdrage voor [minderjarige] en/of [verzoekster] te wijzigen en te bepalen dat [belanghebbende] maandelijks bij vooruitbetaling zowel een bijdrage in de kosten van [minderjarige] als een bijdrage in de kosten van levensonderhoud dient te betalen, zijnde:
a. voor [minderjarige] € 442,- per maand, ingaande per 1 december 2025, welk bedrag per januari 2026 geïndexeerd wordt met 4,6% en dan uitkomt op € 462,33 per maand;
b. voor [verzoekster] € 1.499,- per maand, ingaande per 1 december 2025, welk bedrag per januari 2026 geïndexeerd wordt met 4,6% en dan uitkomt op € 1.567,95 per maand;
subsidiair
3. indien de rechtbank geen partneralimentatie meent te kunnen vaststellen:
te bepalen dat de bijdrage van [belanghebbende] aan [verzoekster] als voorlopige voorziening gehandhaafd blijft op het meest gangbare bedrag dat [belanghebbende] aan [verzoekster] betaalde in 2025, zijnde € 800,- per maand ingaande per 1 december 2025 en geïndexeerd per 1 januari 2026 maar € 837,- per maand, zulks totdat a) in de hoofdzaak uitgemaakt is op welke kosten de bijdragen van [belanghebbende] zagen en b) of het recht op partneralimentatie van [verzoekster] nog existent is,
kosten rechtens.
Beoordeling
(Spoedeisend) belang
Op grond van artikel 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Op grond van het tweede lid moet deze vordering samenhangen met de hoofdvordering. In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht (Hoge Raad 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
Voor wijziging van de zorgregeling en van de door [belanghebbende] aan [verzoekster] te betalen kinder- en partneralimentatie voor de duur van de bodemprocedure is in het kader van artikel 223 Rv slechts plaats, indien naar het oordeel van de rechtbank een (spoedeisend) belang bestaat, in die zin dat van [verzoekster] niet gevergd kan worden dat zij de afloop van de bodemprocedure afwacht.
[verzoekster] heeft naar voren gebracht dat de weekendregeling nu zodanig uitpakt dat [verzoekster] nooit zonder kind is in het weekend dat haar partner ook de kinderen niet heeft, zodat zij in haar sociale leven vastloopt. Het is daarom van groot belang dat dit op korte termijn wordt opgelost. [verzoekster] zit daarnaast financieel helemaal klem. Van de bedragen die zij de afgelopen tijd van [belanghebbende] heeft ontvangen, kan zij niet rondkomen. De nijpende situatie heeft ertoe geleid dat [verzoekster] een deel van het spaargeld van zoon [minderjarige] heeft opgenomen. [belanghebbende] heeft daarop de rest van het spaargeld ‘veilig gesteld’. De onenigheid neemt toe. Op korte termijn is geen beweging op dit punt te verwachten. [verzoekster] heeft er recht op en belang bij dat de rechtbank op korte termijn knopen doorhakt, zowel ten aanzien van de zorgregeling als ten aanzien van de kinder- en partneralimentatie.
De rechtbank overweegt dat [verzoekster] in haar verzoek ex artikel 223 Rv onvoldoende haar spoedeisend belang heeft gesteld. De rechtbank ziet in hetgeen door [verzoekster] is aangedragen omtrent het vastlopen in haar sociale leven door de weekendregeling geen spoedeisend belang voor wijziging van de zorgregeling. Ten aanzien van de alimentatie overweegt de rechtbank dat [verzoekster] en [belanghebbende] in een convenant en ouderschapsplan afspraken hebben gemaakt omtrent de kinder- en partneralimentatie. Daarmee heeft [verzoekster] een executoriale titel waarmee zij bij niet-nakoming beslag zou kunnen laten leggen. In 2024 had zij bovendien een winst uit onderneming van € 24.877,-. Niet gebleken is dat sprake is van een financiële noodsituatie bij [verzoekster] en dat zij daarom bij wijziging van de alimentatie een spoedeisend belang heeft.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is aangetoond dat sprake is van een situatie waarin van [verzoekster] niet gevergd kan worden dat zij de eindbeslissing in de hoofdzaak afwacht. De rechtbank zal het verzoek van [verzoekster] tot het treffen van voorlopige voorzieningen dan ook afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
wijst af het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, rechter, bijgestaan door mr. M. Meijer als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 27 maart 2026.